Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:694

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-04-2021
Datum publicatie
07-04-2021
Zaaknummer
202004417/1/R4 en 202004417/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Montferland aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het vervangen van een pluimveestal en het wijzigen van de bedrijfsvoering van de veehouderij op het perceel [locatie] in Didam. De omgevingsvergunning is verleend voor het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving. Vergund is het vervangen van stal 1, waar 8.000 legkippen werden gehouden, voor een nieuwe stal die wordt uitgevoerd met volièrehuisvesting, een strooiselschuif en een warmtewisselaar, waar 22.500 legkippen zullen worden gehouden. In deze stal wordt ook een langdurige mestopslag gerealiseerd voor 7.500 legkippen. [appellant] woont op ongeveer 200 m van de veehouderij en vreest voor geurhinder en negatieve gevolgen voor zijn gezondheid als gevolg van de vergunde wijzigingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/199
JOM 2021/199
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004417/1/R4 en 202004417/2/R4.

Datum uitspraak: 2 april 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Didam, gemeente Montferland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 2 juli 2020 in zaak nr. 19/1337 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Montferland.

Procesverloop

Bij besluit van 23 juli 2018 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning eerste fase verleend voor het vervangen van een pluimveestal en het wijzigen van de bedrijfsvoering van de veehouderij op het perceel [locatie] in Didam. Het gaat om een omgevingsvergunning beperkte milieutoets als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in samenhang met artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor).

Bij besluit van 28 januari 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 juli 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het college en [vergunninghouder] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 maart 2021, waar [appellant B], bijgestaan door [gemachtigde A], het college, vertegenwoordigd door J.B.T. Polman en A. Lohuis, en [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde B], zijn verschenen.

Overwegingen

1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.       [vergunninghouder] heeft op het perceel een veehouderij met pluimvee en een kleine hoeveelheid rundvee.

De bij het besluit van 23 juli 2018 verleende omgevingsvergunning is verleend voor het verrichten van een andere activiteit die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie activiteiten die van invloed kunnen zijn op de fysieke leefomgeving, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder i, van de Wabo. Vergund is het vervangen van stal 1, waar 8.000 legkippen werden gehouden, voor een nieuwe stal die wordt uitgevoerd met volièrehuisvesting, een strooiselschuif en een warmtewisselaar, waar 22.500 legkippen zullen worden gehouden. In deze stal wordt ook een langdurige mestopslag gerealiseerd voor 7.500 legkippen. Verder ziet de vergunning op het niet langer houden van 24 melk- en kalfkoeien, een toename van 13 naar 19 vleesstieren van circa 8 tot 24 maanden en het nieuw houden van 8 vleeskalveren tot circa 8 maanden.

2.1.    [appellant] woont op ongeveer 200 m van de veehouderij en vreest voor geurhinder en negatieve gevolgen voor zijn gezondheid als gevolg van de vergunde wijzigingen.

3.       [appellant] betoogt dat uit de verleende omgevingsvergunning niet duidelijk blijkt wat is aangevraagd en wat is vergund met betrekking tot de opslag en verwerking van mest. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er geen bewerking van mest is vergund, terwijl in het advies van de Omgevingsdienst Achterhoek van 17 juli 2018 staat vermeld dat "additionele technieken voor mestbewerking en mestopslag" zijn aangevraagd. Het is [appellant] niet duidelijk of deze additionele technieken zijn vergund. Het is hem verder niet duidelijk wat er gebeurt met de mest van het rundvee en hoe de emissies van deze mest zijn betrokken bij de verleende vergunning. Tot slot betoogt hij dat de tijdelijke opslagcontainer voor de mest van de overige 15.000 legkippen ten onrechte niet is betrokken in de verleende vergunning. Volgens hem is niet duidelijk waar deze container wordt geplaatst en zijn de emissies van geur, ammoniak en fijnstof van deze container ten onrechte niet beoordeeld.

