Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:591

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
202003994/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, een locatie voor de plaatsing van een ondergrondse restafvalcontainer aangewezen nabij het perceel Frederik van Eedenstraat 1 te Utrecht. Het college heeft bepaald dat de orac komt te staan op een bestaande parkeerplaats ter hoogte van het perceel, tegenover het Majellapark. Deze locatie is niet dezelfde als de locatie die het college in een voornemen omtrent de plaatsing van orac’s had vermeld. Daarin was een locatie ter hoogte van het perceel Frederik van Eedenstraat 2 aangewezen. Naar aanleiding van tegen dit voornemen ingediende zienswijzen, is een andere locatie voor de orac aangewezen, om tegemoet te komen aan de door de indieners van de zienswijzen geuite vrees voor stank- en geluidsoverlast bij de ingang van de ter plaatse aanwezige kerk van het Kerkgenootschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003994/1/R1.

Datum uitspraak: 17 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1], wonend te Utrecht,

2.       Kerkgenootschap het Lectorium Rosicrucianum, gevestigd te Haarlem,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college een locatie voor de plaatsing van een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: orac) aangewezen nabij het perceel Frederik van Eedenstraat 1 te Utrecht.

Bij besluiten van 18 juni 2020 heeft het college de door [appellant sub 1] en het Kerkgenootschap hiertegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1] en het Kerkgenootschap beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het college en het Kerkgenootschap hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2021, waar [appellant sub 1], het Kerkgenootschap, vertegenwoordigd door mr. drs. E. Maarsen-Neumann, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door M. Akkersdijk, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het college heeft in het besluit van 6 januari 2020 bepaald dat de orac komt te staan op een bestaande parkeerplaats ter hoogte van het perceel Frederik van Eedenstraat 1 in Utrecht, tegenover het Majellapark. Deze locatie is niet dezelfde als de locatie die het college in een voornemen omtrent de plaatsing van orac’s had vermeld. Daarin was een locatie ter hoogte van het perceel Frederik van Eedenstraat 2 aangewezen. Naar aanleiding van tegen dit voornemen ingediende zienswijzen, is een andere locatie voor de orac aangewezen, om tegemoet te komen aan de door de indieners van de zienswijzen geuite vrees voor stank- en geluidsoverlast bij de ingang van de ter plaatse aanwezige kerk van het Kerkgenootschap. In het besluit op bezwaar van 18 juni 2020 is de aanwijzing op de locatie ter hoogte van Frederik van Eedenstraat 1 in stand gelaten. [appellant sub 1] woont aan het [locatie], ten noordoosten van de aangewezen locatie van de orac. Het Kerkgenootschap heeft zijn kerkgebouw aan de Frederik van Eedenstraat 1, ten noorden van de aangewezen locatie van de orac. [appellant sub 1] en het Kerkgenootschap kunnen zich niet verenigen met de aangewezen locatie en wijzen op alternatieve locaties die volgens hen wel geschikt zijn.

Beoordelingskader

2.       Bij de keuze voor een locatie voor orac’s dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3112), komt het college bij de keuze voor locaties voor de plaatsing van orac's beleidsruimte toe. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college al dan niet in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen. Daarbij wordt allereerst beoordeeld of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een orac. Als dat zo is, wordt vervolgens beoordeeld of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

2.1.    Het besluit van het college om locaties aan te wijzen voor de orac’s is gebaseerd op artikel 4, eerste lid, onder b, en tweede lid, en op artikel 10, vierde lid van de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010.

2.2.    De belangrijkste richtlijnen die het college hanteert bij de afweging door het college van de betrokken belangen bij de keuze voor een locatie van een orac betrokken belangen zijn:

- De ondergrondse container is goed bereikbaar voor het inzamelvoertuig;

- De ondergrondse container past logisch in het inrichtingsplan;

- De ondergrondse container mag niet hoger zijn dan 1.5 meter;

- Verkeer en voetgangers worden niet belemmerd;

- De ondergrondse container is goed bereikbaar voor alle woningen;

- De loopafstand is niet te groot. De streefafstand is 125 meter;

- De afstand tot de erfgrens bedraagt minimaal 2 meter;

- De afstand van de ondergrondse container tot de gevel van de woning bedraagt 3 meter (vanaf de kern van de container). Van deze regel kan worden afgeweken indien het een dichte muur betreft; in dat geval kan de afstand minimaal 2 meter zijn.

