Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:689

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
31-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
202004134/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht locaties voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers in de wijk West aangewezen. Het besluit van 6 januari 2020 voorziet onder meer in de aanwijzing van een locatie voor een ORAC nabij het perceel [locatie 1] te Utrecht. Deze locatie wordt in het besluit aangeduid als locatie 87. Het beroep is ingesteld door [appellant], [appellant B] en [appellant A]. [appellant] en [appellant B] wonen op het perceel [locatie 1], [appellant A] woont op het perceel [locatie 2]. Zij kunnen zich niet met de aanwijzing van deze locatie verenigen omdat zij vrezen dat door de komst van de ORAC hun woon- en leefklimaat en de verkeersveiligheid wordt aangetast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004134/1/R1.

Datum uitspraak: 31 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Utrecht,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college locaties voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC’s) in de wijk West aangewezen.

Bij besluit van 22 mei 2020 heeft het college de door [appellant] en anderen hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2021, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Alblas, zijn verschenen.

Na de zitting hebben [appellant] en anderen op verzoek van de Afdeling nadere informatie in de vorm van een filmopname in het geding gebracht. Het college heeft hierop gereageerd. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het besluit van 6 januari 2020 voorziet onder meer in de aanwijzing van een locatie voor een ORAC nabij het perceel [locatie 1] te Utrecht. Deze locatie wordt in het besluit aangeduid als locatie 87.

2.       Het beroep is ingesteld door [appellant], [appellant B] en [appellant A]. [appellant] en [appellant B] wonen op het perceel [locatie 1], [appellant A] woont op het perceel [locatie 2]. Zij kunnen zich niet met de aanwijzing van deze locatie verenigen omdat zij vrezen dat door de komst van de ORAC hun woon- en leefklimaat en de verkeersveiligheid wordt aangetast.

Beoordelingskader

3.       Artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010 bepaalt:

"Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt."

4.       Bij de aanwijzing van locaties voor de plaatsing van ORAC’s dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Daarbij heeft het college beleidsruimte. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een ORAC. Als dat zo is, beoordeelt de Afdeling of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

Procedure

5.       [appellant] en anderen betogen dat de besluitvormingsprocedure niet zorgvuldig is geweest. Het is onduidelijk welke richtlijnen het college hanteert en hoeveel gewicht er aan de verschillende richtlijnen toekomt, zo stellen zij. Hierdoor is volgens [appellant] en anderen sprake van willekeur.

5.1.    In verweer stelt het college dat het in het besluit van 22 mei 2020 de toepasselijke richtlijnen heeft vermeld. Deze staan ook vermeld op de website van de gemeente. Omdat de richtlijnen specifiek zijn opgesteld voor ORAC’s, zijn daarin niet alle ruimtelijke aspecten opgenomen. Bij het opstellen van een plaatsingsplan voor ORAC’s gelden de richtlijnen als "harde" uitgangspunten. De richtlijnen zijn opgenomen in de zogenoemde Atlas Straatmeubilair. De Atlas Straatmeubilair, inclusief de richtlijnen, maakt sinds januari 2020 onderdeel uit van het Handboek openbare ruimte. Het besluit van 6 januari 2020 is net daarvoor genomen. Voor het overige vormt het Handboek openbare ruimte een aanvulling op de richtlijnen. Het college betrekt het Handboek bij afwegingen over afstanden tussen ORAC’s en omliggende bomen of over de ruimte die op trottoirs beschikbaar moet blijven voor voetgangers. Bij twijfel, bijvoorbeeld wanneer geen locatie gevonden kan worden die aan alle richtlijnen voldoet, kan het Handboek handvatten bieden bij het opstellen van het plaatsingsplan. Het gaat in alle gevallen om een zorgvuldige afweging van alle relevante aspecten en omstandigheden. Van willekeur is derhalve geen sprake, zo stelt het college.

5.2.    Gelet op het beoordelingskader en gezien de overwegingen van de besluiten van 6 januari 2020 en 22 mei 2020 is de Afdeling van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat het alle betrokken belangen heeft afgewogen. De mate van gewicht die aan de verschillende richtlijnen toekomt, is locatie-afhankelijk en moet worden bezien in het licht van alle relevante aspecten en omstandigheden van de desbetreffende locatie. Op die aspecten en omstandigheden wordt in het vervolg van deze uitspraak ingegaan.

