Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:774

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
202002215/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 maart 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk beslist op een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie over de op 23 november 2016 vastgestelde Visie Centrum Bodegraven. [appellant] heeft bij brief van 9 januari 2018 verzocht om openbaarmaking van niet-openbare informatie over de Centrumvisie 2017. Hij heeft daarbij vermeld dat het verzoek uitsluitend betrekking heeft op niet-openbare informatie als gespecificeerd in de in zijn verzoek opgesomde twaalf punten. Het college heeft [appellant] telefonisch gevraagd om een toelichting en heeft een afspraak met hem gemaakt voor een gesprek. Bij brief van 15 januari 2018 heeft [appellant] de afspraak afgezegd en een nadere toelichting gegeven op het verzoek. Op 6 februari 2018 heeft een ambtenaar van de gemeente een bezoek gebracht aan [appellant].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002215/1/A3.

Datum uitspraak: 14 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Bodegraven,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2020 in zaak nr. 18/6377 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 12 maart 2018 heeft het college beslist op een verzoek van [appellant] om openbaarmaking van informatie over de op 23 november 2016 vastgestelde Visie Centrum Bodegraven (hierna: Centrumvisie 2017).

Bij brief van 17 september 2018 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Bij besluit van 19 september 2018 heeft het college onder meer het door [appellant] tegen het besluit van 12 maart 2018 gemaakte bezwaar gegrond verklaard, dat besluit herroepen en besloten dat de door [appellant] gevraagde informatie openbaar wordt gemaakt voor zover de weigeringsgronden in de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) niet van toepassing zijn.

Bij uitspraak van 11 maart 2020 heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen het besluit van 19 september 2018 gegrond verklaard, het besluit van 19 september 2018 vernietigd, voor zover daarbij onvoldoende onderzoek is gedaan en onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat het college niet over (extra) informatie beschikt, het college opgedragen binnen drie maanden een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en het college veroordeeld in de proceskosten van [appellant] tot een bedrag van € 1.575,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij brief van 20 juli 2020 heeft [appellant] beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een nieuwe besluit door het college.

Bij besluit van 28 juli 2020 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist en informatie openbaargemaakt.

[appellant] heeft hiertegen gronden ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant] heeft de toestemming, bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2021, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. C.H. Norde, advocaat te Leiden, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Wob-verzoek

2.       [appellant] heeft bij brief van 9 januari 2018 verzocht om openbaarmaking van niet-openbare informatie over de Centrumvisie 2017. Hij heeft daarbij vermeld dat het verzoek uitsluitend betrekking heeft op niet-openbare informatie als gespecificeerd in de in zijn verzoek opgesomde twaalf punten. Het college heeft [appellant] telefonisch gevraagd om een toelichting en heeft een afspraak met hem gemaakt voor een gesprek.

Bij brief van 15 januari 2018 heeft [appellant] de afspraak afgezegd en een nadere toelichting gegeven op het verzoek. Op 6 februari 2018 heeft een ambtenaar van de gemeente een bezoek gebracht aan [appellant].

Bij brief van 8 februari 2018 heeft het college aan [appellant] meegedeeld dat in overleg met hem is besloten het Wob-verzoek aan te houden en dat een afspraak zal worden ingepland. Vervolgens heeft [appellant] aan het college meegedeeld dat hij het niet juist vindt dat de ambtenaar een bezoek aan huis heeft gebracht en dat hij geen gesprek wil op het gemeentehuis.

Besluitvorming

3.       Bij het besluit van 12 maart 2018 heeft het college besloten informatie over de Centrumvisie 2017 openbaar te maken met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11 van de Wob, maar daarvan geen afschriften aan [appellant] te verstrekken. Het verstrekken van alle gevraagde documenten kon volgens het college niet worden gevergd. [appellant] werd in de gelegenheid gesteld een afspraak te maken om de beschikbare informatie op het gemeentehuis in te zien en het Wob-verzoek te concretiseren om te bepalen welke documenten dienden te worden verstrekt.

4.       [appellant] betwist dat het openbaar maken van de documenten een onevenredig grote inspanning van het college vergt.

5.       Bij het besluit op bezwaar van 19 september 2018 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de gevraagde informatie openbaar wordt gemaakt voor zover weigeringsgronden van de Wob niet van toepassing zijn. Het college heeft voorts vastgesteld dat [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van de hem geboden mogelijkheid het Wob-verzoek te concretiseren. Tevens is vermeld dat aan [appellant] leges in rekening worden gebracht ten bedrage van 0,25 cent per verstrekte kopie.

Beroep bij de rechtbank

6.       [appellant] heeft tegen dit besluit aangevoerd dat het college ten onrechte reeds openbare documenten en documenten waar hij niet om heeft verzocht heeft verstrekt en dat ten onrechte honderden documenten die binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen niet openbaar zijn gemaakt.

7.       De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen inhoudelijk te reageren op de beroepsgronden in het aanvullend beroepschrift van [appellant] van 3 oktober 2018. Het college is daarbij opgedragen in te gaan op alle door [appellant] genoemde, naar zijn inzicht nog ontbrekende informatie en te kennen te geven of en in hoeverre de gevraagde informatie al dan niet beschikbaar is en alsnog ter beschikking wordt gesteld en zo nee, waarom niet. [appellant] zal, zoals ter zitting door zijn gemachtigde bevestigd, zich inspannen en meewerken om samen met het college tot een oplossing te komen en voor zover nodig en gewenst in overleg gaan met het college, aldus de schorsingsbeslissing van de rechtbank van 28 mei 2019.

