Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:742

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
202002279/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:1481, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 november 2017 heeft de burgemeester van Alblasserdam onder aanzegging van bestuursdwang [appellant] gelast het bedrijfspand op het adres [locatie] te Alblasserdam te sluiten voor de duur van drie maanden. [appellant] was eigenaar van het bedrijfspand. Dit pand verhuurde hij sinds 1 januari 2017. Bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft [appellant] kennisgemaakt met de huurder om een beeld te krijgen van zijn betrouwbaarheid. De huurder stelde dat hij als zelfstandig ondernemer werkzaam was als schilder en glaszetter en dat hij het pand wilde gebruiken om spullen op te slaan. Op 2 oktober 2017 wilde [appellant] het pand binnentreden, om te controleren of de huurder het op de afgesproken manier gebruikte. Hij ontdekte toen dat de sloten waren vervangen. Op dat moment heeft hij direct de politie ingeschakeld. Dezelfde dag heeft de politie, in bijzijn van [appellant], een inval gedaan in het pand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/177
Jurisprudentie Grondzaken 2021/60
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002279/1/A3.

Datum uitspraak: 7 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Alblasserdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2020 in zaak nr. 18/2865 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Alblasserdam.

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2017 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang [appellant] gelast het bedrijfspand op het adres [locatie] te Alblasserdam (hierna: het bedrijfspand) te sluiten voor de duur van drie maanden.

Bij besluit van 17 april 2018 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 februari 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 januari 2021, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. D.C. Alblas, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] was eigenaar van het bedrijfspand. Dit pand verhuurde hij sinds 1 januari 2017. Bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft [appellant] kennisgemaakt met de huurder om een beeld te krijgen van zijn betrouwbaarheid. De huurder stelde dat hij als zelfstandig ondernemer werkzaam was als schilder en glaszetter en dat hij het pand wilde gebruiken om spullen op te slaan. Op 2 oktober 2017 wilde [appellant] het pand binnentreden, om te controleren of de huurder het op de afgesproken manier gebruikte. Hij ontdekte toen dat de sloten waren vervangen. Op dat moment heeft hij direct de politie ingeschakeld. Dezelfde dag heeft de politie, in bijzijn van [appellant], een inval gedaan in het pand. In de politierapportage ‘Hennepinformatiebericht’ van 11 oktober 2017 (hierna: de rapportage) staat dat bij deze inval in het pand een in werking zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen met twee kweekruimtes met 856 hennepplanten en 895 hennepstekken. Daarnaast staat in de rapportage dat de stroomvoorziening illegaal werd afgenomen en dat er een indicatie is dat er eerdere oogsten hebben plaatsgevonden.

Motivering besluiten van 20 november 2017 en 17 april 2018

2.       Naar aanleiding van deze inval heeft de burgemeester gelast het bedrijfspand voor drie maanden te sluiten. Bij dit besluit heeft de burgemeester toepassing gegeven aan zijn beleidsregels, neergelegd in het Drugs- en coffeeshopbeleid gemeente Alblasserdam (hierna: de beleidsregels). Volgens de burgemeester valt de vondst onder de categorie 'softdrugs in (bezit van eigenaar) lokaal' uit de handhavingsmatrix die onderdeel uitmaakt van de beleidsregels. Volgens de beleidsregels volgt bij een eerste constatering bij deze categorie een sluiting voor drie maanden, tenzij dit in het voorliggende geval niet redelijk is. In het geval van [appellant] is er geen reden om af te zien van sluiting voor drie maanden. Er zijn namelijk veel hennepplanten en stekken gevonden, er is illegaal stroom afgenomen waardoor er brandgevaar is geweest en er zijn indicaties dat er eerdere oogsten hebben plaatsgevonden.

Oordeel rechtbank

3.       De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester bevoegd was om op grond van artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet, een last onder bestuursdwang op te leggen, omdat in het pand een handelshoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen. Volgens de rechtbank is de opgelegde last niet in strijd met de beleidsregels. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregels gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Dat [appellant] voor het tekenen van het huurcontract kennis heeft gemaakt met de huurder om te controleren of hij betrouwbaar is, hij het pand meermalen heeft bezocht om het gebruik ervan te controleren en hij op 2 oktober 2017 zelf de politie heeft ingeschakeld toen hij ontdekte dat de sloten waren vervangen, is hiertoe onvoldoende. Dit neemt namelijk niet weg dat de hennepkwekerij is aangetroffen en dat de burgemeester er van uit heeft kunnen gaan dat er eerdere oogsten hebben plaatsgevonden. Als eigenaar van het pand is [appellant] hiervoor verantwoordelijk, ondanks de door hem getroffen maatregelen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester er van uit heeft kunnen gaan dat er eerdere oogsten hebben plaatsgevonden. Hij voert hiertoe aan dat hij in juni 2017 nog een controle heeft uitgevoerd en dat in de periode tussen deze controle en 2 oktober 2017 niet voldoende tijd zat om twee oogsten te kunnen uitvoeren.

