Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:734

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
202002129/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4441, heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 november 2018 gedeeltelijk vernietigd en voor het overige bevestigd en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gennep van 24 april 2019 gedeeltelijk vernietigd. De Afdeling heeft het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. [partij] exploiteert op het perceel een agrarisch bedrijf. [appellant] woont daarnaast en heeft het college in 2014 verzocht om handhavend op te treden tegen onder meer de verhardingen ten noordoosten van de machineberging, het kappen van bomen en het aantasten van houtwallen, het egaliseren van gronden en het leggen van betonplaten en het gebruik van het perceel voor opslag. De besluiten van het college komen erop neer dat de handhavingsverzoeken zijn afgewezen. De rechtbank heeft in de eerste procedure het besluit op bezwaar van 20 september 2016 vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/175
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8472
Jurisprudentie Grondzaken 2021/59
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002129/1/R4.

Datum uitspraak: 7 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Ottersum, gemeente Gennep,

en

het college van burgemeester en wethouders van Gennep,

verweerder.

Procesverloop

Bij uitspraak van 24 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4441, heeft de Afdeling - voor zover hier van belang - de uitspraak van de rechtbank Limburg van 28 november 2018 gedeeltelijk vernietigd en voor het overige bevestigd en het besluit van het college van 24 april 2019 gedeeltelijk vernietigd. De Afdeling heeft het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de rechtbankuitspraak en heeft met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 11 februari 2020 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 2 april 2015 op zijn verzoek om handhavend op te treden tegen diverse gestelde overtredingen op het perceel van [partij] aan de [locatie] te Ottersum.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 3 april 2020 heeft het college [partij] onder dwangsom gelast om de verharding ten noordoosten van de machineberging op het perceel te verwijderen en verwijderd te houden. Verder heeft het college geweigerd om handhavend op te treden tegen de opslag van voorwerpen, stoffen en materialen ten noordoosten van de machineberging.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 29 juni 2020 heeft het college het besluit van 3 april 2020 voor zover dat betrekking heeft op de verharding ten noordoosten van de machineberging ingetrokken.

[appellant] heeft hierover een zienswijze naar voren gebracht.

Het college, [appellant] en [partij] hebben schriftelijke uiteenzettingen gegeven.

[appellant] en [partij] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.J. ter Hoek, advocaat te Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door mr. P. Tummers, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [partij] exploiteert op het perceel een agrarisch bedrijf. [appellant] woont daarnaast en heeft het college in 2014 verzocht om handhavend op te treden tegen onder meer de verhardingen ten noordoosten van de machineberging, het kappen van bomen en het aantasten van houtwallen, het egaliseren van gronden en het leggen van betonplaten en het gebruik van het perceel voor opslag. De besluiten van het college komen erop neer dat de handhavingsverzoeken zijn afgewezen. De rechtbank heeft in de eerste procedure het besluit op bezwaar van 20 september 2016 vernietigd. Vervolgens heeft het college bij besluit van 24 april 2019 de afwijzing van de handhavingsverzoeken voor de tweede keer in stand gelaten.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 24 december 2019 overwogen dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de verharding ten noordoosten van de machineberging in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de door [appellant] gestelde kap van bomen, aantasting van houtwallen en egalisering van gronden. De Afdeling heeft het college opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

De besluiten van 11 februari 2020 en 3 april 2020

2.       In het besluit van 11 februari 2020 heeft het college meegedeeld dat niet handhavend kan worden opgetreden tegen de door [appellant] gestelde kap van bomen, aantasting van houtwallen en egalisering van gronden. Volgens het college blijkt uit vergelijking van een bomentelling uit 2013 met een telling uit 2018 dat het aantal bomen gelijk is gebleven. Verder is weliswaar aannemelijk dat de gronden waarop betonplaten liggen zijn geëgaliseerd, maar omdat dit ten tijde van het besluit op bezwaar van 20 september 2016 niet is vastgesteld door een toezichthouder, kan hiertegen niet achteraf handhavend worden opgetreden, aldus het college.

In het besluit staat verder dat de verharding bij de machineberging in strijd is met het bestemmingsplan omdat daarvoor een zogenoemde aanlegvergunning nodig is en deze niet is verleend. [partij] zal hierop worden aangeschreven. Bij het besluit is een aan [partij] verstuurd voornemen van 3 februari 2020 gevoegd.