- Bij voorkeur wordt een ondergrondse container niet geplaatst aan de zuidwestkant van tuinen waar een terras is aangelegd, dit omdat in Nederland de wind vaak uit zuidwestelijke richting komt. Een container aan de zuidwestkant kan dan stankoverlast veroorzaken.

Gevolgen van het gebruik van orac’s in het algemeen

3.       In deze procedure gaat het om de aanwijzing van een locatie voor een orac. De keuze van het gemeentebestuur om voor de inzameling van restafval gebruik te maken van orac’s, ligt niet ter beoordeling voor.

Wanneer de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, beoordeelt de Afdeling in een procedure als deze of het betrokken bestuursorgaan de gevolgen van de aanwijzing voor de omgeving aanvaardbaar heeft kunnen achten. Die beoordeling kan ook betrekking hebben op nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie van het gebruik van een orac, toeneming van verkeer van en naar een orac en (verkeers)hinder die gepaard gaat met het legen van een orac. Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat die gevolgen onder normale omstandigheden niet aan aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Daarbij is van belang dat geluid- en geurhinder door de constructie van orac’s en door het regelmatig legen en schoonmaken zoveel mogelijk worden voorkomen, dat de verkeersaantrekkende werking in het algemeen beperkt is en dat het legen van orac’s maar van korte duur is. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 11 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2320. De Afdeling zal daarom enkel beoordelen of locatiespecifieke of andere bijzondere omstandigheden maken dat het college in die gevolgen reden had moeten zien om de locatie niet aan te wijzen.

Het beroep van [appellant sub 1]

Procedureel

4.       [appellant sub 1] voert aan dat er nooit een hoorzitting heeft plaatsgevonden waarin hij de gelegenheid heeft gehad om zijn bezwaar toe te lichten. Dit is volgens [appellant sub 1] in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

4.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 1] wel degelijk is gehoord over zijn bezwaar. Dit is volgens het college telefonisch gebeurd op 4 mei 2020. Het college verwijst daartoe naar een verslag van dit horen.

4.2.    De Afdeling merkt op dat [appellant sub 1] ter zitting stellig heeft beweerd dat ondanks de aanwezigheid van het door het college opgestelde verslag, hij niet telefonisch is gehoord. Weliswaar is van gemeentewege telefonisch contact met hem opgenomen inzake de orac, maar volgens [appellant sub 1] heeft hij daarbij aangegeven dat het hem op dat moment niet schikte inhoudelijk over de kwestie te spreken. Volgens hem heeft hij tijdens het telefoongesprek, anders dan vermeld in het verslag, dan ook geen toelichting op zijn bezwaren gegeven. De Afdeling sluit gelet op deze verklaring en hetgeen voor het overige ter zitting is gesteld, niet uit dat bij het opstellen van het verslag een vergissing is gemaakt. Derhalve is niet komen vast te staan dat [appellant sub 1], in overeenstemming met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb, is gehoord in het kader van zijn bezwaar en moet het ervoor worden gehouden dat het besluit in zoverre in strijd met dit artikellid is genomen. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. [appellant sub 1] heeft in het kader van deze beroepsprocedure zijn standpunt alsnog kunnen toelichten en heeft daarbij dezelfde inhoudelijke bezwaren naar voren gebracht als in de bezwaarfase. In verband daarmee en gelet op de reactie van het college op de desbetreffende gronden, moet worden aangenomen dat bij naleving van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb geen ander besluit zou zijn genomen. Het is aannemelijk dat [appellant sub 1] door de gestelde schending van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb niet benadeeld is.

Het betoog slaagt niet.

