Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:743

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
202001906/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 22 februari 2017 heeft het college van bestuur van de Universiteit Utrecht een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur deels toegewezen en deels afgewezen. In 2016 heeft [appellant] zijn [kat] ter beschikking gesteld voor een wetenschappelijk onderzoek naar stralingshygiënische aspecten van de behandeling van katten met een schildkliertumor met Jodium-131. Met dat onderzoek wilde de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht een landelijke richtlijn ontwikkelen voor stralingsveiligheid. Kort na het onderzoek is [kat] overleden. Volgens [appellant] zijn bij dat onderzoek fouten gemaakt en heeft dat geleid tot de dood van [kat]. Daarom heeft hij bij het college een Wob-verzoek ingediend en verzocht om openbaarmaking van gegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2021/60 met annotatie van S.E.A. Groeneveld, S.M. Schipper
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001906/1/A3.

Datum uitspraak: 7 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 februari 2020 in zaak nr. 19/1224 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van bestuur van de Universiteit Utrecht.

Procesverloop

Bij brief van 22 februari 2017 heeft het college een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob-verzoek) deels toegewezen en deels afgewezen.

Bij besluit van 10 juli 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij tussenuitspraak van 9 mei 2018 heeft de rechtbank, naar aanleiding van het door [appellant] daartegen ingestelde beroep, het college in de gelegenheid gesteld gebreken te herstellen.

Bij besluit van 26 juni 2018 heeft het college het door [appellant] tegen de brief van 22 februari 2017 gemaakte bezwaar deels gegrond, deels ongegrond verklaard en het besluit van 10 juli 2017 ingetrokken. Voor zover het bezwaar gegrond is verklaard, heeft het college documenten openbaar gemaakt. Voor zover het bezwaar ongegrond is verklaard heeft het college het in de brief van 22 februari 2017 ingenomen standpunt bevestigd.

Bij uitspraak van 10 december 2018 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 10 juli 2017 niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 26 juni 2018 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij besluit van 27 februari 2019 heeft het college het besluit van 26 juni 2018 ingetrokken en het door [appellant] tegen de brief van 22 februari 2017 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 27 februari 2019 gedeeltelijk vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte in stand blijven voor zover dat betrekking heeft op openbaarmaking van nevenfuncties, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel dat betrekking heeft op de weigering om ruwe onderzoeksdata openbaar te maken en bepaald dat het college binnen zes weken de ruwe onderzoeksdata openbaar moet maken met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2021, waar [appellant], door middel van een videoverbinding, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M.J. van de Pas, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       In 2016 heeft [appellant] zijn kat, Jouf, ter beschikking gesteld voor een wetenschappelijk onderzoek naar stralingshygiënische aspecten van de behandeling van katten met een schildkliertumor met Jodium-131. Met dat onderzoek wilde de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht een landelijke richtlijn ontwikkelen voor stralingsveiligheid. Kort na het onderzoek is Jouf overleden.

Volgens [appellant] zijn bij dat onderzoek fouten gemaakt en heeft dat geleid tot de dood van Jouf. Daarom heeft hij bij het college een Wob-verzoek ingediend en verzocht om openbaarmaking van de volgende gegevens:

- de stralingsgegevens van zijn kat Jouf;

- de stralingsgegevens van alle katten die vanaf 2016 bij het college zijn behandeld;

- de declaraties van de artsen [arts A] en [arts B] vanaf 2007;

- een lijst van de nevenfuncties van [arts A] en [arts B], onderscheiden naar bezoldigd en onbezoldigd.

