Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:609

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
31-03-2021
Zaaknummer
202003349/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 februari 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003349/1/V1.

Datum uitspraak: 24 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 mei 2020 in zaak nr. 19/4531 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 16 februari 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 15 mei 2019 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 mei 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. H. Postma, advocaat te Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.       De Sudanese vreemdeling wil referent nareizen, met wie zij zegt te zijn getrouwd. De staatssecretaris heeft haar tijdens een interview in de bezwaarfase gehoord via een videoconferentie op de ambassade in Khartoem (hierna: het interview). Volgens de staatssecretaris heeft de vreemdeling haar familierelatie met referent niet aannemelijk gemaakt, omdat zij en referent hierover tegenstrijdig hebben verklaard.

1.1.    Voorafgaand aan het interview heeft de gemachtigde van de vreemdeling bij e-mail van 12 april 2019 (hierna: de e-mail), verzocht om voor het interview een tolk in de taal Fur te reserveren. Het Register beëdigde tolken en vertalers (hierna: het Rbtv) bevat geen tolk Fur. De staatssecretaris heeft bij het interview een tolk ingezet die voor vier andere Arabische talen staat ingeschreven in het Rbtv en is beëdigd, uit Sudan afkomstig is en meerdere lokale talen spreekt (hierna: de tolk). Niet in geschil is dat het besluit een gebrek bevat omdat de staatssecretaris in strijd met artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv) niet uiterlijk in het besluit heeft toegelicht waarom hij bij het interview geen beëdigde tolk voor de taal Fur heeft ingezet. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 29 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1395, onder 5. Daarom heeft de rechtbank het besluit vernietigd.

1.2.    De staatssecretaris heeft de keuze voor de tolk in het verweerschrift alsnog toegelicht. Deze zaak gaat over de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen hierin geen aanleiding te zien het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren.

1.3.    Toepassing van artikel 6:22 van de Awb is mogelijk indien aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het besluit niet is benadeeld. Een gebrek dat herstel behoeft, leent zich in beginsel niet voor toepassing van deze bepaling. In gevallen waarin van het bestuursorgaan een bepaalde actie is vereist om het gebrek weg te nemen, kan er immers niet zonder meer van worden uitgegaan dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. Alleen indien evident is dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld, kan bij het bestaan van een dergelijk gebrek toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4149.

2.       De rechtbank heeft overwogen dat zij in de in het verweerschrift door de staatssecretaris gegeven motivering geen aanleiding ziet om het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat niet aannemelijk is dat de vreemdeling hierdoor niet is benadeeld. Volgens de rechtbank kan niet worden vastgesteld of sprake is geweest van miscommunicatie tijdens het interview. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat de vreemdeling in de e-mail uitdrukkelijk heeft gesteld dat haar kennis van de Arabische taal veel te gering is om in die taal gehoord te worden, dat zij hierop ook aan het begin van het interview drie keer heeft gewezen en heeft aangegeven dat ze het interview ‘gaat proberen’ en dat zij zonder bijstand is gehoord via een videoconferentie op de ambassade. Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de tolk op de vraag of zij Fur spreekt, alleen heeft aangegeven dat zij mensen spreekt en begrijpt die uit het Fur-gebied komen.

