Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:714

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
202005034/1/V6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 19 november 2018 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaald dat [appellant] op 1 mei 2019 moet beginnen met het terugbetalen van een lening voor het volgen van een inburgeringscursus. De schuld bedraagt € 9.983,96 en hij moet maandelijks € 83,20 betalen. Bij brief van 9 mei 2014 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is, dat zijn inburgeringstermijn op 28 maart 2014 is gestart en hij vóór 27 maart 2017 aan deze plicht moet hebben voldaan. De minister heeft de inburgeringstermijn ambtshalve verlengd tot en met 19 juni 2017. Bij besluit van 6 september 2017 heeft de minister [appellant] een boete opgelegd van € 1.000,00 en bepaald dat hij de lening die hij bij de Dienst Uitvoering Onderwijs heeft afgesloten moet terugbetalen, omdat hij niet op tijd is ingeburgerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005034/1/V6.
Datum uitspraak: 7 april 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 augustus 2020 in zaken nrs. 19/1111 en 19/4881 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Procesverloop

Bij brief van 19 november 2018 heeft de minister bepaald dat [appellant] op 1 mei 2019 moet beginnen met het terugbetalen van een lening voor het volgen van een inburgeringscursus. De schuld bedraagt € 9.983,96 en hij moet maandelijks € 83,20 betalen.

Bij besluit van 5 februari 2019 (hierna: besluit I) heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 5 februari 2019 heeft de minister het verzoek van [appellant] om verlenging van de inburgeringstermijn afgewezen.

Bij besluit van 25 juli 2019 (hierna: besluit II) heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 augustus 2020 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen het besluit I en besluit II ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2021, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. G. Tuenter, advocaat te Apeldoorn, en de minister, vertegenwoordigd door mr. B.C. Rots, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij brief van 9 mei 2014 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is, dat zijn inburgeringstermijn op 28 maart 2014 is gestart en hij vóór 27 maart 2017 aan deze plicht moet hebben voldaan. De minister heeft de inburgeringstermijn ambtshalve verlengd tot en met 19 juni 2017. Bij besluit van 6 september 2017 heeft de minister [appellant] een boete opgelegd van € 1.000,00 en bepaald dat hij de lening die hij bij de Dienst Uitvoering Onderwijs heeft afgesloten moet terugbetalen, omdat hij niet op tijd is ingeburgerd. Daarbij heeft de minister aangegeven dat [appellant] met het terugbetalen pas begint wanneer hij klaar is met inburgeren. Ook heeft de minister een nieuwe termijn gesteld tot en met 19 juni 2019. Bij besluit van 26 maart 2018 heeft de minister de boete gematigd tot € 250,00 naar aanleiding van het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar. In de brief van 19 november 2018 (hierna: de brief) heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij € 9.983,96 heeft geleend voor een cursus en/of examen, dat hij deze lening vanaf 1 mei 2019 gaat terugbetalen en dat over de periode 1 mei 2019 tot 1 mei 2029 maandelijks een bedrag van € 83,20 zal worden geïncasseerd. Bij brief van 25 juni 2018 heeft de minister de oorspronkelijke inburgeringstermijn die liep tot 19 juni 2017 ambtshalve verlengd tot 25 september 2017. De minister heeft bij besluit van 5 februari 2019 het verzoek van [appellant] om verdere verlenging van de inburgeringstermijn (hierna: het verzoek) afgewezen, omdat hij het verzoek niet binnen die termijn heeft ingediend.

Besluit I

2. De minister heeft het bezwaar van [appellant] tegen de brief niet-ontvankelijk verklaard, omdat de brief volgens de minister niet op rechtsgevolg is gericht. Hij heeft namelijk al in het besluit van 6 september 2017 bepaald dat [appellant] de lening moet terugbetalen. De brief verandert volgens de minister niets aan zijn rechten en plichten ten opzichte van dat besluit.