1.1.    Bij brief van 22 februari 2017 heeft het college besloten de meetgegevens van het onderzoek, de zogeheten ruwe data, niet openbaar te maken. Verder heeft het college informatie verstrekt over katten die met radioactief jodium zijn behandeld. De nevenfuncties van [arts A] en [arts B] zijn te vinden op de website van de Universiteit Utrecht. Over de vraag of de functies onbezoldigd of bezoldigd zijn doet het college geen mededelingen. Met betrekking tot declaraties van [arts A] en [arts B] heeft het college [appellant] verzocht het verzoek te preciseren. Bij het besluit van 10 juli 2017 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

1.2.    Tegen dat besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De rechtbank heeft vervolgens in een tussenuitspraak van 9 mei 2018 geoordeeld dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het niet de ruwe data, declaraties van [arts A] en [arts B] en hun al dan niet bezoldigde of onbezoldigde nevenfuncties openbaar heeft gemaakt. Het college is vervolgens in de gelegenheid gesteld om deze door de rechtbank geconstateerde gebreken te herstellen. Het college heeft gevolg gegeven aan de opdracht van de rechtbank en heeft bij het besluit van 26 juni 2018 het besluit van 10 juli 2017 ingetrokken en het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard. Het college heeft alsnog een overzicht van stralingsgegevens van radioactiviteit bij het onderzoek naar de stralingshygiëne van een schildkliertumor bij katten met radioactief Jodium-131 openbaar gemaakt. Verder heeft het college voor de nevenfuncties van [arts A] en [arts B] verwezen naar de website van de Universiteit Utrecht. Daarbij heeft het aangegeven welke functies onbezoldigd zijn. [arts A] en [arts B] hebben geen declaraties ingediend bij het onderzoek naar de stralingshygiëne van een schildkliertumor bij katten met radioactief Jodium-131, aldus het college. [appellant] was het niet eens met dat besluit. De rechtbank heeft vervolgens in de uitspraak van 10 december 2018 geoordeeld dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft dat het openbaar gemaakte overzicht van stralingsgegevens van radioactiviteit de gevraagde ruwe geanonimiseerde data betreft. Ook heeft het college volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat er geen documenten van declaraties van [arts A] en [arts B] zijn. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het college onvoldoende gemotiveerd heeft dat er geen documenten zijn met betrekking tot bezoldigde of onbezoldigde nevenfuncties van [arts A] en [arts B]. De rechtbank heeft het beroep voor zover dat was gericht tegen het besluit van 10 juli 2017 niet-ontvankelijk verklaard, het beroep voor zover dat is gericht tegen het besluit van 26 juni 2018 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Het college is opgedragen om binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.

Besluitvorming

2.       In het besluit van 27 februari 2019 heeft het college zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:322, op het standpunt gesteld dat wetenschappelijke onderzoeksgegevens niet zijn aan te merken als een bestuurlijke aangelegenheid. De door [appellant] gevraagde gegevens heeft het college dan ook niet op grond van de Wob openbaar gemaakt. Het college heeft de gevraagde gegevens op persoonlijke titel aan [appellant] verstrekt. Het betreft een overzicht van de stralingsgegevens van radioactiviteit die zijn verzameld voor het onderzoek naar de stralingshygiëne bij de behandeling van een schildkliertumor bij katten met radioactief Jodium-131. Verder heeft het college gesteld dat [arts A] en [arts B] bij dat onderzoek geen zakelijke declaraties hebben ingediend en dat er dus geen documenten zijn aangetroffen. Daarbij heeft het college toegelicht dat het in verschillende administratieve systemen heeft gekeken, maar dat daarbij geen documenten zijn aangetroffen. Ook [arts A] en [arts B] hebben verklaard geen zakelijke declaraties te hebben ingediend. Tot slot heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de nevenfuncties van [arts A] en [arts B] op de website van de Universiteit Utrecht staan vermeld. De nevenfuncties met betrekking tot het diergeneeskundig onderzoek zijn onbezoldigd. Voor het overige is uit de administratieve systemen niet gebleken dat er documenten zijn aangetroffen over nevenfuncties van [arts A] en [arts B], aldus het college.