2.1.    Grief 1 is gericht tegen de onder 2 weergegeven overwegingen van de rechtbank. De staatssecretaris voert terecht aan dat in het verslag van het interview niet staat dat de tolk melding heeft gemaakt van miscommunicatie, maar juist dat zij heeft verklaard dat zij de vreemdeling zeer goed verstaat en begrijpt. Hij wijst er in dit verband terecht op dat de tolk gehouden is aan de voor een beëdigde tolk geldende integriteitseisen in de Wbtv en het Besluit gedragscode Rbtv. Dat betekent dat de tolk, als zij en de vreemdeling elkaar niet kunnen verstaan, gehouden is hiervan melding te maken. Verder voert hij terecht aan dat de rechtbank door alleen te wijzen op de e-mail en de opmerkingen van de vreemdeling aan het begin van het interview, er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat in het verslag niet staat dat de vreemdeling melding heeft gemaakt van miscommunicatie. In het verslag staat dat de vreemdeling is verzocht om het direct aan te geven als zij vragen niet goed heeft begrepen en dat zij heeft verklaard geen op- of aanmerkingen te hebben over de manier waarop het interview heeft plaatsgevonden. Ook staat in het verslag dat zij voorafgaand aan en na het interview heeft verklaard de tolk goed te hebben begrepen en verstaan. De staatssecretaris verwijst daarbij terecht naar zijn standpunt in het verweerschrift dat ook uit de uitgebreide en gedetailleerde antwoorden van de vreemdeling niet volgt dat zij de tolk niet heeft begrepen. Verder heeft de staatssecretaris over het horen via een videoconferentie op de ambassade terecht opgemerkt dat hij de vreemdeling er bij de uitnodiging voor het interview op heeft gewezen dat zij zich kan laten bijstaan door een gemachtigde, dat er visueel contact met haar was, en daardoor ook aandacht voor non verbale signalen, en dat zij niet heeft gesteld dat haar antwoorden zijn beïnvloed door deze wijze van horen.

2.2.    De staatssecretaris voert gezien de overwegingen onder 2.1 terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat geen benadeling heeft plaatsgevonden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de staatssecretaris terecht aanvoert dat hij het gebrek niet op een andere manier kan herstellen dan met de in het verweerschrift gegeven motivering, omdat er in Nederland geen in het Rbtv geregistreerde tolken zijn voor de taal Fur.

2.3.    Gelet op de overwegingen onder 2.1 en 2.2 klaagt de staatssecretaris in grief 1 terecht dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien het gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Grief 1 slaagt.

3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De klacht van de staatssecretaris in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen niet in stand heeft gelaten behoeft geen bespreking. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

4.       De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris in redelijkheid niet aan haar heeft kunnen tegenwerpen dat zij en referent tegenstrijdig hebben verklaard, omdat de door de staatssecretaris gestelde tegenstrijdigheden te verklaren zijn door onwetendheid over en interpretatieverschillen van bepaalde begrippen en vragen.

De staatssecretaris heeft zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling in beroep niet heeft betwist dat zij en referent over essentiële onderwerpen tegenstrijdig hebben verklaard. Wat zij aanvoert in beroep doet volgens hem niet af aan zijn hierover in het besluit gegeven motivering. De Afdeling loopt de stellingen van de vreemdeling over de tegengeworpen tegenstrijdigheden per onderwerp na. De Afdeling gaat daarbij, gelet op wat onder 2.1 en 2.2 is overwogen, niet in op haar stellingen die samenhangen met de vertaling door de tolk.

Over het samenwonen heeft de staatssecretaris in het besluit toegelicht dat referent heeft verklaard niet te hebben samengewoond met de vreemdeling, omdat in de woning waarin hij met zijn familie woonde niet genoeg ruimte was. Hij heeft erop gewezen dat de vreemdeling daarentegen heeft verklaard dat zij vanaf juni 2014 tot eind 2015/begin 2016 met referent heeft samengewoond in een groot huis met verschillende gedeelten, dat iedereen een eigen kurnuk (huisje van riet, leem en tentdoek) had en dat zij een referent samen in één gedeelte woonden. De staatssecretaris heeft zich over de enkele stelling van de vreemdeling dat zij en referent afwisselend in haar en zijn kurnuk sliepen en zij dit heeft geïnterpreteerd als samenwonen en referent niet, terecht op het standpunt gesteld dat dit niet afdoet aan zijn in het besluit gegeven motivering.

Over de substam van referent heeft de staatssecretaris in het besluit aan de vreemdeling tegengeworpen dat referent heeft verklaard dat hij tot de substam Kira behoort, terwijl zij heeft verklaard dat referent tot de substam Kounjara behoort. Hij heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat hij niet volgt dat de vreemdeling, naar zij stelt, niet wist dat referent tot de substam Kira behoort, omdat daaruit niet blijkt waarom zij en referent tegenstrijdig hebben verklaard en hij van gestelde echtgenoten in alle redelijkheid verwacht dat zij op de hoogte zijn van elkaars herkomst. De staatssecretaris heeft zich over de stelling van de vreemdeling dat de vraag tot welke substam een toekomstige huwelijkspartner behoort in deze tijd niet meer belangrijk is, terecht op het standpunt gesteld dat dit niet afdoet aan zijn in het besluit gegeven motivering, omdat daaruit niet volgt waarom zij heeft verklaard dat referent tot de substam Kounjara behoort.