3.       In het besluit van 3 april 2020 heeft het college [partij] onder dwangsom gelast om uiterlijk 1 juli 2020 de verharding ten noordoosten van de machineberging te verwijderen en verwijderd te houden.

Het college stelt zich in dit besluit verder op het standpunt dat het gebruik van de gronden ten noordoosten van de machineberging voor opslag niet in strijd is met het bestemmingsplan omdat de opslag plaatsvindt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering. Daartegen kan dus niet handhavend worden opgetreden, aldus het college.

Belanghebbendheid [appellant]

4.       Ter zitting heeft het college meegedeeld dat het maar de vraag is of [appellant] in zijn belang wordt geraakt door de gestelde overtredingen op het perceel. Voor zover het college daarmee bedoelt dat [appellant] geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb, en zijn bezwaar tegen de beslissing op zijn handhavingsverzoeken niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, overweegt de Afdeling als volgt.

In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen wordt belanghebbendheid bij besluiten krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in beginsel aangenomen bij bewoners van een perceel dat grenst aan het perceel waarover het betrokken besluit gaat. Verder wordt er bij dergelijke percelen van uitgegaan dat feitelijke gevolgen, indien die zich voordoen, in beginsel van enige betekenis zijn. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1671. Het perceel van [appellant] grenst aan het perceel van [partij]. Het is aannemelijk dat hij feitelijke gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten op dat perceel, zoals uitzicht op opgeslagen voorwerpen en de houtwal die volgens hem is aangetast en geluidhinder van het agrarisch verkeer op de geëgaliseerde en verharde gronden. Dit betekent dat [appellant] belanghebbende is bij de beslissing op zijn handhavingsverzoeken en de Afdeling het beroep inhoudelijk behandelt.

Besluit van 11 februari 2020 onvolledig?

5.       [appellant] betoogt dat het besluit van 11 februari 2020 in strijd is met artikel 7:11 van de Awb. Volgens hem kon het college niet volstaan met het versturen van een voornemen om handhavend op te treden, maar had het meteen een handhavingsbesluit moeten nemen over de verharding ten noordoosten van de machineberging.

5.1.    In artikel 7:11, tweede lid, van de Awb staat dat als het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, het bestuursorgaan dat besluit herroept en daarvoor een nieuw besluit in de plaats stelt, tenzij geen nieuw besluit nodig is. De besluitvorming in bezwaar moet dus worden afgerond in de beslissing op bezwaar.

In het besluit op bezwaar van 11 februari 2020 concludeert het college dat handhavend moet worden opgetreden tegen de verharding ten noordoosten van de machineberging. Dat betekent dat het besluit van 2 april 2015, waarbij dit handhavingsverzoek is afgewezen, niet in stand kan blijven. Hiervoor moet een nieuw besluit in de plaats worden gesteld. De mededeling van het voornemen om tot handhaving over te gaan, is geen besluit op het verzoek om handhaving en het college kon niet volstaan met het in het vooruitzicht stellen van het handhavingsbesluit. Het besluit van 11 februari 2020 is in zoverre in strijd met artikel 7:11, tweede lid, van de Awb. Bij het besluit van 3 april 2020 heeft het college [partij] alsnog gelast om de verharding te verwijderen. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat er een onverbrekelijke samenhang tussen de besluiten van 11 februari 2020 en 3 april 2020. Deze besluiten moeten daarom worden opgevat als samenstellende bestanddelen van het besluit op bezwaar. Op dit punt verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 29 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2843.

De conclusie is dat het betoog terecht is voorgedragen, maar dat dit niet leidt tot vernietiging van het besluit van 11 februari 2020.

Bomenkap en aantasting houtwallen

6.       [appellant] betoogt dat het college ten onrechte weigert om handhavend op te treden tegen het kappen van bomen en het aantasten van houtwallen. Hij voert aan dat op luchtfoto’s uit 2011, 2012 en 2013 is te zien dat een kaalslag op het perceel heeft plaatsgevonden. Verder blijkt uit foto’s dat delen van het perceel zijn afgegraven, geëgaliseerd en voorzien van betonplaten. Eerder stonden daar bomen, aldus [appellant].