Op 3 juli 2019 heeft een gesprek plaatsgevonden op het gemeentehuis met de gemachtigde van [appellant] en partijen hebben vervolgens bij de rechtbank nadere reacties ingediend. Het college heeft zich bij brief van 29 augustus 2019 op het standpunt gesteld dat een deel van de gevraagde informatie niet onder de reikwijdte van het oorspronkelijke Wob-verzoek valt en dat aanvullend onderzoek naar wel onder het Wob-verzoek vallende informatie niets heeft opgeleverd. Deze informatie is niet aangetroffen. Verder is een aantal per abuis niet eerder verstrekte bijlagen bij de reeds eerder openbaargemaakte stukken alsnog verstrekt, aldus het college.

Aangevallen uitspraak

8.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college op een aantal punten onvoldoende onderzoek heeft gedaan en onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er niet meer stukken zijn die onder het Wob-verzoek van [appellant] vallen. De rechtbank heeft het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak, waarbij alleen hoeft te worden ingegaan op de punten die naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderzocht en onderbouwd zijn.

Hoger beroep

-        Inkadering Wob-verzoek

9.       [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de brief van 15 januari 2018 was bedoeld als nadere toelichting en niet als inkadering dan wel beperking van het Wob-verzoek. Hij heeft hiermee slechts willen aangeven dat een klein aantal soorten documenten, zoals nota’s, rekeningen, klachten en bezwaarschriften, niet onder zijn Wob-verzoek vallen en dat van documenten die in meervoud zijn verstuurd, niet meer dan één exemplaar hoeft te worden verstrekt.

9.1.    In het Wob-verzoek van 9 januari 2018 heeft [appellant] verzocht om:

1. Niet-openbare informatie over (uitvoering van) de Centrumvisie.

2. Niet-openbare informatie over (werkzaamheden van) de Stuurgroep Centrumvisie.

3. Niet-openbare informatie over (werkzaamheden van) de bewonersklankbordgroep Centrumvisie.

4. (digitale) correspondentie van wethouders/ambtenaren met de Bodegraafse ondernemersvereniging (hierna: BOV) en de Centrummanager over onderwerpen die met de Centrumvisie te maken hebben.

5. (digitale) correspondentie met de provincie Zuid-Holland over onderwerpen die met de Centrumvisie te maken hebben.

6. Niet-openbare informatie over bijeenkomsten met eigenaren van winkelpanden in Bodegraven.

7. Niet-openbare informatie betreffende correspondentie met het Kadaster in het kader van de uitvoering/uitwerking van de Centrumvisie.

8. Niet-openbare informatie over (de werkzaamheden van) de werkgroep Parkeren en bereikbaarheid.

9. Niet-openbare informatie betreffende correspondentie met Royal Haskoning.

10. Niet-openbare informatie over illegaal geparkeerde auto’s die tijdens tellingen in het kader van parkeeronderzoek Royal Haskoning in april 2017 aanwezig waren in onderzoeksgebied waarop parkeeronderzoek betrekking heeft. Een overzicht welke parkeerplekken in Bodegraven Centrum allemaal openbaar toegankelijk zijn en welke parkeerplekken niet door een ieder gebruikt mogen worden, omdat ze particulier eigendom zijn en dus niet eigendom van de gemeente zijn.

11. Correspondentie tussen ambtenaren over (de uitvoering van) de Centrumvisie.

12. Digitale correspondentie tussen raadsleden en ambtenaren over onderwerpen die met de Centrumvisie te maken hebben.

9.2.    In de brief van 15 januari 2018 heeft [appellant] een toelichting gegeven op zijn Wob-verzoek.

9.3.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college [appellant] aan de inkadering van het verzoek, zoals blijkt uit de twaalf punten in de brief van 9 januari 2018 en de brief van 15 januari 2018, mag houden en geen rekening hoeft te houden met nieuwe punten die later naar voren zijn gekomen en niet binnen deze inkadering passen. Niet valt in te zien dat het Wob-verzoek hiermee te beperkt is opgevat.

Dit betoog slaagt niet.

-        Informatie over de uitgangspunten van woningbouw

10.     [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat informatie over de uitgangspunten van woningbouw, zoals genoemd in de Centrumvisie 2017, niet binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek valt. Hij heeft niet verklaard dat hij geen informatie wilde over omvormen van winkelpanden tot woningen en het geven van een woonbestemming aan een gedeelte van het winkelgebied. Deze plannen behoren tot de uitvoering van de Centrumvisie 2017. Bovendien levert de omvorming van winkels tot woningen extra parkeerdruk op in de avonden, zodat ook om die reden deze informatie onder het Wob-verzoek valt, aldus [appellant].

10.1.  De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat informatie over de uitgangspunten van woningbouw zoals genoemd in de Centrumvisie niet binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek valt. Daarbij heeft zij terecht in aanmerking genomen dat uit het Wob-verzoek en de daarop gegeven toelichting blijkt dat het [appellant] vooral te doen is om parkeren en niet om woningbouw. Zowel in het Wob-verzoek als in de toelichting daarop wordt woningbouw niet genoemd. De door [appellant] gelegde link tussen de omvorming van winkels tot woningen en de extra parkeerdruk in de avonden die dat op zou leveren, biedt onvoldoende grond voor het oordeel dat informatie over de uitgangspunten van woningbouw zoals genoemd in de Centrumvisie onder het Wob-verzoek valt. Te minder omdat [appellant] geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om het verzoek te preciseren.