Het betoog faalt.

Gevolgen van het gebruik van ORAC’s in het algemeen

6.       [appellant] en anderen vrezen dat het gebruik van ORAC’s verkeershinder zal veroorzaken. Bovendien verwachten zij regelmatig meldingen te zullen moeten doen van zwerfvuiloverlast.

6.1.    In deze procedure gaat het om de aanwijzing van een locatie voor een ORAC. De keuze van het gemeentebestuur om voor de inzameling van restafval gebruik te maken van ORAC’s, ligt niet ter beoordeling voor.

Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een ORAC, toeneming van verkeer van en naar een ORAC en (verkeers)hinder die gepaard gaat met het legen van een ORAC. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van ORAC’s en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van ORAC’s maar van korte duur is. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2320. De Afdeling zal daarom enkel beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.

6.2.    In de door [appellant] en anderen in algemene zin geuite vrees voor verkeershinder als het gevolg van het legen van de ORAC’s en voor het ontstaan van zwerfvuiloverlast, heeft het college geen belemmering voor aanwijzing van locatie 87 hoeven zien. Daarbij betrekt de Afdeling dat het college wat betreft de vrees voor verkeershinder door de ophaalwagen heeft toegelicht dat het legen van de ORAC slechts één tot twee keer per week plaatsvindt en maximaal tien minuten duurt. Wat betreft de vrees voor zwerfvuiloverlast heeft het college toegelicht dat het niet kan garanderen dat geen afval naast de container wordt geplaatst, maar dat sensoren op de ORAC aangeven hoe vol de container is, zodat de ORAC’s tijdig kunnen worden geleegd. Daarnaast worden de ORAC’s dagelijks gecontroleerd. Staat er afval naast, dan wordt dat verwijderd. Als toch sprake is van zwerfvuil, dan kunnen bewoners daar melding van doen. Zo nodig wordt handhavend opgetreden. De Afdeling ziet geen grond om aan de juistheid van die verklaringen te twijfelen.

Het betoog faalt.

Geschiktheid van de locatie

7.       [appellant] en anderen betogen dat een ORAC op locatie 87 niet wenselijk is vanwege overbelasting van het trottoir en de vrees voor (verkeers)gevaarlijke situaties. De aangewezen locatie bevindt zich naast de ingang van een drukbezochte speeltuin en in de nabije omgeving van bomen. Vanwege de smalle straat dient de ophaalwagen een aantal keer te steken voordat de wagen de straat in kan rijden en blijft er weinig plaats over voor de "stempels" waarop de wagen steunt tijdens het legen van de ORAC’s. Omdat de aangewezen locatie zich bevindt naast de ingang van een speeltuin, leiden de verkeersbewegingen en het legen van de ORAC’s tot verkeersonveilige situaties voor kinderen die zich begeven van en naar de speeltuin, zo stellen [appellant] en anderen.

7.1.    Het college hanteert bij het aanwijzen van locaties voor ORAC’s een aantal richtlijnen:

- de ORAC is goed bereikbaar voor de inzameldienst;

- de ORAC past logisch in het inrichtingsplan;

- verkeer en voetgangers worden niet belemmerd;

- de ORAC is goed bereikbaar voor alle woningen;

- de afstand van de ORAC tot de erfgrens bedraagt minimaal 2 m;

- de afstand van de ORAC tot de gevel van een woning bedraagt minimaal 3 m; indien het een dichte muur betreft geldt 2 m;

- bij voorkeur wordt een ORAC niet geplaatst aan de zuidwestkant van tuinen waar een terras is aangelegd. In Nederland komt de wind vaak uit zuidwestelijke windrichting. Een container aan de zuidwestkant kan dan stankoverlast veroorzaken.

Daarnaast heeft het college aandacht voor onder meer de doorstroming van verkeer, het straatbeeld, kabels en leidingen, behoud van groen en bomen, het beperken en optimaliseren van loopafstanden (waarvoor de richtlijn van maximaal 125 m geldt) en bereikbaarheid voor mindervaliden. Per locatie worden alle aspecten tegen elkaar afgewogen.