3.1.    Overeenkomstig de aanvraag is vergunning verleend voor een langdurige mestopslag voor 7.500 legkippen in de nieuwe stal 1. Het gaat om een afgesloten mestopslagloods met Rav-code E 6.8, zoals vermeld in Bijlage 1 bij de Regeling ammoniak en veehouderij onder categorie E 6 'additionele technieken voor mestbewerking en mestopslag'. In het advies van de Omgevingsdienst Achterhoek van 17 juli 2018 staat bij de daarin vermelde "additionele technieken voor mestbewerking en mestopslag" ook de Rav-code E 6.8 vermeld. Die vermelding ziet dus op de afgesloten opslagloods voor de mest van 7.500 legkippen die is aangevraagd en is vergund. Er zijn daarnaast geen andere additionele technieken voor mestbewerking en mestopslag aangevraagd en vergund.

De mest van de overige 15.000 legkippen en van het rundvee wordt periodiek afgevoerd overeenkomstig de beschrijving van het stalsysteem waarin die dieren worden gehouden. In de voor die stalsystemen vastgestelde emissiefactoren voor geur, ammoniak en fijnstof is rekening gehouden met de emissies van deze mest. Op deze manier zijn de emissies van deze mest betrokken in de beoordeling van de emissies van geur, ammoniak en fijnstof vanuit de stallen, die het college heeft verricht aan de hand van de voor die stallen vastgestelde emissiefactoren.

De tijdelijke opslagcontainer voor de mest van de overige 15.000 legkippen wordt geplaatst in stal 1. Op de tekening bij de aanvraag is deze container aangeduid als 'transportcontainer' en is aangegeven waar deze container komt te staan achterin stal 1.

Gelet op het voorgaande is duidelijk welke vormen van mestopslag zijn aangevraagd en vergund en op welke wijze de emissies daarvan zijn betrokken in de beoordeling van de verleende vergunning. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen bewerking van mest is vergund.

Het betoog faalt.

4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid kon besluiten dat de toename van fijnstof en de gevolgen voor de volksgezondheid niet nopen tot het maken van een milieueffectrapport. Hij stelt in dit kader dat de rechtbank ten onrechte de conclusie van het rapport "Veehouderij en gezondheid omwonenden III, longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014 - 2016" van Nivel van 8 oktober 2018 (VGO III 2018) aanhaalt, dat de associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij niet statistisch significant is. Volgens hem betekent deze conclusie niet dat er niet toch een verhoogd risico is en zou juist daarom een milieueffectrapport moeten worden gemaakt om onderzoek te doen naar die risico's. Daarbij wijst hij erop dat de eerdere rapporten "Veehouderij en gezondheid omwonenden" van 5 juli 2016 (VGO I) en "Veehouderij en gezondheid omwonenden - aanvullende studies" van 16 juni 2017 (VGO II) van het RIVM stelliger waren over het verband tussen pluimveehouderijen en de kans op longziekten en dat in het rapport VGO III 2018 en in het rapport "Veehouderij en gezondheid omwonenden III, Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht" van november 2019 (VGO III 2019) is vermeld dat nader onderzoek nodig is.

Bovendien heeft het college volgens [appellant B] ten onrechte geen rekening gehouden met zijn persoonlijke gezondheidssituatie. Hij stelt dat hij lijdt aan Extrinsieke Allergische Alveolitis (EAA), een ontsteking van de longblaasjes als gevolg van een allergische reactie op bepaalde stoffen waaronder eiwitten afkomstig van vogels, en dat hij daardoor grotere gezondheidsrisico's loopt als gevolg van de toename van fijnstof van de pluimveehouderij, dat eiwitten van pluimvee bevat. Volgens hem volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1632, dat individuele gezondheidsrisico's mogen worden betrokken bij de beantwoording van de vraag of het maken van een milieueffectrapport nodig is.

4.1.    Een omgevingsvergunning beperkte milieutoets moet op grond van artikel 5.13b, eerste lid, van het Bor worden geweigerd als het bevoegd gezag op grond van artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft besloten dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Op grond van artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer neemt het bevoegd gezag een besluit over de vraag of voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

In dit geval heeft het college de omgevingsvergunning verleend en zich, onder verwijzing naar het advies van de Omgevingsdienst Achterhoek van 17 juli 2018, op het standpunt gesteld dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt omdat de aangevraagde wijziging van de veehouderij geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben.