[appellant] voert verder aan dat de onderzoeksystematiek van de bomentellingen uit 2013 enerzijds en die van 2018 anderzijds te veel van elkaar verschillen om te kunnen concluderen dat er geen bomen zijn gekapt. Bij de telling in 2013 is namelijk een onderscheid gemaakt tussen bomen die staan op de gronden met dubbelbestemming "Waarde - Houtopstanden en houtwallen" en de bomen op andere gronden, en is aangegeven welke bomen uitlopers hebben, hoeveel bomen deel uitmaken van de houtwal en of het gaat om nieuwe aanplant of volwassen bomen. De telling uit 2018 bevat niet zulke gedetailleerde informatie, zodat de resultaten daarvan niet met de telling uit 2013 kunnen worden vergeleken, aldus [appellant].

6.1.    De bomen en houtwallen waar het om gaat staan op gronden die volgens het ter plaatste geldende bestemmingsplan "Buitengebied Gennep" de dubbelbestemming "Waarde - Houtopstanden en houtwallen" of "Waarde - Ontwikkelingszone groen" hebben.

Ingevolge artikel 34.5.1, aanhef en onder d, en artikel 37.4.1, aanhef en onder d, van de planregels, is het verboden om op deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden uit te voeren: het verwijderen van diepwortelende beplantingen, het vellen en/of rooien van bos of andere houtgewassen of het verrichten van werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van houtgewas ten gevolge kunnen hebben, behoudens bij wijze van verzorging.

6.2.    Naar aanleiding van een handhavingsverzoek van [appellant] uit 2013 - dat in deze procedure niet ter beoordeling staat - heeft de toenmalige omgevingsdienst de bomen op het perceel geteld en het resultaat daarvan neergelegd in een rapport van 31 mei 2013. In het rapport is op een globale plattegrond schematisch aangegeven waar bomen staan. Volgens de plattegrond stonden er 31 volwassen bomen ten zuiden van de machineberging en zes volwassen bomen ten oosten daarvan. Verder zijn er recent drie rijen van elk negen jonge bomen aangeplant in de houtwal en stonden er daar ook negen volwassen bomen, aldus het rapport.

Het handhavingsverzoek waar het in deze procedure om gaat, dateert uit 2014 en gaat over de verdere verwijdering van bomen en houtwallen sinds het verzoek uit 2013.

Naar aanleiding van een nieuw handhavingsverzoek van [appellant] uit 2018 - dat in deze procedure niet ter beoordeling staat - heeft het college op 12 november 2018 een nieuwe bomentelling laten uitvoeren. Ook daarbij is op een globale plattegrond schematisch aangegeven waar bomen staan. Volgens de plattegrond staan er 31 zomereiken ten zuiden van de machineberging en zes ten oosten daarvan. Verder is de locatie van de houtwal aangegeven. Er is niet vermeld hoeveel bomen daar zijn geteld.

6.3.    De Afdeling overweegt over de bomen ten zuiden en oosten van de machineberging dat uit de globale locaties en onderlinge positionering van die bomen volgens de plattegronden kan worden afgeleid dat er tussen 2013 en 2018 geen bomen zijn gekapt. Dat de plattegrond van de telling uit 2013 gedetailleerdere informatie bevat doet hieraan niet af. Voor de vraag of er tussen 2013 en 2018 bomen zijn gekapt, is niet van belang welke bomen uitlopers hebben, welke bomen volwassen zijn of nieuw zijn aangeplant en binnen welke dubbelbestemming de bomen zich bevinden. Ook uit de door [appellant] overgelegde foto’s kan niet worden afgeleid dat er ten zuiden en oosten van de machineberging bomen zijn verwijderd. De luchtfoto’s over de periode 2011 tot en met 2013 zijn niet van belang omdat het handhavingsverzoek gaat over de kap van bomen en aantasting van houtwallen in 2014. De foto’s van de betonplaten zijn op zichzelf ook niet van belang omdat daaruit niet kan worden afgeleid dat er voorheen bomen op die gronden stonden.

De Afdeling is echter van oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gestelde kap van bomen bij de houtwal. Op de plattegrond uit 2018 is volstaan met de aanduiding van de locatie van de houtwal, zonder aan te geven waar bomen staan. Hierdoor kan niet worden beoordeeld of er sinds 2013 in of bij de houtwal bomen zijn gekapt of houtwallen zijn aangetast. Aan het besluit van 11 februari 2020 ligt in zoverre geen deugdelijk onderzoek ten grondslag, zodat dit besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog slaagt.

