Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:623

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
201900107/3/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1601, (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad van de gemeente Delfzijl opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak het daar omschreven gebrek in het besluit van de raad van 1 november 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Spijk - Oostpolderweg 11-13" te herstellen. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 11.4 overwogen dat de raad het bestemmingsplan "Spijk - Oostpolderweg 11-13", voor zover het betreft de voorziene bed & breakfast van 25 m² op het perceel met kadastraal perceelnummer sectie H nr. 35 (hierna: het tussengelegen perceel), niet kenbaar heeft getoetst aan hetgeen in titel 2.3 van de Omgevingsverordening is bepaald over zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Gelet hierop heeft de raad het plan in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet deugdelijk gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900107/3/R3.

Datum uitspraak: 24 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Spijk, gemeente Delfzijl,

en

de raad van de gemeente Delfzijl,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1601, (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak het daar omschreven gebrek in het besluit van de raad van 1 november 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Spijk - Oostpolderweg 11-13" te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 29 oktober 2020 (hierna: het herstelbesluit) heeft de raad het besluit van 1 november 2018 gewijzigd.

[appellant] heeft zijn zienswijze daarop gegeven.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 1 november 2018 en de tussenuitspraak

1.       In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 11.4 overwogen dat de raad het bestemmingsplan "Spijk - Oostpolderweg 11-13", voor zover het betreft de voorziene bed & breakfast van 25 m² op het perceel met kadastraal perceelnummer sectie H nr. 35 (hierna: het tussengelegen perceel), niet kenbaar heeft getoetst aan hetgeen in titel 2.3 van de Omgevingsverordening is bepaald over zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik. Gelet hierop heeft de raad het plan in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet deugdelijk gemotiveerd.

2.       Het beroep van [appellant] tegen het besluit van 1 november 2018 is gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft de ter plaatse van het tussengelegen perceel op de verbeelding opgenomen functieaanduiding "bed & breakfast" en de in dit verband in het plan opgenomen planregels, te weten artikel 4.1, aanhef en onder c, en artikel 4.2.2 van de planregels.

3.       In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om alsnog draagkrachtig te motiveren dat het plan, wat de voorziene bed & breakfast en de in dit verband in het plan opgenomen planregels betreft, in overeenstemming is met de bepalingen over zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik in de Omgevingsverordening, en zo nodig een ander besluit te nemen.

Het herstelbesluit en de nadere motivering van de raad

4.       Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het bestemmingsplan "Spijk - Oostpolderweg 11-13" met het herstelbesluit opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

5.       Bij het herstelbesluit heeft de raad aan een deel van de gronden van het tussengelegen perceel die op de verbeelding zijn voorzien van de functieaanduiding "bed & breakfast", de functieaanduiding "zorgboerderij" toegekend. Artikel 4.1, aanhef en onder c, en artikel 4.2.2 van de planregels zijn ongewijzigd in het herstelbesluit opgenomen. De raad heeft de plantoelichting aangepast en gemotiveerd dat het plan voldoet aan het bepaalde in artikel 2.13.1 en artikel 2.13.5 van de Omgevingsverordening.

6.       De Afdeling zal hierna, aan de hand van de door [appellant] naar voren gebrachte zienswijze, beoordelen of de raad met het gewijzigd vaststellen van het plan en de nadere motivering heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.

7.       De van belang zijnde regelgeving is opgenomen in de aangehechte bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Zienswijze

8.       [appellant] betoogt dat de raad niet toereikend heeft gemotiveerd dat de bed & breakfast waarin het plan op het tussengelegen perceel voorziet voldoet aan artikel 2.13.5 van de Omgevingsverordening, omdat niet wordt toegelicht hoe de raad rekening heeft gehouden met de voorwaarden in het eerste lid, onder b, van dit artikel.

8.1.    De raad heeft in het herstelbesluit de in het plan voorziene bed & breakfast getoetst aan de artikelen 2.13.1 en 2.13.5 van de Omgevingsverordening. De raad heeft geconcludeerd dat de in het plan voorziene bed & breakfast niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt beschouwd als bedoeld in artikel 2.13.1 van de Omgevingsverordening. De reden hiervoor is dat de uitbreiding van bebouwing ten behoeve van de bed & breakfast met een omvang van 25 m² is toegestaan op grond van artikel 2.13.5, eerste lid, onder a, van de Omgevingsverordening.