4.1.    Het standpunt van de burgemeester, dat sprake is geweest van eerdere oogsten, is gebaseerd op een toelichting van de onderzoekende politiemedewerker. Deze politiemedewerker heeft verklaard dat de aard van de vervuiling van het filterdoek van de koolstoffiIters, de in het pand gevonden resten van hennepplanten en de op het zeil en aan de onderzijde van de potten aangetroffen afzetting, erop duidt dat er twee eerdere oogsten hebben plaatsgevonden. Ter zitting bij de Afdeling heeft de burgemeester verder toegelicht dat hennepteelt onder normale omstandigheden weliswaar een cyclus heeft van acht tot tien weken, maar dat de gevonden stekken er op duiden dat de telers een methode hebben gebruikt waarbij wordt gestart met stekken die al een aantal weken oud zijn.

Met deze toelichting, die [appellant] niet gemotiveerd heeft bestreden, heeft de burgemeester zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat er eerdere oogsten hebben plaatsgevonden.

Het betoog faalt.

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester had moeten volstaan met een waarschuwing. [appellant] heeft namelijk voor het aangaan van de huurovereenkomst uitvoerig onderzoek gedaan naar de betrouwbaarheid van zijn huurder, het pand regelmatig bezocht om het gebruik ervan te controleren en hij heeft zelf onmiddellijk de politie ingeschakeld toen de sloten waren vervangen. Volgens [appellant] komt zijn situatie overeen met de situatie die aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:794.

5.1.    Dit laatste betoog volgt de Afdeling niet. De uitspraak waar [appellant] naar verwijst, gaat over een persoon die ieder kwartaal een controle had uitgevoerd omdat dit werd geadviseerd in een folder die was uitgegeven door de gemeente waar hij woonde. De gemeente Alblasserdam heeft een dergelijke folder niet uitgegeven. Bovendien woog de Afdeling in die uitspraak mee dat de burgemeester van de betreffende gemeente in een vergelijkbaar geval had volstaan met een waarschuwing. Ook in zoverre wijkt de situatie van [appellant] af.

5.2.    In de beleidsregels staat dat in situaties waarbij er softdrugs wordt aangetroffen in een lokaal en de eigenaar hier geen schuld aan heeft, in afwijking van de handhavingsmatrix, eerst een waarschuwing wordt uitgevaardigd.

De burgemeester kan worden toegegeven dat [appellant] na de controle die hij eind juni 2017 heeft uitgevoerd, te lang, namelijk drie maanden en een aantal dagen, heeft gewacht met het uitvoeren van een nieuwe controle. Naar het oordeel van de Afdeling neemt deze overschrijding echter niet weg dat de burgemeester in dit geval de hiervoor weergegeven uitzondering uit de beleidsregel had moeten toepassen. Hierbij is ten eerste van belang dat [appellant] de huurder voor het aangaan van de huurovereenkomst heeft gecontroleerd. Hij heeft onder meer kopieën van zijn identiteitsbewijs gemaakt, een uittreksel uit de Kamer van Koophandel opgevraagd en persoonlijk kennis gemaakt met de huurder op het adres waar de huurder woonde. Al deze controles bevestigden dat de huurder als zelfstandig ondernemer werkzaam was als schilder en glaszetter. Verder vindt de Afdeling van belang dat de huur altijd per bank werd betaald, dat [appellant] na het aangaan van de huurovereenkomst regelmatig controles heeft uitgevoerd waarbij hij het hele pand controleerde, dat hij ook eind juni het hele pand heeft gecontroleerd en toen heeft vastgesteld dat er schilderspullen en rolsteigers werden opgeslagen en dat hij op 2 oktober 2017 direct de politie heeft ingeschakeld toen hij er achter kwam dat de sloten waren vervangen.

Het betoog slaagt.

6.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 17 april 2018 van de burgemeester alsnog gegrond verklaren, dat besluit vernietigen, het besluit van 20 november 2017 herroepen en bepalen dat aan [appellant] een waarschuwing wordt gegeven.

7.       [appellant] heeft verzocht om vergoeding van door hem als gevolg van het bestreden besluit geleden schade.

7.1.    Het verzoek van [appellant] is een verzoek als bedoeld in artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling zal in een afzonderlijke uitspraak over dit verzoek oordelen. Het onderzoek zal daartoe worden heropend onder nummer 202002279/2/A3. In die zaak zal uitsluitend het verzoek om schadevergoeding ter beoordeling staan.

8.       Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 februari 2020 in zaak nr. 18/2865;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van de burgemeester van Alblasserdam van 17 april 2018, kenmerk 1897204;

V.      herroept het besluit van de burgemeester van Alblasserdam van 20 november 2017, kenmerk 1897204;

VI.     bepaalt dat aan [appellant] een waarschuwing wordt gegeven;

VII.     bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII.    bepaalt dat het onderzoek wordt heropend onder nummer 202002279/2/A3 ter voorbereiding van een nadere uitspraak omtrent de gevorderde schadevergoeding;

IX.     gelast dat de burgemeester van Alblasserdam aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 435,00 (zegge: vierhonderdvijfendertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2021

753.