De aangevallen uitspraak

3.       De rechtbank heeft onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2018 overwogen dat onderzoeksgegevens die in het kader van de wetenschappelijke taak van de desbetreffende universiteit en die slechts met een wetenschappelijk oogmerk tot stand zijn gekomen geen bestuurlijke aangelegenheid zijn. De vraag of sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid is echter gelet op de uitspraak van de rechtbank van 10 december 2018 een gepasseerd station, omdat de rechtbank in die uitspraak heeft overwogen dat het door [appellant] gevraagde overzicht van de stralingsgegevens van radioactiviteit die zijn verzameld voor het onderzoek naar de stralingshygiëne bij de behandeling van een schildkliertumor bij katten met radioactief Jodium-131 een bestuurlijke aangelegenheid betreft. Daaruit volgt volgens de rechtbank dat het college de gegevens in beginsel moet verstrekken. Omdat het college een nieuwe grondslag heeft gehanteerd voor de afwijzing van het verzoek van [appellant], heeft het zich niet gehouden aan de door de rechtbank gegeven opdracht. Het college heeft in strijd met artikel 3 van de Wob de gevraagde gegevens niet openbaar gemaakt, aldus de rechtbank.

Verder heeft de rechtbank overwogen dat de stelling van het college dat het onderzoek heeft gedaan in de administratieve systemen en navraag heeft gedaan bij [arts A] en [arts B] en dat het niet over declaraties beschikt niet ongeloofwaardig is. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college wel over declaraties moet beschikken, aldus de rechtbank.

Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het niet ongeloofwaardig is dat het college onderzoek heeft gedaan in de administratieve personeelsgegevens over bezoldigde en onbezoldigde nevenfuncties. Dat geen documenten zijn aangetroffen, acht de rechtbank daarom evenmin ongeloofwaardig. De nevenfuncties waren ten tijde van het besluit van 27 februari 2019 echter niet openbaar en zijn pas na bekendmaking van dat besluit op de website van de Universiteit Utrecht gepubliceerd, aldus de rechtbank.

Vanwege het voorgaande heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het besluit van 27 februari 2019 vernietigd voor zover dat betrekking heeft op de weigering om ruwe onderzoeksdata openbaar te maken. Omdat het college tweemaal de gelegenheid heeft gehad om die gegevens openbaar te maken, heeft de rechtbank bepaald dat het college die gegevens binnen zes weken openbaar moet maken. Als het college dat niet doet, verbeurt het een dwangsom van € 250,- voor elke week waarmee de termijn van zes weken wordt overschreden, met een maximum van € 1.500,-. De uitspraak van de rechtbank treedt in zoverre in de plaats van het vernietigde deel dat betrekking heeft op de weigering om onderzoeksgegevens openbaar te maken. Verder heeft de rechtbank het besluit van 27 februari 2019 vernietigd voor zover het betrekking heeft op openbaarmaking van nevenfuncties. Omdat de pagina met nevenfuncties inmiddels weer is te raadplegen op de website van de Universiteit Utrecht, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van dat vernietigde deel in stand blijven. Dat betekent dat het college op dat punt geen actie hoeft te ondernemen.

Het hoger beroep

4.       [appellant] heeft op twee punten hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. In de eerste plaats heeft het hoger beroep betrekking op het oordeel van de rechtbank voor zover zij heeft geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 27 februari 2019 voor zover dat betrekking heeft op de openbaarmaking van nevenfuncties in stand blijven. In de tweede plaats heeft het hoger beroep betrekking op het oordeel van de rechtbank dat het niet ongeloofwaardig is dat het college niet over declaraties van [arts A] en [arts B] beschikt.

De nevenfuncties

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het deels vernietigde besluit van 27 februari 2019 in stand heeft gelaten voor zover dat betrekking heeft op openbaarmaking van nevenfuncties. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het niet ongeloofwaardig is dat de lijst met nevenfuncties van [arts A] en [arts B] die zijn vermeld op de website van de Universiteit Utrecht volledig is. Die pagina was tijdens de laatste beroepsprocedure niet te bereiken. Toen de pagina in juli 2018 nog wel te bereiken was, bleek dat deze pagina voor het laatst was bijgewerkt op 14 augustus 2014. Daarna en in de periode dat de pagina niet te bereiken was, moeten [arts A] en [arts B] ook nevenfuncties hebben gehad. Er is geen begin van bewijs dat er niet meer is. De rechtbank heeft bij haar oordeel miskend dat in de periode waarin de pagina met nevenfuncties ‘under review’ was die functies niet openbaar waren, aldus [appellant].