Egalisatie van gronden en plaatsen van betonplaten

7.       [appellant] betoogt dat het college ten onrechte weigert om handhavend op te treden tegen de egalisatie van gronden op het perceel, die daarna zijn verhard met betonplaten. Volgens hem heeft het college onvoldoende onderzoek hiernaar gedaan. Het college had aan de hand van de foto’s in het rapport van 31 mei 2013 en actueel vergelijkend onderzoek kunnen vaststellen dat de gronden in strijd met het bestemmingsplan zijn geëgaliseerd en verhard met betonplaten.

7.1.    Op de gronden waar het om gaat geldt de dubbelbestemming "Waarde - Houtopstanden en houtwallen". Vast staat dat ingevolge artikel 34.5.1, aanhef en onder a en b, van de planregels, voor het egaliseren van de bodem en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, zoals betonplaten, een aanlegvergunning is vereist en dat deze niet is verleend.

7.2.    Ter zitting heeft het college zijn beslissing om niet handhavend op te treden tegen de egaliseringen als volgt toegelicht. In het besluit op bezwaar van 11 februari 2020 is beoordeeld of er ten tijde van het besluit op bezwaar van 20 september 2016 sprake was van overtredingen. Omdat ten tijde van dit eerdere besluit hiernaar geen onderzoek is gedaan, kan volgens het college niet bij het huidige besluit op bezwaar alsnog handhavend worden opgetreden, ook al is volgens het college aannemelijk dat de gronden waarop de betonplaten liggen, zijn geëgaliseerd.

Voor het geval de Afdeling dit niet volgt, heeft het college meegedeeld dat in 2010 een vergunning is verleend voor het bouwen van een sleufsilo op het perceel. Volgens de bouwtekeningen worden daaromheen betonplaten aangebracht. Volgens het college zijn de betonplaten daarmee vergund en is het onredelijk om handhavend op te treden tegen de egaliseringen onder die betonplaten, zeker nu de betonplaten er al sinds 2010 liggen.

7.3.    De Afdeling stelt voorop dat [appellant] het college heeft verzocht om handhavend op te treden tegen de egaliseringen en de betonplaten. Voor beide activiteiten is een aanlegvergunning nodig. Uit de uitspraak van de rechtbank, in samenhang gelezen met de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019, volgt dat het college nader onderzoek moest doen naar beide gestelde overtredingen en daarover een nieuw besluit op bezwaar moest nemen. Het besluit van 11 februari 2020 gaat daarom ten onrechte alleen over de egaliseringen.

Verder heeft het college ten onrechte beoordeeld of ten tijde van het besluit op bezwaar van 20 september 2016 een overtreding kon worden geconstateerd, in plaats van ten tijde van het huidige besluit op bezwaar van 11 februari 2020. Heroverweging vindt plaats naar het recht dat geldt op het moment van het nemen van een besluit en met inachtneming van de feiten die zich dan voordoen. Ingevolge artikel 7:11 van de Awb vindt namelijk op grondslag van het bezwaar een heroverweging van het primaire besluit plaats, in dit geval van het besluit van 2 april 2015. De Afdeling wijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 2 november 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU5382. Dat er ten tijde van het besluit van 20 september 2016 geen overtreding is vastgesteld, betekent dus niet dat ten tijde van het nieuwe besluit op bezwaar van 11 februari 2020 moet worden afgezien van handhavend optreden.

7.4.    Pas ter zitting heeft het college gesteld dat voor de betonplaten een vergunning is verleend. Deze vergunning bevindt zich niet in de stukken en de enkele stelling dat de betonplaten zijn gelegaliseerd is onvoldoende om het college te volgen in zijn standpunt dat niet handhavend kan worden opgetreden. Ten eerste kan niet zonder meer worden aangenomen dat met een vergunning voor het bouwen van een bouwwerk gelijktijdig een aanlegvergunning is verleend voor het aanbrengen van betonplaten. Dit zijn namelijk twee afzonderlijke activiteiten waarvoor afzonderlijke toestemmingen nodig zijn. Ten tweede zijn de egaliseringen niet gelegaliseerd, zodat in zoverre hoe dan ook sprake is van een overtreding.