Ook dit betoog slaagt niet.

-        Dynamische uitvoeringsagenda

11.     Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet ongeloofwaardig is dat niet meer versies van de dynamische uitvoeringsagenda bestaan. De rechtbank had moeten oordelen  dat onvoldoende onderzoek is gedaan.

11.1.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 8 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:19), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust.

11.2.  Het college heeft toegelicht dat de stuurgroep Centrumvisie met een dynamische uitvoeringsagenda werkte. Deze agenda is in 2017 tweemaal als bijlage bij een vergadering van de stuurgroep gevoegd. Deze twee, gelijkluidende agenda’s zijn aan [appellant] verstrekt. Na extra onderzoek is alleen een Excel-bestand aangetroffen, dat is openbaargemaakt. Er zijn volgens het college geen andere exemplaren van de dynamische uitvoeringsagenda uit 2017 aangetroffen. De Afdeling acht dit standpunt van het college met de rechtbank niet ongeloofwaardig. Het is gelet op voormelde jurisprudentie aan [appellant] om het tegendeel aannemelijk te maken. In wat hij heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding hiervan af te wijken en de bewijslast bij het college neer te leggen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er op dit onderdeel van zijn verzoek meer documenten onder het college zouden berusten dan thans openbaargemaakt.

Dit betoog slaagt evenmin.

-        WhatsApp-berichten

12.     [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat alleen WhatsApp-berichten die gaan over de in de brief van 15 januari 2018 genoemde onderwerpen binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen. De rechtbank miskent daarmee dat met deze brief geen inkadering van het Wob-verzoek is bedoeld, aldus [appellant].

12.1.  Ook dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft overwogen dat WhatsApp-berichten over de Centrumvisie van bestuurders en ambtenaren uit 2017 binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen, voor zover deze zijn toegespitst op de Centrumvisie en de in de inkadering van het verzoek genoemde onderwerpen. Daarmee gaat het om de onderwerpen in het Wob-verzoek en toelichting van 15 januari 2018. Niet valt in te zien dat het verzoek voor zover dat ziet op WhatsApp-berichten te beperkt is opgevat. Zoals hiervoor, onder 9.3, is overwogen, mocht het college [appellant] aan de inkadering van het verzoek, zoals blijkt uit de twaalf punten in het Wob-verzoek en de brief van 15 januari 2018, houden.

-        Bewonersklankbord, correspondentie tussen raadsleden en ambtenaren en met de centrummanager in de periode 2017

13.     Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet ongeloofwaardig is dat er geen extra stukken zijn over deze onderwerpen. Omdat het college het bewonersklankbord bij de uitvoering van de Centrumvisie 2017 betrok, moet het college over adviezen en opmerkingen van leden van dit klankbord beschikken. Ten onrechte is nagelaten ICT- dan wel informatiespecialisten opdracht te geven in de back-upsystemen van de gemeente te zoeken naar documenten over deze onderwerpen uit 2017. Het is heel vreemd dat er geen correspondentie uit 2017 is aangetroffen met de centrummanager die immers speciaal was belast met de uitvoerig van de Centrumvisie, aldus [appellant].

13.1.  Volgens het college is na onderzoek geen informatie van/over het bewonersklankbord, correspondentie tussen raadsleden en ambtenaren en met de centrummanager in de periode 2017 aangetroffen. De Afdeling acht dit standpunt van het college met de rechtbank niet ongeloofwaardig. Het is dan gelet op eerder vermelde jurisprudentie in beginsel aan [appellant] om het tegendeel aannemelijk te maken. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat nog weer andere ICT- dan wel informatiespecialisten buiten de gemeente opdracht hadden moeten krijgen in de back-upsystemen van de gemeente te zoeken naar documenten over deze onderwerpen uit 2017. Het is aan [appellant] om op dit onderdeel aannemelijk te maken dat toch extra documenten onder het college zouden berusten.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] dit niet aannemelijk heeft gemaakt. Dat het college het bewonersklankbord bij de uitvoering van de Centrumvisie 2017 heeft betrokken en de centrummanager in dienst van de gemeente speciaal is belast met de uitvoerig van de Centrumvisie, biedt hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. Zoals het college heeft toegelicht, is de bewonersklankbordgroep weliswaar opgericht op initiatief van het college, maar een informeel orgaan van bewoners waar geen ambtenaren aan deelnemen en ontving het college geen verslagen of e-mails van de klankbordgroep. Voorts was de heer Wichers volgens het college in 2017 in dienst bij de BOV als centrummanager en berusten de e-mails die hij vanuit die positie met anderen dan de gemeente deelde, derhalve niet onder de gemeente. Naast zijn functie bij de BOV was Wichers in 2017 weliswaar ook deels aangesteld bij de gemeente als relatiebeheerder economie, maar om mogelijke belangenverstrengeling te voorkomen, is er daarbij bewust voor gekozen dat Wichers in zijn functie bij de gemeente zich niet bezig hield met de uitvoering van de Centrumvisie. Wichers beschikte over een e-mailadres van de BOV en over een e-mailadres van de gemeente en hij heeft meegedeeld dat hij vanuit zijn functie bij de BOV alleen via zijn e-mailadres van de BOV berichten stuurde, aldus het college.