7.2.    Het college stelt zich op het standpunt dat locatie 87 aan de richtlijnen voldoet. Uit proefritten is gebleken dat de inzamelauto veilig de locatie kan bereiken en op de locatie kan blijven staan om de ORAC te legen. Dat de ophaalwagen vanwege zijn lengte een aantal keer moet steken om de smalle bocht te kunnen maken, maakt op zichzelf niet dat de locatie ongeschikt is. Ter zitting heeft het college toegelicht dat dat bijvoorbeeld anders is wanneer de locatie zich bevindt aan het eind van een doodlopende straat, zodat de ophaalwagen over een langere afstand achteruit dient te rijden, wat het college een onwenselijke situatie vindt. Daarvan is hier geen sprake. Op de weg is voldoende ruimte om veilig de stempels voor stabiliteit te gebruiken waarop de inzamelauto steunt. Daarnaast is de wachttijd voor andere verkeersdeelnemers beperkt, voor zover die andere deelnemers niet kunnen passeren. De aanwezigheid van bomen vormt geen belemmering voor het legen van de ORAC’s, omdat zich geen takken binnen de hijszone van de ophaalwagen bevinden. Omdat ook de uitzwenkende zwaaiarm en het hijsen van de container door de geraadpleegde verkeersdeskundige veilig zijn bevonden, is van een onveilige situatie geen sprake, zo stelt het college.

7.3.    De Afdeling overweegt dat het college toereikend heeft gemotiveerd dat locatie 87 aan de richtlijnen voldoet. In de filmopname die [appellant] en anderen hebben gemaakt van de proefrit door de ophaalwagen en die zij na de zitting ter beschikking van de Afdeling hebben gesteld, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dat standpunt mocht stellen. Daarbij acht de Afdeling onder meer van belang dat de vrachtwagens zijn uitgerust met camera’s. Verder bevestigt de inhoud van de filmopname weliswaar dat het manoeuvreren met een ophaalwagen ter plaatse minder gemakkelijk is vanwege de geringe breedte van de bocht en de straten, maar niet dat dit dermate problematisch is dat gevreesd moet worden voor aantasting van de verkeersveiligheid. Daarnaast kan aan appellanten worden toegegeven dat de straten ter plaatse zodanig smal zijn dat tijdens het ledigen van de ORAC een auto de vrachtwagen niet zal kunnen passeren. Dat neemt niet weg dat de wachttijd voor weggebruikers die de vrachtwagen niet kunnen passeren tijdens het ledigen beperkt is en van een aantasting van de verkeersveiligheid ook in dat opzicht niet is gebleken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college gelet hierop in redelijkheid geen aanleiding hoeven vinden om locatie 87 ongeschikt te achten.

Het betoog faalt.

Alternatieve locaties

8.       [appellant] en anderen betogen dat er alternatieve locaties zijn, namelijk op de Billitonkade en locatie 94 bij de [locatie 3]. Als locatie 86 niet was verplaatst ten opzichte van het ontwerpplan, zouden locaties 94 en 86 tezamen binnen het desbetreffende verzorgingsgebied volstaan, zo stellen [appellant] en anderen.

8.1.    Volgens het college zijn de voorgestelde alternatieve locaties niet geschikt voor het plaatsen van een ORAC. Op de Billitonkade is volgens het college te weinig ruimte beschikbaar, vanwege de aanwezigheid van grote bomen en kabels en leidingen. Het voorstel om locatie 87 te laten vervallen, omdat de bewoners gebruik kunnen maken van locatie 94, leidt tot een te grote loopstand voor sommige bewoners. Volgens het college zou de oorspronkelijk aangewezen locatie 86 voor een aantal bewoners aan de Billitonkade een te grote loopafstand met zich brengen. Bovendien kon locatie 91 vervallen dankzij de verplaatsing van locatie 86. Dat leidt tot een betere verdeling van de ORAC’s over de wijk, zo stelt het college. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid één van de alternatieven geschikter had moeten achten dan de aangewezen locatie.

Het betoog faalt.

9.       Het beroep is ongegrond.

10.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 31 maart 2021

195-974.