De aangewezen locatie

5.       [appellant sub 1] voert aan dat het college geen, dan wel onvoldoende rekening heeft gehouden met de richtlijn die het college aanhoudt om een orac bij voorkeur niet te plaatsen aan de zuidwestkant van tuinen waar een terras is aangelegd. In de motivering van het college wordt niet ingegaan op de omstandigheid dat de orac ten zuidwesten van de voortuin van [appellant sub 1] wordt geplaatst en dat daarom voor stankoverlast moet worden gevreesd.

5.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat de richtlijn om een orac bij voorkeur niet ten zuidwesten van een tuin met een terras te plaatsen, met name betrekking heeft op achtertuinen. Deze richtlijn wordt slechts toegepast op voortuinen in het geval geen achtertuin aanwezig is. In het geval van [appellant sub 1] is echter ook een achtertuin aanwezig, zodat volgens het college niet in strijd met de richtlijn wordt gehandeld. Daarnaast ontvangt het college naar zijn zeggen bijna geen klachten over stankoverlast bij orac's terwijl al op vele plekken in de stad orac’s zijn geplaatst.

5.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich, gelet hierop, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een orac op de aangewezen locatie geen onaanvaardbare aantasting van het woongenot van [appellant sub 1] vanwege stankoverlast oplevert.

Het betoog slaagt niet.

Alternatieve locatie

6.       Volgens [appellant sub 1] is een geschiktere alternatieve locatie voor de orac voorhanden bij de nabij gelegen locatie van containers voor glas en plastic. De loopafstand tot de orac levert in dat geval geen problemen op omdat de loopafstanden tot de containers voor glas en plastic nu groter zijn dan de streefafstand van 125 meter voor een orac, aldus [appellant sub 1].

6.1.    Het college wijst erop dat de loopafstanden naar containers voor glas en plastic langer kunnen zijn dan de loopafstand tot een orac doordat het college geen specifieke streefafstand hanteert voor glas- en plasticcontainers. De streefafstand tot een orac is 125 meter. Een locatie van de orac bij de dichtstbijzijnde glas- en plasticcontainers is volgens het college niet geschikt, omdat dit zal leiden tot het overschrijden van die streefafstand.

6.2.    Gelet op hetgeen het college heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de voorgestelde alternatieve locatie zodanig geschikter is dat het college deze in redelijkheid had moeten verkiezen boven de aangewezen locatie.

Het betoog slaagt niet.

Het beroep van het Kerkgenootschap

Blokkeren vluchtroute

7.       Het Kerkgenootschap betoogt dat een orac op de aangewezen locatie de vluchtroute vanuit de kerk, de toegang tot de voortuin van de kerk en de toegang tot het naastgelegen perceel blokkeert. Indien grote groepen mensen vanuit de kerk via het zijpad de straat op moeten vluchten, zal de orac in de weg staan. Het college heeft onvoldoende rekening gehouden met de vluchtroute en niet nader gemotiveerd dat de orac de vluchtroute niet blokkeert, zo betoogt het Kerkgenootschap.

7.1.    Het college stelt dat de locatie van de orac niet recht, maar schuin voor het zijpad ligt dat dient als vluchtroute voor de kerk. Daarnaast blijft de breedte van het trottoir ongewijzigd en voldoet deze daarmee ruimschoots aan het uitgangspunt om een minimale vrijblijvende loopruimte van 1,5 meter te hebben. Wanneer geen orac op deze plaats zou staan, zou er een auto geparkeerd kunnen staan die een grotere blokkade vormt dan een orac. Er is volgens het college geen sprake van het blokkeren van vluchtwegen.

7.2.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich, gelet op wat het college heeft aangevoerd, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de locatie van de orac niet leidt tot een verslechtering van de toegang tot of de vluchtmogelijkheden vanuit de kerk.

Het betoog slaagt niet.