Het betoog slaagt niet.

-        E-mailberichten met bestanden van de werkgroep parkeren/bereikbaarheid

14.     [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte bij haar oordeel niet duidelijk heeft gemaakt wat onder ICT moet worden verstaan.  De rechtbank had het college de opdracht moeten geven om aan externe deskundige ICT- dan wel informatiespecialisten de opdracht te geven om de verloren gegane berichten terug te halen uit het back-upsysteem van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk, aldus [appellant].

14.1.  De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank aan het college opdracht had moeten geven aan externe  ICT-specialisten om  verloren gegane berichten terug te halen uit het back-upsysteem. Niet is gebleken dat de ICT-afdeling van de gemeente zo’n zoekslag niet kan uitvoeren. Wat [appellant] heeft aangevoerd, biedt daarvoor geen aanknopingspunten

Dit betoog slaagt ook niet.

-        Verstrekte bijlagen

15.     [appellant] betoogt dat de rechtbank niet van hem mocht vragen te onderbouwen welke reeds openbaar gemaakte bijlagen niet alsnog aan hem zijn verstrekt. De rechtbank had het college moeten opdragen te motiveren welke bijlagen van de agenda’s en notulen van de stuurgroep alsnog zijn verstrekt. Het is voor hem onduidelijk welke in de agenda’s genoemde bijlagen alsnog zijn verstrekt, aldus [appellant].

15.1.  De rechtbank heeft terecht de stelling van [appellant] dat hij niet kan nagaan of aan hem alle bijlagen zijn verstrekt omdat het college geen inventarislijst van de alsnog openbaar gemaakte bijlagen heeft meegestuurd, niet gevolgd. Daarbij heeft de rechtbank met juistheid betrokken dat er geen reden is om te twijfelen aan de mededeling van het college dat eerder per abuis niet meegestuurde bijlagen van de reeds openbaar gemaakte informatie van de stuurgroep alsnog aan [appellant] zijn verstrekt. Daarnaast heeft [appellant] niet duidelijk gemaakt welke bijlagen, waarnaar in de openbaargemaakte stukken is verwezen, niet aan hem zouden zijn verstrekt.

Dit betoog slaagt evenmin.

-        Krantenberichten

16.     [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de tijdig ingediende krachtenberichten niet bij de beoordeling heeft betrokken.

16.1.  De rechtbank heeft de door [appellant] bij brief van 28 november 2019 uit 2017 afkomstige krantenartikelen niet buiten beschouwing gelaten omdat deze niet tijdig, dat wil zeggen binnen de daarvoor gestelde termijn vóór de zitting van 19 december 2019, zijn ingediend, maar omdat het informatie uit een openbare bron is en [appellant] deze in een eerder stadium van de procedure al had kunnen indienen. De rechtbank heeft die stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing heeft mogen laten.

Dit betoog faalt evenzeer.

-        Niet beoordeelde beroepsgronden

17.     Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte de gronden vermeld onder 21, 22 en 23 van zijn beroepschrift niet dan wel onvolledig heeft beoordeeld.

17.1.  Dat de rechtbank deze gronden niet expliciet in haar uitspraak heeft beoordeeld, leidt er niet toe dat de uitspraak om die reden moet worden vernietigd. De in deze beroepsgronden bedoelde specifieke informatie heeft het college in het verweer in beroep besproken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] in zijn Wob-verzoek en toelichting niet specifiek is geweest en hij telkens na een uitgevoerde inventarisatie nieuwe informatie vraagt. Zoals de Afdeling hiervoor heeft geoordeeld mocht het college [appellant] aan de inkadering van het verzoek, zoals blijkt uit de twaalf punten in de brief van 9 januari 2018 en de brief van 15 januari 2018, houden en hoefde het college geen rekening te houden met nieuwe punten die later naar voren zijn gebracht en buiten deze inkadering vielen. Nu de in de beroepsgronden 21, 22 en 23 bedoelde documenten niet eerder waren opgebracht, heeft de rechtbank hier niet nog uitdrukkelijk op hoeven ingaan.

Het betoog faalt.

-        Proceskostenvergoeding

18.     Tot slot betoogt [appellant] dat de rechtbank te weinig proceskosten heeft toegekend. Voor twee proceshandelingen zijn ten onrechte geen punten toegekend. De rechtbank heeft nagelaten voor de op 15 augustus 2019 en voor de op 17 september 2019 op verzoek van de rechtbank ingediende uiteenzettingen een half procespunt toe te kennen. Voor beide proceshandelingen had in totaal één procespunt toegekend moeten worden. Voor het bijwonen van de zitting op 19 december 2019, is slechts een half procespunt toegekend. Voor deze zitting is dus een half punt minder toegekend dan voor de zitting op 28 mei 2019. De zitting is niet aangekondigd als nadere zitting, zodat de rechtbank een heel procespunt voor het bijwonen van de zitting had moeten toekennen. Het aantal toegekende procespunten is daarom anderhalve procespunt te laag, aldus [appellant].

18.1.  De Afdeling stelt vast dat de rechtbank heeft nagelaten voor de op 15 augustus 2019 en voor de op 17 september 2019 op verzoek van de rechtbank ingediende uiteenzettingen een half procespunt toe te kennen. Volgens de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht onder A wordt hiervoor 0,5 punt toegekend. Voor beide proceshandelingen had in totaal één procespunt toegekend moeten worden.