9.       Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad toereikend gemotiveerd dat de in het plan voorziene bed & breakfast zich verdraagt met de artikelen 2.13.1 en 2.13.5 van de Omgevingsverordening. Hiervoor overweegt de Afdeling het volgende.

Bij de toetsing aan de genoemde artikelen in de Omgevingsverordening, is de raad ervan uitgegaan dat het bouwperceel de percelen Oostpolderweg 11, Oostpolderweg 13 en het tussengelegen perceel omvat en dat de vergunde bebouwing die op dit bouwperceel aanwezig was ten tijde van de vaststelling van het plan, ongeveer 230 m² bedroeg. Dit betekent dat op grond van artikel 2.13.1, gelezen in samenhang met 2.13.5, eerste lid, onder a, van de Omgevingsverordening een uitbreiding van 46 m² was toegestaan, zodat de gewenste bebouwing van 25 m² ten behoeve van een bed & breakfast in zoverre kon worden gerealiseerd. In wat [appellant] heeft aangevoerd in zijn zienswijze, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de hiervoor vermelde uitgangspunten en conclusie van de raad. Daarvan uitgaande, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat artikel 2.13.5, eerste lid, onder a, van de Omgevingsverordening niet in de weg staat aan de uitbreiding van bebouwing met een omvang van 25 m² ten behoeve van de bed & breakfast.

De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het herstelbesluit voorziet in de uitbreiding van een bouwperceel zoals bedoeld in artikel 2.13.5, eerste lid, onder b, van de Omgevingsverordening. Daarom hoeft de raad niet toe te lichten hoe rekening wordt gehouden met de daarin genoemde voorwaarden. Daarbij acht de Afdeling van belang dat in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied Noord" op de gronden van de percelen Oostpolderweg 11, Oostpolderweg 13 en het tussengelegen perceel, al zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing was toegestaan ten behoeve van de ter plaatse geldende bestemming "Recreatie - Recreatiewoning" en dat het herstelbesluit niet voorziet in een vergroting van de bestemmingsvlakken waarbinnen die percelen zijn gelegen.

9.1.    Met de in het herstelbesluit gegeven nadere motivering heeft de raad het oorspronkelijke gebrek in het plan voldoende hersteld. [appellant] heeft nog gesteld dat de raad de voorziene bed & breakfast ten onrechte niet heeft aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de Omgevingsverordening, terwijl in de tussenuitspraak is overwogen dat daarvan sprake is. De raad is er daarbij naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte van uitgegaan dat in een geval waarin aan de voorwaarden van artikel 2.13.5 van de Omgevingsverordening is voldaan, geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Afdeling wijst erop dat artikel 2.13.5 onder bepaalde voorwaarden een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt in afwijking van artikel 2.13.1 van de Omgevingsverordening. Als aan die voorwaarden is voldaan, gaat het nog steeds om een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De door de raad gehanteerde onjuiste formulering heeft echter niet geleid tot een inhoudelijk onjuiste toepassing van artikel 2.13.5 van de Omgevingsverordening. Daarom ziet de Afdeling in de stelling van [appellant] geen grond voor de conclusie dat de raad met de nadere motivering niet heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.

Het betoog slaagt niet.

10.     In de zienswijze van [appellant] zijn aspecten genoemd van het plan die geen onderwerp vormen van de opdracht die de Afdeling aan de raad heeft gegeven en de wijze waarop de raad daaraan uitvoering heeft gegeven. Het betreft hier het aantal personen dat in het plangebied kan verblijven en de aspecten geluid, privacy en verkeer. Daarover heeft de Afdeling in de tussenuitspraak reeds eindbeslissingen gegeven. Daarom worden deze aspecten hier verder niet inhoudelijk meer besproken.

11.     Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] tegen het herstelbesluit is ongegrond.