Verdwijnen parkeerplaatsen

8.       Het Kerkgenootschap betoogt dat door de komst van de orac twee parkeerplaatsen direct voor de deur van de kerk zullen verdwijnen. Dit betekent dat de toegankelijkheid van de kerk nadelig wordt beïnvloed doordat ouderen die de kerk willen bezoeken, niet meer voor de toegang kunnen parkeren en verder zullen moeten lopen. Het Kerkgenootschap acht dit temeer problematisch nu het aantal voor algemeen gebruik beschikbare parkeerplaatsen rond de kerk de afgelopen tijd ook al is afgenomen door andere oorzaken. Zo heeft de gemeente recentelijk elektrische laadpalen gerealiseerd op twee parkeerplaatsen achter de kerk, waardoor die plaatsen alleen nog zijn bestemd voor elektrische auto’s. Verder heeft het college al eerder een zogenoemde GreenWheels-parkeerplaats vóór de kerk toegestaan.

8.1.    Het college merkt op dat door de komst van de orac slechts één parkeerplaats verdwijnt. De te verwijderen parkeerplaats betreft geen invalideparkeerplaats of een speciaal voor de kerk gereserveerde parkeerplaats. In de omgeving zijn bovendien nog meer parkeerplaatsen aanwezig aan de Frederik van Eedenstraat en aan het Majellapark, zo stelt het college.

8.2.    Gelet op de motivering van het college ziet de Afdeling geen aanleiding om aan te nemen dat de toegankelijkheid van de kerk dusdanig nadelig wordt beïnvloed dat het college de gekozen locatie in redelijkheid niet geschikt kon achten. De Afdeling ziet geen grond voor de conclusie dat het college vanwege het voornemen tot plaatsing van de laadpalen en het realiseren van de GreenWheels-parkeerplaats niet in redelijkheid kon besluiten om een orac te plaatsen nabij het perceel Frederik van Eedenstraat 1 en daarmee een parkeerplaats te laten vervallen. Overigens vormt het plaatsen van de laadpalen en het realiseren van de GreenWheels-parkeerplaats op zichzelf geen onderwerp van deze procedure.

Het betoog slaagt niet.

Het aanzien van het kerkgebouw

9.       Het Kerkgenootschap voert aan dat een reine sfeer en uitstraling rondom de kerk van essentieel belang is en dat de orac, waar zwerfafval naast geplaatst kan worden, op de aangewezen locatie hieraan afbreuk doet.

9.1.    Het college stelt dat de orac is ontworpen om in het straatbeeld te passen en dat maar een klein deel van de orac uitsteekt boven het maaiveld. Zwerfafval rondom een orac kan niet altijd voorkomen worden, maar volgens het college wordt elke dag rondgereden om zwerfafval te verwijderen. Een sensor in de orac geeft aan wanneer de orac voor een bepaald percentage gevuld is zodat deze tijdig kan worden geleegd.

9.2.    De Afdeling oordeelt dat het college, gelet op de gegeven toelichting, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de orac geen onaanvaardbare verslechtering van het aanzien van de kerk oplevert. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat een orac door de afmetingen een beperkte ruimtelijke invloed heeft. Het verwijderen van zwerfafval naast de orac is een kwestie van handhaving. Hiervoor kan een melding worden gedaan bij het college. Het al dan niet nemen van handhavingsmaatregelen is op zichzelf geen voorwerp van deze procedure.

Het betoog slaagt niet.

Herinrichtingsplannen kerkgebouw

10.     Het Kerkgenootschap voert aan dat het op dit moment onderzoekt hoe het de kerk, en met name de kant van de kerk die aan het Majellapark ligt, een opener uitstraling kan geven en toegankelijker kan maken. Deze plannen zijn nog niet concreet omdat deze veelomvattend zijn en een lange voorbereidingstijd vergen. Volgens het Kerkgenootschap had het college rekening moeten houden met de herinrichtingsplannen die nu op negatieve wijze worden beïnvloed.

10.1.  Het college stelt dat een stad altijd in ontwikkeling is en dat de besluitvorming is gebaseerd op de bestaande situatie. Met onzekere toekomstige ontwikkelingen kan geen rekening worden gehouden. Daarnaast is het nog steeds mogelijk om een ingang te realiseren aan de voorkant van de kerk gezien de locatie van de orac aan de zijkant van het perceel.