Het betoog slaagt in zoverre.

18.2.  Uit die bijlage volgt verder dat voor het verschijnen op een nadere zitting 0,5 procespunt wordt toegekend. De Afdeling stelt vast dat de zitting op 19 december 2019 een nadere zitting was als bedoeld in artikel 8:64 van de Awb. De rechtbank heeft hiervoor terecht 0,5 procespunt toegekend. Dat de zitting in de uitnodiging niet uitdrukkelijk is aangekondigd als een nadere zitting, doet hier niet aan af.

Het betoog faalt in zoverre.

19.     Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover aan [appellant] daarbij één procespunt te weinig is toegekend. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, voor het overige te worden bevestigd.

Beroep niet-tijdig beslissen

20.     [appellant] heeft bij brief van 20 juli 2020 een beroep niet tijdig beslissen ingediend omdat het college niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn van drie maanden opnieuw had beslist. De termijn liep af op 11 juni 2020. Wanneer een bestuursorgaan de door de rechtbank gestelde termijn overschrijdt, kan de belanghebbende na afloop van de beslistermijn een beroepschrift tegen het niet-tijdige beslissen indienen zonder dat de belanghebbende eerst het bestuursorgaan in gebreke moet stellen, aldus [appellant].

20.1.  Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat in een eerder stadium met [appellant] is overeengekomen de beslistermijn te verlengen tot uiterlijk 16 juli 2020. Het nieuwe besluit op bezwaar is volgens het college genomen op 14 juli 2020, maar kon door de Covid-19 maatregelen niet eerder worden verzonden.

20.2.  Ingevolge artikel 6:12, eerste en tweede lid, van de Awb, gelezen in onderlinge samenhang, kan een tegen het niet tijdig nemen van een besluit gericht beroepschrift worden ingediend, zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Ingevolge artikel 6:12, derde lid, van de Awb kan het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt.

20.3.  Wanneer de wettelijke termijn voor het nemen van een besluit is verstreken is, gelet op artikel 6:12, tweede en derde lid, van de Awb in beginsel een ingebrekestelling vereist in het geval dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit (voor de eerste maal) beroep wordt ingesteld bij de bestuursrechter. Ditzelfde geldt wanneer de bestuursrechter het bestuursorgaan heeft opgedragen een nieuw besluit te nemen maar geen termijn heeft bepaald waarbinnen dat besluit moet worden genomen.

Anders ligt dit wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet houdt. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:12 van de Awb volgt dat het vereiste van een ingebrekestelling gedeeltelijk moet worden gezien als compensatie voor het feit dat tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet eerst bezwaar behoeft te worden gemaakt, maar direct beroep op de bestuursrechter open staat. Op die manier vervult de ingebrekestelling in plaats van het bezwaar een signalerende rol voor het bestuursorgaan, die het bestuursorgaan in de gelegenheid stelt een eventueel verzuim te herstellen voordat een procedure bij de bestuursrechter wordt aangespannen. Indien een belanghebbende reeds eerder een procedure bij de bestuursrechter heeft aangespannen en de bestuursrechter daarbij een uitdrukkelijke termijn heeft gesteld voor het nemen van een (nieuw) besluit, heeft op die manier echter reeds een zekere attendering plaatsgevonden en kan het redelijkerwijs niet van de belanghebbende worden gevergd om het bestuursorgaan in gebreke te stellen.

20.4.  Omdat toen [appellant] beroep instelde op 20 juli 2020 vaststond dat het college in verzuim was om binnen de door de rechtbank in de aangevallen uitspraak bepaalde termijn, dan wel binnen de onderling overeengekomen verlenging van de termijn tot 16 juli 2020, een besluit te nemen, kon van [appellant] redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij, alvorens beroep in te stellen, het college in gebreke stelde. Nadien heeft het college alsnog een nieuw besluit op bezwaar genomen. Gelet hierop heeft [appellant] geen procesbelang meer en dient het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk te worden verklaard. Wel ziet de Afdeling gelet op het voorgaande aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten die verband houden met het niet tijdig nemen van een besluit, te weten één procespunt met een wegingsfactor van 0,5.

Besluit van 28 juli 2020

21.     Bij het besluit van 28 juli 2020 heeft het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] beslist. Het eerdere besluit op bezwaar is als uitgangspunt genomen en op een aantal punten is een aanvullende motivering gegeven. Er heeft een nieuwe zoekslag plaatsgevonden en er zijn stukken openbaar gemaakt, waarin stukken onleesbaar zijn gemaakt (1) met toepassing van de weigeringsgronden in de Wob, en (2) die niet vallen onder de reikwijdte van het Wob-verzoek.