Proceskosten

12.     De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Delfzijl van 1 november 2018, waarbij het bestemmingsplan "Spijk - Oostpolderweg 11-13" is vastgesteld, gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Delfzijl van 1 november 2018, waarbij het bestemmingsplan

"Spijk - Oostpolderweg 11-13" is vastgesteld, voor zover het betreft:

- de op de verbeelding ter plaatse van het perceel met kadastraal perceelnummer sectie H nr. 35 opgenomen functieaanduiding "bed & breakfast";

- artikel 4.1, aanhef en onder c, van de planregels;

- artikel 4.2.2 van de planregels;

III.      verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Delfzijl van 29 oktober 2020, waarbij het bestemmingsplan "Spijk - Oostpolderweg 11-13" opnieuw en gewijzigd is vastgesteld, ongegrond;

IV.     veroordeelt de raad van de gemeente Delfzijl tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B]in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.335,00 (zegge: dertienhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.      gelast dat de raad van de gemeente Delfzijl aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2021

159-933.

 

BIJLAGE

 

Artikelen Omgevingsverordening

Artikel 2.11 Begripsbepalingen

In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

d. bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels van een bestemmingsplan of van een beheersverordening zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan;

[…]

o nieuwe stedelijke ontwikkeling: een ten opzichte van het voorheen geldende bestemmingsplan nieuw planologisch beslag op de ruimte door middel van uitbreiding van bouwmogelijkheden of wijziging van gebruiksmogelijkheden van substantiële aard en omvang ten behoeve van:

1. niet-agrarische bedrijven, woningen, kantoren;

2. voorzieningen voor de uitoefening van detailhandel, zaalsport en vrijetijdsbesteding, dienstverlening, horeca;

3. instellingen voor onderwijs, zorg, cultuur, of bestuur;

4. andere stedelijke voorzieningen;.

[…]

Artikel 2.13.1 Nieuwvestiging of uitbreiding van niet-functioneel aan het buitengebied gebonden functies

1.Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied bevat geen bestemmingen die voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

[…]

Artikel 2.13.5 Uitbreiding van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied, die niet zijn gevestigd in voormalige agrarische bedrijfsbebouwing

1 In afwijking van artikel 2.13.1, eerste lid, kan een bestemmingsplan voorzien in de mogelijkheid tot:

a. uitbreiding van bebouwing van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied tot een percentage dat niet meer mag bedragen dan 20% van de totale oppervlakte van de op het bouwperceel aanwezige bebouwing; en

b. uitbreiding van het bouwperceel tot een percentage dat niet meer mag bedragen dan 20% van de oppervlakte van het bouwperceel; , waarbij rekening wordt gehouden met:

-        de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur;

-        de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande bebouwing;

-        een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering          en vormgeving van de bedrijfsgebouwen;

-        het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en

-        het aspect nachtelijke lichtuitstraling.

2. In afwijking van artikel 2.13.1, eerste lid, kan een bestemmingsplan voorzien in de mogelijkheid tot:

a. uitbreiding van bebouwing van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied tot een percentage dat meer mag bedragen dan 20% van de totale oppervlakte van de op het bouwperceel aanwezige bebouwing; en

b. uitbreiding van het bouwperceel tot een percentage dat meer mag bedragen dan 20% van de oppervlakte van het bouwperceel;

als in de plantoelichting verantwoord wordt dan:

1 redelijkerwijs niet op een andere locatie dan waar het bedrijf of de maatschappelijke voorziening is gevestigd in de ruimtebehoefte kan worden voorzien; en

2 aan het plan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt dan met toepassing van de maatwerkmethode is opgesteld onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, indien de omvang van het bouwperceel niet groter wordt dan 0,5 hectare of een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, indien de omvang van het bouwperceel groter wordt dan 0,5 hectare; en,3 rekening is gehouden met:

-        de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur;

-        de ruimtelijk relevante kenmerken van de bestaande bebouwing;

-        een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering          en vormgeving van de bedrijfsgebouwen;

-        het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en

-        het aspect nachtelijke lichtuitstraling.