3. [ appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister in het besluit van 6 september 2017 heeft bepaald dat hij zijn schuld terug moet betalen en de brief, voor zover dit betrekking heeft op de terugbetalingsverplichting van de lening, niet op rechtsgevolg is gericht en daarmee geen besluit is. Hij voert aan dat de brief een besluit is waartegen bezwaar openstond, omdat hierin voor het eerst de hoogte en de terugbetaling van de lening aan de orde komen. Dit stond niet in het besluit van 6 september 2017, zodat voor [appellant] niet duidelijk was dat dit besluit een definitieve terugbetalingsverplichting omvatte. Verder heeft de minister in het besluit van 6 september 2017 niet beoordeeld of hij in aanmerking kwam voor ambtshalve kwijtschelding van zijn lening.

3.1. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de brief een besluit is waartegen bezwaar openstond slaagt, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2401. Uit deze uitspraak volgt dat de minister het bezwaar tegen de brief terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het betrekking heeft op de ambtshalve beoordeling of de schuld volledig moet worden kwijtgescholden, maar dat hij het ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard voor zover het betrekking heeft op de in de brief neergelegde terugbetalingsverplichting.

Besluit II

4. [ appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat een redelijke uitleg van artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit inburgering (hierna: het Bi) met zich brengt dat hij het verzoek niet meer kon indienen, omdat het besluit van 6 september 2017 al in rechte onaantastbaar was geworden. [appellant] voert aan dat hij het verzoek heeft ingediend toen nog bezwaar openstond tegen de brief. Volgens [appellant] volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 21 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3787, dat verlenging van de inburgeringstermijn na het verstrijken van die termijn en in de bezwaarfase nog mogelijk is. De minister had het verzoek volgens hem daarom inhoudelijk moeten beoordelen.

4.1. Artikel 2.12 van het Bi luidde ten tijde van de besluitvorming:

'1. Een aanvraag tot verlenging van de voor de inburgeringsplichtige geldende termijnen, bedoeld in de artikelen 7a, eerste lid, en 7b, eerste lid, van de wet, kan niet eerder worden ingediend dan zes maanden voor het verstrijken van die termijn. Onze Minister geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking.

[…]'

4.2. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, brengt een redelijke uitleg van artikel 2.12, eerste lid, van het Bi met zich dat een verzoek om verlenging van de inburgeringstermijn niet meer kan worden ingediend als het besluit waarin is bepaald dat de initiële inburgeringstermijn is verstreken, in rechte onaantastbaar is geworden. Tegen het besluit van 6 september 2017 heeft [appellant] bezwaar gemaakt, wat heeft geleid tot het besluit van 26 maart 2018 waarin de minister opnieuw heeft bepaald dat de initiële inburgeringstermijn is verstreken. Tegen dit besluit heeft [appellant] geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit op 7 mei 2018 in rechte onaantastbaar geworden. [appellant] had dus vóór 7 mei 2018 het verzoek moeten indienen, wat hij niet heeft gedaan. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de verwijzing naar de uitspaak van de Afdeling van 21 november 2018 niet leidt tot een ander oordeel, omdat in die zaak de betrokkene bezwaar had gemaakt tegen de opgelegde boete en de terugvordering van de lening voor de inburgeringscursus. Daarbij had de betrokkene gronden aangevoerd over het verlengen van de inburgeringstermijn. Anders dan in dit geval, was het besluit over het verstrijken van de initiële inburgeringstermijn dus nog niet in rechte onaantastbaar. Voor zover [appellant] betoogt dat er in zijn geval bijzondere omstandigheden bestaan waardoor de minister zijn verzoek inhoudelijk had moeten behandelen, geldt dat hij de omstandigheden waarop hij zich beroept had moeten aanvoeren tegen het besluit van 6 september 2017 of 26 maart 2018. De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat de minister het verzoek van [appellant] om verlenging van zijn inburgeringstermijn terecht heeft afgewezen.

Het betoog faalt.

Conclusie

5. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover het beroep tegen besluit I ongegrond is verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd. Doende wat de rechtbank had moeten doen, zal de Afdeling het beroep tegen besluit I gegrond verklaren en besluit I vernietigen. De minister moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 augustus 2020 in zaak nr. 19/1111, voor zover het beroep tegen het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 februari 2019, kenmerk I-NO061/004317160 ongegrond is verklaard;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 5 februari 2019, kenmerk I-NO061/004317160;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.136,00 (zegge: tweeduizend honderdzesendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Van Eck
lid van de enkelvoudige kamer

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 7 april 2021

164-899.