Het college heeft een nieuwe zoekslag uitgevoerd en de volgende stukken openbaar gemaakt die zien op collegevergaderingen en informatie over overleggen tussen de wethouder economie en het bestuur van de BOV:

- Besluitenlijst met bestuurlijke afspraken d.d. 17 januari 2017;

- Advies 8614;

- Bijlagen behorende bij advies 8614 bestaande uit enkele brieven;

- Besluitenlijst met bestuurlijke afspraken d.d. 7 maart 2017;

- Advies 11523;

- Besluitenlijst met bestuurlijke afspraken d.d. 21 maart 2017;

- Advies 16844;

- Besluitenlijst met bestuurlijke afspraken d.d. 18 april 2017;

- Advies 18728 (het rapport behorende bij dit advies is reeds openbaar);

- Besluitenlijst met bestuurlijke afspraken d.d. 23 mei 2017;

- Advies 22709 (het rapport behorende bij dit advies is reeds openbaar);

- Besluitenlijst met bestuurlijke afspraken d.d. 31 oktober 2017

(de bijlage waarnaar verwezen wordt is niet aangetroffen/aanwezig);

- Agenda 31 mei 2017;

- Verslag 31 mei 2017;

- Agenda 26 juli 2017;

- Verslag 26 juli 2017;

- Agenda 23 augustus 2017;

- Verslag 23 augustus 2017;

- Agenda 12 september 2017;

- Verslag 12 september 2017;

- Agenda 25 oktober 2017;

- Notulen 25 oktober 2017;

- Agenda 6 december 2017;

- Verslag 6 december 2017.

Beroep tegen het besluit van 28 juli 2020

-        Interne verslagen collegevergaderingen 2017

22.     [appellant] betoogt dat het college heeft nagelaten te onderzoeken of er interne verslagen zijn van collegevergaderingen uit het jaar 2017 die kort op de inhoud van het besprokene over de Centrumvisie 2017 ingaan en die beperkt verspreid worden. Hiervoor had het college volgens [appellant] met behulp van trefwoorden in mailboxen van bestuurders en ambtenaren van het bestuurssecretariaat moeten zoeken. Met de interne verslagen worden de in het Reglement van orde vermelde korte verslagen van collegevergaderingen bedoeld en niet woordelijke verslagen, aldus [appellant].

22.1.  De rechtbank heeft geoordeeld dat gespreksverslagen van  collegevergaderingen uit 2017 over de Centrumvisie onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen en dat het college met de enkele stelling ter zitting dat er geen interne verslagen zijn, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er niet meer documenten zijn die onder het Wob-verzoek vallen. Het college diende volgens de rechtbank alsnog te onderzoeken of er interne verslagen aanwezig zijn.

22.2.  Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er niet met de door [appellant] bedoelde verslagen van collegevergaderingen wordt gewerkt. De gemeente is overgegaan op digitaal werken en daarbij worden geen reguliere verslagen van vergaderingen meer gemaakt. Er wordt alleen gewerkt met besluitenlijsten met bestuurlijke afspraken. Het reglement van orde uit 2011 moet op deze werkwijze nog worden aangepast. De door [appellant] gevraagde interne verslagen bestaan niet en kunnen daarom niet openbaar worden gemaakt, aldus het college. De Afdeling acht dit standpunt van het college niet ongeloofwaardig. Het is dan in beginsel aan [appellant] om het tegendeel aannemelijk te maken. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat toch interne verslagen onder het college zouden berusten.

Het betoog slaagt niet.

-        Besluitenlijsten

23.     Verder betoogt [appellant] dat het college niet zonder nadere motivering informatie uit de besluitenlijsten met bestuurlijke afspraken van 17 januari 2017, 7 maart 2017, 21 maart 2017, 18 april 2017, 23 mei 2017 en 31 oktober 2017 heeft mogen weglakken met als motivering dat dit niet onder de reikwijdte van het Wob-verzoek valt. Ook is niet aannemelijk dat de bijlage bij de besluitenlijst van 31 oktober 2017 niet is aangetroffen. Het college had in de back-upsystemen naar een memo moeten zoeken, aldus [appellant].

23.1.  De Afdeling heeft kennisgenomen van de geheime stukken en stelt vast dat het college terecht de delen uit de besluitenlijsten met als reden dat deze niet onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen heeft weggelakt. Deze weggelakte informatie ziet op andere bestuurlijke aangelegenheden.

Zoals het college heeft toegelicht, worden de besluitenlijsten opgeslagen in het documentmanagement-systeem dat de gemeente gebruikt. Dit is een registratiesysteem voor archiefwaardige documenten. De Afdeling acht het standpunt van het college dat de bijlage bij de besluitenlijst van 31 oktober 2017 niet in het systeem is aangetroffen niet ongeloofwaardig. [appellant] heeft gesteld dat het om een belangrijk memo gaat en dat het dus niet aannemelijk is dat dit document niet meer onder het college berust. Het college heeft voldoende overtuigend toegelicht dat het memo het eindrapport van een parkeeronderzoek d.d. 9 oktober 2017 geweest moet zijn dat reeds  bij [appellant] bekend is.

Dit betoog slaagt evenmin.

-        WhatsApp-berichten

24.     [appellant] betoogt dat het college het door de rechtbank opgedragen onderzoek niet correct heeft uitgevoerd. Aan een onbekend aantal ambtenaren en bestuurders is gevraagd of zij in hun mailboxen relevante WhatsApp-berichten hebben aangetroffen. Onderzoek naar relevante WhatsApp-berichten uit het jaar 2017 door ICT- of informatiespecialisten heeft niet plaatsgehad. Ook heeft het college ambtenaren en bestuurders niet gevraagd of zij WhatsApp-berichten uit het jaar 2017 gewist hebben en zo ja, wanneer dat is gebeurd, aldus [appellant].