5.1.    Zoals uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt (bijvoorbeeld uit de uitspraak van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2617), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

5.2.    Het college heeft toegelicht dat de nevenfuncties van [arts A] en [arts B] op de website van de Universiteit Utrecht staan vermeld. Er zijn geen andere documenten in de administratieve systemen van het college gevonden. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de pagina met nevenfuncties vanwege een storing tijdelijk niet te bereiken was, maar dat die storing zo snel mogelijk is verholpen. Er is geen sprake van dat andere nevenfuncties door deze storing niet zichtbaar zijn geworden. Dat zou ook niet in overeenstemming met de publicatieplicht zijn, aldus het college. Deze mededeling komt de Afdeling niet ongeloofwaardig voor. De enkele stelling van [appellant] dat het niet geloofwaardig is dat de lijst met nevenfuncties op de website van de Universiteit Utrecht volledig is, is onvoldoende om aannemelijk te maken dat [arts A] en [arts B] meer nevenfuncties moeten hebben of moeten hebben gehad. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. De rechtbank heeft ook terecht geconstateerd dat de lijst met nevenfuncties niet openbaar was. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat het besluit van 27 februari 2019 in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt, maar gelet op de toelichting van het college de rechtsgevolgen van dat vernietigde deel in stand kunnen blijven.

Het betoog faalt.

De declaraties

6.       Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft verzuimd een beslissing te nemen over de declaraties van [arts A] en [arts B]. Dat is kwalijk, omdat hem op die manier de mogelijkheid wordt ontnomen dit punt in hoger beroep aan de orde te stellen, temeer omdat de rechtbank ten onrechte geen getuigen heeft gehoord. De rechtbank heeft ten aanzien van de declaraties ten onrechte overwogen dat het niet ongeloofwaardig is dat er niet meer declaraties van [arts A] en [arts B] zijn. Ter zitting heeft [appellant] erop gewezen dat er bijvoorbeeld reisdeclaraties moeten zijn, omdat [arts A] en [arts B] af en toe moesten reizen om overleggen bij te wonen. Het lijkt hem logisch dat [arts A] en [arts B] die reiskosten hebben gedeclareerd. Het standpunt van het college dat er niets is, is enkel gebaseerd op basale uitlatingen en niet op bijvoorbeeld een intern onderzoek of schriftelijke verklaringen. Er is geen enkel begin van bewijs dat er niet meer documenten zijn. De rechtbank had [arts A] en [arts B] daarom als getuigen onder ede moeten horen, aldus [appellant].

6.1.    Het college heeft toegelicht dat het onderzoek, inclusief navraag bij [arts A] en [arts B], geen documenten van declaraties heeft opgeleverd. Het college heeft ook geen aanwijzingen dat er, zoals [appellant] stelt, declaraties moeten zijn. Deze mededelingen komen de Afdeling niet ongeloofwaardig voor. Met het betoog van [appellant] dat het onwaarschijnlijk is dat [arts A] en [arts B] in de praktijk nooit een declaratie, bijvoorbeeld van reiskosten, hebben ingediend, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het college desondanks over declaraties van [arts A] en [arts B] beschikt. Om dat aannemelijk te maken, moet [appellant] met enig bewijsstuk komen. De stelling van [appellant] dat de rechtbank heeft verzuimd in het dictum van de uitspraak van 21 februari 2020 een oordeel over zijn beroep, voor zover dat betrekking heeft op de declaraties, op te nemen, klopt niet. Uit de overwegingen van de rechtbank blijkt duidelijk dat zij op dat punt niet meegaat met het betoog van [appellant]. De rechtbank hoefde dan ook niet een deel van het besluit van 27 februari 2019 te vernietigen zoals door [appellant] gesteld. Zoals uit het voorgaande blijkt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het niet ongeloofwaardig is dat het college niet over documenten van declaraties beschikt en bestond er voor de rechtbank dus geen aanleiding [arts A] en [arts B] als getuigen te horen.

Het betoog faalt.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevallen. Omdat niet is gebleken dat het college nog ontbrekende gegevens openbaar moet maken, is er geen grond het college een dwangsom op te leggen, zoals door [appellant] gevraagd.

8.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. F.D. van Heijningen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Klein

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2021

176-857.