Voor zover het college zich op het standpunt stelt dat handhavend optreden onevenredig is omdat de egaliseringen en betonplaten al in 2010 zijn gerealiseerd, overweegt de Afdeling dat het tijdsverloop in dit geval geen bijzondere omstandigheid is in verband waarmee van handhavend optreden moet worden afgezien.

7.5.    De conclusie is dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de egaliseringen en betonplaten die volgens [appellant] in strijd zijn met het bestemmingsplan. Aan het besluit van 11 februari 2020 ligt in zoverre geen deugdelijk onderzoek ten grondslag, zodat dit besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog slaagt.

Opslag

8.       [appellant] betoogt dat het college ten onrechte weigert om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel voor opslag. Hij voert daarover ten eerste aan dat de opslag niet plaatsvindt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering en daarom in strijd is met het de enkelbestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke openheid". [appellant] verwijst daarvoor naar foto’s die hij op 15 mei 2020 heeft genomen waarop volgens hem te zien is dat de gronden ten noordoosten van de machineberging worden gebruikt voor buitenopslag van voorwerpen en als stortplaats voor in onbruik geraakt materiaal en snoeiafval. Ten tweede is de opslag volgens hem in strijd met de dubbelbestemmingen "Waarde - Houtopstanden en houtwallen" en "Waarde - Ontwikkelingszone groen" omdat zij dienen ter bescherming van de natuur- en landschapswaarden en de opslag daaraan afbreuk doet. Ten derde heeft het college alleen onderzoek gedaan naar de opslag ten noorden van de machineberging, terwijl ook de gronden ten oosten en zuiden daarvan worden gebruikt voor opslag en als stortplaats, aldus [appellant].

8.1.    Op de gronden waar het om gaat gelden de enkelbestemming "Agrarisch met waarden - Landschappelijke openheid" en de dubbelbestemmingen "Waarde - Houtopstanden en houtwallen" en "Waarde - Ontwikkelingszone groen".

Artikel 5.1 van de planregels luidt: "De voor 'Agrarisch met waarden - Landschappelijke openheid' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. de uitoefening van agrarische bedrijfsactiviteiten […]"

Artikel 5.4.1 luidt: "Tot een met het bestemmingsplan strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend: […]

h. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering […]"

Artikel 34.1 luidt: "De voor "Waarde - Houtopstanden en houtwallen" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming en/of het herstel van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden zoals deze tot uitdrukking komen in de vorm van schuil-/broedplaatsen of foerageergelegenheid voor fauna, huisvesting van beschermde flora, de ecologische verbindingsfunctie, typerende houtopstanden en de bodemkundige waarden."

Artikel 37.1 luidt: "De voor "Waarde - Ontwikkelingszone groen" aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, de bescherming, het herstel en de versterking en ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden, waaronder begrepen de ecologische verbindingsfunctie."

8.2.    De Afdeling stelt voorop dat gronden met dubbelbestemmingen volgens de planregels mede mogen worden gebruikt voor de andere daar voorkomende bestemmingen, zoals de enkelbestemming. Als sprake is van opslag in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering - wat is toegestaan volgens de enkelbestemming - is dat gebruik dus ook niet in strijd met de dubbelbestemmingen.

Volgens het college blijkt uit een controlerapport van een toezichthouder van 27 februari 2020 dat het perceel niet wordt gebruikt voor opslag buiten het kader van de normale bedrijfsvoering. De Afdeling stelt vast dat het controlerapport gaat over de vraag of er ten noordoosten van de machineberging verhardingen zijn aangebracht die in strijd zijn met het bestemmingsplan. Tijdens de controle is geen onderzoek gedaan naar de opslag. Wel is op de foto’s in het controlerapport te zien dat er diverse goederen zijn opgeslagen. Voor een deel zijn dat goederen die kunnen worden gebruikt in het kader van een normale agrarische bedrijfsvoering, zoals slangenhaspels, maar op de foto’s zijn ook stapels goederen te zien die - naar het zich laat aanzien - niet meer worden gebruikt, en waarvan dus de vraag is of sprake is van opslag in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering. In het controlerapport en tijdens de zitting is hierover geen duidelijkheid verschaft. Het college heeft daarom onvoldoende onderzoek gedaan naar de opslag op het perceel.

