Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:644

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
202006942/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 december 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/227
NJB 2021/999
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202006942/1/V3.

Datum uitspraak: 24 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 december 2020 in zaak nr. NL20.20700 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 1 december 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij uitspraak van 16 december 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Op verzoek van de Afdeling heeft de rechtbank schriftelijke inlichtingen gegeven.

De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.

Overwegingen

Inleiding

1.       In de uitspraak van 7 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:992, heeft de Afdeling overwogen dat de rechtbank tijdens de uitbraak van het coronavirus mag afzien van het houden van zittingen waarop bestuursrechtelijke uitspraken in het openbaar worden uitgesproken. De rechtbank heeft haar werkwijze vervolgens aangepast. In deze uitspraak toetst de Afdeling of de rechtbank de uitspraak met de aangepaste werkwijze op een adequate manier openbaar heeft gemaakt. Deze uitspraak heeft ook betekenis voor de andere zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag die uitspraken op een soortgelijke manier openbaar maken.

Grief over openbaarmaking van de uitspraak

2.       De vreemdeling klaagt in grief 1 onder meer dat de uitspraak van de rechtbank voor vernietiging in aanmerking komt omdat die niet in het openbaar is geschied (artikel 8:78 van de Awb). Onder de uitspraak van de rechtbank staat alleen dat die op de eerstvolgende maandag na de datum van bekendmaking openbaar wordt gemaakt. Gelet op de lockdown die op 15 december 2020 is ingegaan is volgens de vreemdeling onzeker of en op welke manier de rechtbank dat heeft gedaan.

Openbaarmaking van bestuursrechtelijke uitspraken tijdens de uitbraak van het coronavirus

3.       Na de uitbraak van het coronavirus in Nederland zijn de openbaarmakingszittingen bij de rechtbank opgeschort. In eerste instantie heeft de rechtbank aangekondigd die zittingen op een later moment in te halen zodat anderen dan partijen dan alsnog kennis kunnen nemen van de uitspraken die zijn gedaan gedurende de periode dat de toegang tot de gebouwen van de rechtbank beperkt was. Uitspraken werden nog steeds aan bij de procedure betrokken partijen bekend gemaakt door middel van verzending dan wel door plaatsing in Mijn Rechtspraak en verzending van een notificatiebericht van deze plaatsing. In de uitspraak van 7 april 2020 heeft de Afdeling overwogen dat met die werkwijze op een aanvaardbare manier recht werd gedaan aan de essentie van het beginsel van openbare rechtspraak gedurende die uitzonderlijke periode. Tegelijkertijd heeft de Afdeling benadrukt dat die werkwijze een tijdelijk karakter moest hebben. Een nadeel van die werkwijze was namelijk dat anderen dan partijen mogelijk pas veel later kennis konden nemen van uitspraken dan de bij de procedure betrokken partijen. Gelet op het tijdsverloop en de huidige maatregelen tegen het coronavirus, die het nog steeds onmogelijk maken om openbaarmakingszittingen te houden die voor een ieder toegankelijk zijn, heeft de rechtbank terecht gezocht naar een alternatieve werkwijze om belangstellenden tegemoet te komen.

Aangepaste werkwijze - het ter beschikking stellen van een proces-verbaal

3.1.    De rechtbank heeft die aangepaste werkwijze als volgt toegelicht in haar brief van 18 januari 2021. Vanaf 6 juli 2020 staat onder uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, dat de uitspraak op de eerstvolgende maandag na de datum van bekendmaking openbaar wordt gemaakt. Dat gebeurt als volgt. De griffie van de rechtbank houdt dagelijks een proces-verbaal bij van de uitspraken die op een dag zijn gedaan. Dit proces-verbaal bevat de zaaknummers, de namen van partijen, het dictum en de datum van de uitspraak. In asielzaken worden alleen de initialen van de vreemdelingen vermeld. Elke maandag levert de griffie het openbaarmakingsproces-verbaal ter ondertekening aan bij de teamvoorzitter. Dat bevat op dat moment dus een overzicht van de uitspraken die zijn gedaan van maandag tot en met vrijdag van de vorige week. Het openbaarmakingsproces-verbaal kan door een ieder kosteloos worden opgevraagd bij de griffie van de rechtbank. Wie na kennisneming daarvan een uitspraak wil ontvangen kan die opvragen. Er wordt dan een geanonimiseerd afschrift van de uitspraak verstrekt of de uitspraak wordt alsnog gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

3.2.    De aangepaste werkwijze van de rechtbank komt grotendeels overeen met een van de door de Afdeling in de uitspraak van 7 april 2020 beschreven alternatieven om belangstellenden tegemoet te komen (zie overweging 3.8). Verschil is dat het openbaarmakingsproces-verbaal van de rechtbank wekelijks wordt opgesteld in plaats van dagelijks en dat bij asielzaken alleen de initialen van de vreemdelingen worden vermeld in plaats van hun volledige naam. Dat maakt echter niet dat de rechtbank geen recht heeft gedaan aan de essentie van het beginsel van openbare rechtspraak tijdens de huidige uitzonderlijke periode waarin geen openbaar toegankelijke openbaarmakingszittingen kunnen plaatsvinden. Uitspraken worden immers nog steeds bekend gemaakt aan partijen en belangstellenden kunnen sneller dan voorheen kennisnemen van uitspraken van de bestuursrechter. Zij hoeven niet meer te wachten op het moment waarop de rechtbank de openbaarmakingszittingen kan gaan inhalen. In zoverre is sprake van een verbetering ten opzichte van de eerdere werkwijze van de rechtbank. Daarbij benadrukt de Afdeling wel dat, zolang digitale openbaarmaking niet mogelijk is en zodra de maatregelen tegen het coronavirus dat toelaten, het wenselijk is om weer dagelijkse openbaarmakingszittingen te organiseren die voor een ieder toegankelijk zijn. Met de aangepaste werkwijze is het namelijk nog steeds mogelijk dat belangstellenden pas later kennisnemen van uitspraken dan de bij de procedure betrokken partijen.

Dit deel van de grief faalt.

Overige grief

4.       De verder in grief 1 opgeworpen rechtsvraag over de ondertekening van de uitspraak van de rechtbank heeft de Afdeling bij uitspraak van 20 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4375, beantwoord. Die overwegingen zijn hier ook van toepassing. Hieruit vloeit voort dat ook dit deel van de grief faalt.

5.       Wat de vreemdeling in grief 2 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

Nadere stukken

6.       De vreemdeling heeft in zijn nadere stukken aanvullende grieven tegen de uitspraak van de rechtbank gericht. De Afdeling gaat daaraan voorbij omdat die stukken buiten de hogerberoepstermijn zijn ontvangen (artikel 85, derde lid, van de Vw 2000). Over het verzoek van de vreemdeling om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie over ambtshalve toetsing door de rechtbank in bewaringszaken merkt de Afdeling op dat die rechtsvraag al voorligt bij het Hof (zie de verwijzingsuitspraken van de Afdeling van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3034, en van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 26 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:466).

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

w.g. Verheij

voorzitter    

w.g. Van Meurs-Heuvel

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2021

873.