Over de brand in de kurnuk van referent heeft de staatssecretaris in het besluit toegelicht dat referent heeft verklaard dat bij een brand in zijn kurnuk alle kleding en papieren, waaronder de huwelijksverklaring, zijn verbrand en dat hij een nieuwe tent heeft gekregen. De staatssecretaris heeft er op gewezen dat de vreemdeling daarentegen heeft verklaard dat er regelmatig brandincidenten waren in het kamp, maar dat zij zich niet specifiek kan herinneren dat er ooit brand is geweest in de tent van referent. De staatssecretaris heeft die verklaring van de vreemdeling bevreemdend geacht, omdat zij heeft verklaard dat zij vanaf de huwelijkssluiting tot aan de verdwijning van referent met hem in dezelfde kurnuk woonde. De staatssecretaris heeft zich over de stelling van de vreemdeling dat zij niet wist van de brand in de kurnuk van referent, omdat ze toen bij haar zus in een ander deel van het vluchtelingenkamp was, terecht op het standpunt gesteld dat dit niet afdoet aan zijn in het besluit gegeven motivering.

Over de studie van referent heeft de staatssecretaris in het besluit toegelicht dat referent heeft verklaard dat zijn studie werd betaald door een sheikh en de vreemdeling daarentegen heeft verklaard dat referent de universiteit zelf heeft betaald van zijn spaargeld en diverse werkzaamheden heeft verricht om aan dat geld te komen. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de enkele stelling van de vreemdeling dat haar verklaring slechts berust op een aanname, niet afdoet aan zijn in het besluit gegeven motivering.

Over het werk van referent heeft de staatssecretaris in het besluit toegelicht dat referent heeft verklaard nooit te hebben gewerkt in Soedan en dat de vreemdeling daarentegen heeft verklaard dat hij samen met zijn vader tegen betaling hout heeft gehakt en uien en gras heeft verkocht. De staatssecretaris is in het verweer ten onrechte niet ingegaan op de stelling van de vreemdeling dat referent in zijn eerste gehoor niet heeft verklaard dat hij hout hakte en uien en gras verkocht, omdat hij dacht dat de vraagstelling ging over werk in loondienst. Dit kan immers een interpretatieverschil zijn over het begrip werken. De overige tegenstrijdigheden, zoals de staatssecretaris in het verweerschrift terecht heeft opgemerkt, zien echter op essentiële onderdelen van het leven van de vreemdeling en referent in het vluchtelingenkamp voorafgaand aan en tijdens hun gestelde huwelijk, zodat aan dit mogelijk interpretatieverschil geen doorslaggevend gewicht toekomt.

De beroepsgrond faalt.

5.       De vreemdeling heeft terecht betoogd dat de staatssecretaris haar en referent ten onrechte niet in bezwaar heeft gehoord. In het verweerschrift heeft de staatssecretaris dit bevestigd, maar zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:326, onder 4.2, terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling en referent hierdoor niet zijn benadeeld. De vreemdeling heeft in beroep en ter zitting namelijk alsnog de gelegenheid gehad om, mede namens referent, haar bezwaren nader toe te lichten en een reactie te geven op de eerst in het besluit aan haar tegengeworpen tegenstrijdigheden. Zij heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt. Daarom is niet aannemelijk dat de staatssecretaris bij naleving van de hoorplicht een ander besluit had genomen en is ook niet aannemelijk dat de vreemdeling door de schending van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is benadeeld. De Afdeling zal het gebrek daarom passeren (artikel 6:22 van de Awb).

De beroepsgrond faalt.

6.       Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 mei 2020 in zaak nr. 19/4531;

III.      verklaart het beroep ongegrond;

IV.     veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1602,00 (zegge: duizendzeshonderdtwee), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

w.g. Verbeek

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 maart 2021

154-958.