24.1.  De rechtbank heeft overwogen dat de WhatsApp-berichten over de Centrumvisie van bestuurders en ambtenaren uit 2017 vallen binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek, voor zover deze zijn toegespitst op de Centrumvisie en de in de inkadering van het verzoek genoemde onderwerpen. De rechtbank was van oordeel dat het college onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen relevante WhatsApp-berichten zijn. De enkele stelling van het college dat onderzoek naar WhatsApp-berichten is gedaan en dat er niets is gevonden, is daarvoor onvoldoende. Niet is inzichtelijk gemaakt wat voor onderzoek is verricht. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college dit alsnog inzichtelijk dient te maken.

24.2.  In het besluit van 28 juli 2020 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat op 30 juni 2020 nogmaals concrete navraag is gedaan bij alle betrokken bestuurders en ambtenaren. Alle betrokkenen hebben verklaard dat geen correspondentie aanwezig is binnen een WhatsApp applicatie die valt binnen de reikwijdte van het verzoek. Volgens het college ligt dat ook in de rede, omdat WhatsApp-correspondentie over bestuurlijke aangelegenheden binnen de gemeente in 2017 nog slechts sporadisch plaatsvond. Het college heeft toegelicht dat aan de betrokken ambtenaren en bestuurders is gevraagd zowel hun zakelijke als privételefoons te bekijken. De Afdeling is van oordeel dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat voor onderzoek is verricht en acht het standpunt van het college dat de betrokkenen hierbij geen relevante WhatsApp-berichten hebben aangetroffen niet ongeloofwaardig. Het is dan aan [appellant] om het tegendeel aannemelijk te maken. Daarin is [appellant] niet geslaagd. De Afdeling acht het gelet op de door het college gegeven motivering aannemelijk dat over de Centrumvisie 2017 geen WhatsApp-correspondentie heeft plaatsgevonden tussen bestuurders en ambtenaren. Voor een onderzoek door ICT-of informatiespecialisten bestond geen aanleiding. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het college geen verdergaand onderzoek worden verlangd dan is uitgevoerd. Uit de aangevallen uitspraak volgt evenmin dat het college nader onderzoek had moeten laten uitvoeren naar eventuele gewiste WhatsApp-berichten.

Het betoog faalt.

-        Informatie over het overleg tussen de BOV en de wethouder (en/of ambtenaren)

25.     Voorts betoogt [appellant] dat het college ten onrechte alleen heeft gezocht naar agenda's en verslagen van de overleggen met de BOV, maar geen zoekslag heeft verricht naar documenten die aan deelnemers van het overleg, zoals de leden van de BOV, digitaal gestuurd zijn. Bovendien ontbreken agenda’s en verslagen van overleggen uit januari, februari, maart, april, juni en november 2017. [appellant] acht daarom de verrichte zoekslag onvolledig. Verder is ten onrechte een groot deel van de stukken gelakt omdat dit niet onder het Wob-verzoek valt. Dit terwijl de rechtbank heeft overwogen dat de informatie over overleggen met de BOV geheel onder het Wob-verzoek valt.

25.1.  De rechtbank heeft overwogen dat ook de eventuele bij het college aanwezige informatie over het overleg tussen de BOV en de wethouder (en/of ambtenaren) binnen de reikwijdte van het Wob-verzoek valt. De BOV is betrokken bij de uitvoering van de Centrumvisie. Het college heeft ter zitting weliswaar gesteld dat twee medewerkers hebben gezocht in lokale mappen en het systeem en de e-mail, en dat er niets is gevonden, maar de rechtbank is van oordeel dat hiermee onvoldoende inzichtelijk is gemaakt welke zoekslag heeft plaatsgevonden en onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er geen documenten over dit onderwerp zijn. Een dergelijke zoekslag dient alsnog door het college te worden uitgevoerd, aldus de rechtbank.

25.2.  Het college heeft zich in het besluit van 28 juli 2020 op het standpunt gesteld dat een aanvullende zoekslag is uitgevoerd naar aanwezige informatie over overleggen tussen de wethouder economie en het bestuur van de BOV. Hierbij is informatie aangetroffen die onder de reikwijdte van het verzoek valt. Het gaat om een aantal agenda’s en verslagen. Deze stukken zijn openbaargemaakt.

De Afdeling heeft kennisgenomen van de geheime stukken en stelt vast dat het college terecht de delen uit de agenda’s en verslagen met als reden dat deze niet onder de reikwijdte van het Wob-verzoek vallen heeft weggelakt. Deze wegelakte informatie ziet op andere bestuurlijke aangelegenheden. Dat door het college alleen is gezocht naar agenda’s en verslagen, volgt niet uit het besluit. Zoals het college ter zitting heeft toegelicht, zijn er niet veel stukken uit 2017, omdat niet voortvarend aan het project is gewerkt. In 2018 is daarom een taskforce ingesteld. Er is ook niet elke maand vergaderd. De Afdeling is van oordeel dat het college voldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat voor zoekslag is verricht en acht het standpunt van het college dat er niet meer documenten zijn dan de openbaargemaakte agenda’s en verslagen niet ongeloofwaardig. [appellant] heeft ook op dit punt het tegendeel niet aannemelijk gemaakt.

Het betoog slaagt evenmin.

-        E-mailberichten met bestanden van de werkgroep parkeren/bereikbaarheid

26.     Tot slot betoogt [appellant] dat het college aan ICT-medewerkers van de gemeente had moeten vragen hoe gewiste documenten over de werkgroep parkeren/bereikbaarheid op de server van de gemeente of anderszins teruggevonden kunnen worden. De ICT-afdeling heeft niet de mogelijkheid gekregen om aan het college een overzicht te verstrekken van de bedrijven in Nederland die gespecialiseerd zijn in het terugvinden van door medewerkers en bestuurders gewiste e-mails en documenten, aldus [appellant].