4.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat in het rapport VGO III 2018 is geconcludeerd dat de associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij niet statistisch significant is en dat in het rapport VGO III 2019 staat dat de eerder, in 2009-2013, in Noord-Brabant en Limburg gevonden associatie tussen pluimveehouderijen en longontsteking niet wordt gezien in het nieuwe onderzoeksgebied, te weten Gelderland, Overijssel en Utrecht. In het rapport VGO III 2018 is daarbij opgemerkt dat monitoring van het voorkomen van longontsteking rondom pluimveehouderijen de komende jaren gewenst blijft en in het rapport VGO III 2019 staat dat vanwege de relatief hoge emissie van fijnstof, mogelijke gezondheidseffecten in regio's met veel pluimveehouderijen een punt van aandacht blijven in vervolgonderzoek. Dat de associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij niet volledig is uitgesloten en daarom beschouwd zal blijven in de vervolgonderzoeken, doet niet af aan de conclusie dat deze associatie sinds 2014 in geen van de onderzoeksgebieden is gevonden. Gelet op deze conclusie bestaat er op dit moment geen aanleiding voor het oordeel dat de wijziging van de veehouderij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben in de vorm van een verhoogd risico op longontsteking.

4.3.    De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat uit het aanvullend advies van de Omgevingsdienst Achterhoek van 4 januari 2019 volgt dat de fijnstofconcentratie ruim binnen de normen valt en dat de toename van fijnstof op de omliggende woningen gering is. In het advies staat dat in de aangevraagde situatie de hoogst berekende fijnstofconcentratie van PM10 bij de omliggende woningen 19,87 microgram/Nm3 bedraagt, waarbij de geldende grenswaarde 40 microgram/Nm3 is, en dat de bijdrage van de veehouderij op de omliggende woningen maximaal 1,87 microgram/Nm3 bedraagt. Gelet op deze geringe bijdrage en de ruime onderschrijding van de geldende grenswaarde bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat toename van de emissie van fijnstof belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, die nopen tot het maken van milieueffectrapport.

De omstandigheid dat [appellant B] als EAA-patiënt grotere gezondheidsrisico's loopt als gevolg van de toename van fijnstof van de pluimveehouderij, maakt het voorgaande niet anders. De enkele omstandigheid dat de geringe bijdrage van de veehouderij aan de fijnstofconcentratie mogelijk gezondheidsrisico's meebrengt voor hem als individu ter plaatse van zijn woning, is onvoldoende voor het oordeel dat deze geringe bijdrage belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben die nopen tot het maken van milieueffectrapport.

In haar uitspraak van 22 mei 2019, waar [appellant] naar verwijst, heeft de Afdeling het oordeel van de rechtbank in die zaak bevestigd. Dat oordeel hield in dat het college, door te volstaan met de constatering van de voor geur geldende grenswaarden niet worden overschreden, ondeugdelijk had gemotiveerd dat zich wat betreft het aspect geur geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen voordoen die nopen tot het maken van een milieueffectrapport. Daarbij stond vast dat de aangevraagde wijziging een aanzienlijke toename van de geuremissie zou veroorzaken. Anders dan [appellant] veronderstelt, volgt uit deze uitspraak niet dat het college in dit geval rekening had moeten houden met zijn persoonlijke gezondheidssituatie in die zin dat het college had moeten besluiten dat een milieueffectrapport moet worden gemaakt vanwege de gezondheidsrisico's die voor hem kunnen optreden als gevolg van de op zichzelf geringe bijdrage van de veehouderij aan de fijnstofconcentratie.

4.4.    Gelet op de voorgaande overwegingen 4.2 en 4.3 geeft het betoog van [appellant] geen aanleiding voor het oordeel dat de wijziging van de veehouderij, vanwege de daarmee gepaard gaande toename van fijnstof en de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid, belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben, die nopen tot het maken van een milieueffectrapport. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college in redelijkheid kon besluiten dat geen milieueffectrapport hoefde te worden gemaakt.

Het betoog faalt.

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, moet worden bevestigd.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Kors

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 april 2021

687.