Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:701

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
14-04-2021
Zaaknummer
202003025/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juni 2019 (het besluit) heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003025/1/V1.

Datum uitspraak: 6 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 mei 2020 in zaak nr. NL19.16252 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2019 (het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 4 mei 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.N. van der Ham, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De vreemdeling is geboren in 1987 en heeft de Guinee-Bissause nationaliteit. Uit het verweerschrift van 26 februari 2020 en het aanvullend verweerschrift van 12 maart 2020 volgt dat de staatssecretaris geloofwaardig heeft geacht dat de vreemdeling in Guinee-Bissau bij terugkeer naar zijn dorp een reëel risico loopt op ernstige schade door het ontlopen van een huwelijk met de echtgenote van zijn overleden broer vanwege zijn homoseksuele geaardheid. Voor de problemen die hij vreest van de zijde van zijn vader en dorpsbewoners biedt de hoofdstad Bissau voor de vreemdeling een binnenlands vestigingsalternatief, aldus de staatssecretaris.

2.       Een vestigingsalternatief kan worden tegengeworpen als een vreemdeling in een deel van zijn land van herkomst geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico op ernstige schade loopt, hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en toegang kan verkrijgen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs van hem kan worden verwacht dat hij zich er vestigt (artikel 3.37d, eerste lid, van het VV 2000 en paragraaf C2/3.4 van de Vc 2000). Bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst aan die voorwaarden voldoet, moet rekening worden gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel, en de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling. Als de staatssecretaris aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden is voldaan, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet kan worden verlangd dat hij zich elders in het land vestigt (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 3 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1744, en 25 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1416).

3.       De rechtbank heeft het besluit vernietigd omdat de staatssecretaris daarin niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat wordt voldaan aan de vereisten die artikel 3.37d van het VV 2000 stelt aan het tegenwerpen van een binnenlands vestigingsalternatief. In het kader van het in stand laten van de rechtsgevolgen heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling er niet aan in de weg staan dat de hoofdstad Bissau een binnenlands vestigingsalternatief is. Volgens de rechtbank heeft de staatssecretaris uit het nader gehoor van de vreemdeling kunnen afleiden dat bij zijn vader en de Koranschool bekend was dat de vreemdeling homoseksueel is. Daaruit volgt dat de vreemdeling vijf jaar lang bij zijn vader en andere dorpsbewoners in het dorp heeft geleefd en als homoseksueel werd beschouwd, maar dat zij geen actie tegen de vreemdeling hebben ondernomen. Daarom heeft de staatssecretaris zich volgens de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat de vader en andere dorpsbewoners naar de vreemdeling op zoek zullen gaan als hij zich in de hoofdstad Bissau vestigt. Volgens de rechtbank is de staatssecretaris terecht voorbijgegaan aan de stelling van de vreemdeling dat zijn vader en andere dorpsbewoners vijf jaar lang geen hard bewijs hadden voor zijn homoseksuele geaardheid en daarom geen actie tegen hem hebben ondernomen, omdat die stelling onvoldoende is onderbouwd. Omdat niet aannemelijk is dat zijn vader en andere dorpsbewoners naar de vreemdeling op zoek zullen gaan, kan volgens de rechtbank onbesproken blijven of aannemelijk is dat zij in staat zullen zijn om de vreemdeling in de hoofdstad Bissau op te sporen.

4.       De vreemdeling klaagt in de tweede grief terecht dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. De vreemdeling betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat de vader en andere dorpsbewoners naar de vreemdeling op zoek zullen gaan als hij zich in de hoofdstad Bissau vestigt. Bij de beoordeling van de omstandigheid dat de vreemdeling vijf jaar in zijn dorp heeft verbleven terwijl zijn homoseksuele geaardheid bekend was en in die tijd geen actie tegen hem is ondernomen, kan niet buiten beschouwing blijven dat gedurende die vijf jaar het ontlopen van het huwelijk nog niet aan de orde was. Daarnaast is niet in geschil dat de vreemdeling in Bissau geen bescherming van de autoriteiten kan verwachten. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris, gelet op de onder 2 vermelde bewijslastverdeling, ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling er niet aan in de weg staan dat hij een vestigingsalternatief heeft in de hoofdstad Bissau. Omdat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat de vader en andere dorpsbewoners naar de vreemdeling op zoek zullen gaan en niet in geschil is dat de vreemdeling in Bissau geen bescherming van de autoriteiten kan verwachten, zal de staatssecretaris zich in een nieuw te nemen besluit ook nader gemotiveerd moeten uitlaten over de vraag of aannemelijk is dat de vader en andere dorpsgenoten in staat zullen zijn om de vreemdeling in de hoofdstad Bissau op te sporen. De grief slaagt.

5.       Wat de vreemdeling in de eerste en derde grief heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

6.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 juni 2019 in stand zijn gelaten. Dit betekent dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 4 mei 2020 in zaak nr. NL19.16252, voor zover de rechtsgevolgen van het besluit van 17 juni 2019 in stand zijn gelaten;

III.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 534,00 (zegge: vijfhonderdvierendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.J.C. de Moor van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 april 2021

826.