26.1.  De rechtbank heeft niet ongeloofwaardig geacht dat e-mailberichten met eventuele bestanden van de werkgroep parkeren/bereikbaarheid zijn gewist, zoals het college heeft gesteld. Het college heeft ter zitting echter medegedeeld dat de ICT-afdeling van de gemeente in het algemeen is bevraagd over de mogelijkheid om berichten terug te halen en dat niet expliciet voor deze onderwerpen is gevraagd of de berichten nog terug te halen zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college dit alsnog moet doen.

26.2.  In het besluit van 28 juli 2020 heeft het college gesteld dat de ICT-afdeling op 1 juli 2020 nogmaals is gevraagd of het mogelijk is om de verwijderde e-mailberichten van medewerkers en bestuurders terug te halen. Hieruit is naar voren gekomen dat e-mails worden opgeslagen binnen de Microsoft Office 365 (Cloud) omgeving. Er is geen specifieke aanvullende back-up om individueel verwijderde berichten of verwijderde mailboxen binnen die omgeving te herstellen. Wel is het mogelijk om bij een incident waarbij de gehele omgeving moet worden hersteld, deze als geheel te herstellen, dit wordt ook wel een disaster-recovery genoemd. Archiefwaardige e-mails worden opgeslagen in het documentmanagement-systeem van de gemeente. Voor dit systeem gelden specifieke procedures rondom bewaring en vernietiging van daarin opgeslagen documenten. De vraag of een e-mail documentwaardig is, wordt door de betrokken medewerker zelf bepaald. Het gaat hier om verwijderde e-mailberichten in de Microsoft 365 (Cloud) omgeving.

De rechtbank heeft overwogen dat de stelling van het college dat het over de e-mailberichten met eventuele bestanden van de werkgroep parkeren/bereikbaarheid niet meer beschikt niet ongeloofwaardig is. [appellant] heeft dit ook niet weersproken. Overeenkomstig de uitspraak van de rechtbank heeft het college de ICT-afdeling van de gemeente gevraagd of het mogelijk is om de bedoelde e-mailberichten terug te halen. De Afdeling twijfelt niet aan de toelichting van het college, dat uit navraag bij de ICT-afdeling van de gemeente is gebleken dat deze oude e-mailberichten niet kunnen worden hersteld. Voor zover e-mailberichten in strijd met de archiefregels niet zijn gearchiveerd, betekent dit niet dat de door het college gegeven toelichting ongeloofwaardig is. Voor een onderzoek door ICT- of informatiespecialisten bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de e-mailberichten met eventuele bestanden van de werkgroep parkeren/bereikbaarheid toch onder het college berusten.

Dit betoog faalt ook.

27.     Het beroep tegen het besluit van 28 juli 2020 is ongegrond.

Slotoverwegingen

28.     Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aan [appellant] daarbij één procespunt te weinig is toegekend. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, voor het overige te worden bevestigd. Het beroep van [appellant] tegen het niet tijdig nemen van een besluit dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daarbij dient het college wel te worden veroordeeld in de proceskosten die verband houden met het niet tijdig nemen van een besluit, te weten één procespunt met een wegingsfactor van 0,5. Het beroep tegen het besluit van 28 juli 2020 is ongegrond.

29.     Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 maart 2020 in zaak nr. 18/6377, voor zover daarbij aan [appellant] één procespunt te weinig is toegekend;

III.      bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, voor het overige;

IV.     verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;

V.      verklaart het beroep tegen het besluit van 28 juli 2020, kenmerk Z/18/064726 / DOC-20146118, ongegrond;

VI.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.869,00 (zegge: achttienhonderdnegenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Bodegraven-Reeuwijk aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 265,00 (zegge: tweehonderdvijfenzestig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2021

597.

 

BIJLAGE

 

Wob

Artikel 3      

1. Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

2. De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen.

3. De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen.

4. Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan de verzoeker zo spoedig mogelijk om zijn verzoek te preciseren en is het hem daarbij behulpzaam.

5. Een verzoek om informatie wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Artikel 7      

1. Het bestuursorgaan verstrekt de informatie met betrekking tot de documenten die de verlangde informatie bevatten door:

a. kopie ervan te geven of de letterlijke inhoud ervan in andere vorm te verstrekken,

b. kennisneming van de inhoud toe te staan,

c. een uittreksel of een samenvatting van de inhoud te geven, of

d. inlichtingen daaruit te verschaffen.

2. Het bestuursorgaan verstrekt de informatie in de door de verzoeker verzochte vorm, tenzij:

a. het verstrekken van de informatie in die vorm redelijkerwijs niet gevergd kan worden;

b. de informatie reeds in een andere, voor de verzoeker gemakkelijk toegankelijke vorm voor het publiek beschikbaar is.

Artikel 10

2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

(…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

(…).

Artikel 11    

1. In geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

2. Over persoonlijke beleidsopvattingen kan met het oog op een goede en democratische bestuursvoering informatie worden verstrekt in niet tot personen herleidbare vorm. Indien degene die deze opvattingen heeft geuit of zich erachter heeft gesteld, daarmee heeft ingestemd, kan de informatie in tot personen herleidbare vorm worden verstrekt.