De Afdeling overweegt verder dat uit het controlerapport volgt dat uitsluitend de gronden ten noordoosten van de machineberging zijn onderzocht. Het handhavingsverzoek beperkte zich echter niet tot dit deel van het perceel, en volgens [appellant] worden ook de gronden ten oosten en zuiden van de machineberging gebruikt voor opslag in strijd met het bestemmingsplan. [appellant] betoogt daarom terecht dat het college geen onderzoek hiernaar heeft gedaan.

Concluderend ligt ook in zoverre geen deugdelijk onderzoek ten grondslag aan het besluit van 3 april 2020, zodat dit besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog slaagt.

Intrekking last onder dwangsom verharding ten noordoosten van de machineberging

9.       Bij het besluit van 29 juni 2020 heeft het college het besluit van 3 april 2020, voor zover dat gaat over de last onder dwangsom voor de verharding ten noordoosten van de machineberging, ingetrokken omdat inmiddels een omgevingsvergunning is verleend voor de verharding en de overtreding dus is beëindigd. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

10.     [appellant] betoogt dat het college de last onder dwangsom van 3 april 2020 niet had mogen intrekken. Hij heeft namelijk bezwaar gemaakt tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor de verharding. Naar aanleiding daarvan kan dat besluit worden herroepen en is geen sprake meer van een legale situatie. Volgens [appellant] was de intrekking daarom voorbarig.

10.1.  Bij besluit van 17 juni 2020 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het aanbrengen van de verharding ten noordoosten van de machineberging. Daarmee is de verharding gelegaliseerd en is de overtreding geëindigd. Dat de omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is, laat onverlet dat er ten tijde van het besluit van 29 juni 2020 geen overtreding meer bestond waartegen handhavend kon worden opgetreden. Het college was daarom bevoegd om de last onder dwangsom in te trekken.

Het betoog slaagt niet.

11.     Aangezien het besluit van 29 juni 2020 tot intrekking van de last onder dwangsom in stand blijft, behoeft wat [appellant] aanvoert over de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom geen bespreking.

Slotoverwegingen

12.     Het beroep tegen de besluiten van 11 februari 2020 en 3 april 2020 is gegrond. Deze besluiten dienen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd voor zover daarbij is beslist op het bezwaar van [appellant] tegen de afwijzing van zijn verzoek om handhavend op te treden tegen de kap van bomen en de aantasting van houtwallen, de egaliseringen van gronden en het plaatsen van betonplaten en het gebruik van het perceel voor opslag. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen.

Het beroep tegen het besluit van 29 juni 2020 is ongegrond.

13.     Het voorgaande betekent dat het college wederom een nieuw besluit moet nemen op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 2 april 2015. Gezien deze uitspraak, de uitspraak van 24 december 2019, en de rechtbankuitspraak, moet het college onderzoeken of ten tijde van het dat nieuw te nemen besluit sprake is van de volgende overtredingen en, zo ja, of daartegen handhavend kan worden opgetreden:

-        de kap van bomen en aantasting van houtwallen op de gronden met de dubbelbestemming "Waarde - Houtopstanden en houtwallen" en/of "Waarde - Ontwikkelingszone groen"

-        het egaliseren en van gronden en het verharden daarvan met betonplaten in strijd met het bestemmingsplan

-        het gebruik van het perceel voor opslag in strijd met het bestemmingsplan.

14.     Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om ook deze keer met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

15.     Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep tegen de besluiten van 11 februari 2020 en 3 april 2020 gegrond;

II.       vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gennep van 11 februari 2020, kenmerk 363417, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen de weigering om handhavend op te treden tegen de kap van bomen en de aantasting van houtwallen en het egaliseren van gronden en het plaatsen van betonplaten;

III.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Gennep van 3 april 2020, kenmerk 2020-0089, voor zover daarbij is beslist op het bezwaar tegen de weigering om handhavend op te treden tegen het gebruik van het perceel voor opslag;

IV.     verklaart het beroep tegen het besluit van 29 juni 2020 ongegrond;

V.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Gennep op om binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen;

VI.     bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Gennep tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.602,00 (zegge: zestienhonderdtwee euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Gennep aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2021

912.