10.2.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het geen rekening hoefde te houden met een onzekere, toekomstige ontwikkeling die zich nog niet in enige vorm heeft geopenbaard. Zoals het Kerkgenootschap zelf erkent waren er ten tijde van het aanwijzen van de locatie voor de orac nog geen concrete herinrichtingsplannen.         

Het betoog slaagt niet.

Bouwkundige aspecten kerk

11.     Volgens het Kerkgenootschap vertoont de funderingsplaat waarop de kerk staat, ter hoogte van de geplande graafwerkzaamheden voor de plaatsing van de orac, een scheur. Deze scheur is gerepareerd, maar blijft een zwakke plek. Het plaatsen van de orac kan volgens het Kerkgenootschap schade opleveren aan (de fundering van) de kerk. Het college gaat in zijn motivering niet in op deze omstandigheid behalve door te stellen dat er ervaring is met het plaatsen van orac’s en dat gebruik kan worden gemaakt van schadeprocedures wanneer zich schade voordoet, aldus het Kerkgenootschap. Op het college rust volgens hem uit een oogpunt van zorgvuldigheid de verplichting om schade te voorkomen.

11.1.  Het college stelt dat het veel ervaring heeft met het plaatsen van orac’s en dat dit gebeurt door professionele krachten. Bij de plaatsing van de orac zal zorgvuldigheid in acht worden genomen om schade te voorkomen waarbij vooropnamen gemaakt kunnen worden om bestaande schade te inventariseren.

11.2.  De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat het college in redelijkheid had moeten afzien van aanwijzing van de locatie voor de plaatsing van de orac omdat mogelijk schade zou optreden aan de funderingsplaat van de kerk.

Het betoog slaagt niet.

Overlast door geluid en trillingsgolven

12.     Het Kerkgenootschap betoogt dat het legen van de orac door een vrachtwagen, bestaande uit het eruit halen en leegschudden van de bak, geluids- en trillingsoverlast zal veroorzaken. De trillingsgolven die zich bij het legen van de orac via de grond verplaatsen zullen na verloop van tijd het fundament van de kerk beschadigen, aldus het Kerkgenootschap.

12.1.  Het college stelt dat geluid dat ontstaat bij het legen van de orac lastig te voorkomen is. Het legen van de orac duurt maximaal tien minuten per keer en het college verwacht dat de orac één tot twee keer per week geleegd gaat worden.

12.2.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in redelijkheid kunnen oordelen dat de geluids- en trillingsoverlast die ontstaat bij het één of twee keer per week legen van de orac niet onevenredig is voor het Kerkgenootschap en hoefde het college niet om die reden van aanwijzing van de locatie af te zien. Verder geeft wat het Kerkgenootschap aanvoert geen aanknopingspunten om te veronderstellen dat trillingsgolven die zich bij het legen van de orac via de grond verplaatsen de fundering van de kerk zullen beschadigen.

Het betoog slaagt niet.

Stankoverlast door windrichting

13.     Volgens het Kerkgenootschap zal bij de aangewezen locatie voor de orac, als gevolg van de gebruikelijke windrichting vanuit het zuidwesten, stank direct de voortuin van de kerk binnenwaaien. Hierdoor is het niet langer mogelijk om in de voortuin bijeenkomsten te organiseren. Het Kerkgenootschap stelt dat het door de verwachte stankoverlast wordt gedwongen om in de warme zomermaanden ramen en deuren aan de tuinkant gesloten te houden waardoor niet geventileerd kan worden. Het college heeft hiermee onvoldoende rekening gehouden, aldus het Kerkgenootschap.

13.1.  Het college stelt zich op het standpunt dat rekening wordt gehouden met de windrichting vanuit het zuidwesten wanneer de orac in de onmiddellijke nabijheid staat van (achter)tuinen of terrassen van woningen. Met een voortuin wordt rekening gehouden wanneer geen achtertuin aanwezig is. Omdat de kerk een achtertuin heeft en de kerk geen woning is, vormt deze richtlijn volgens het college geen belemmering voor de aangewezen locatie. Bovendien schampt de zuidwestelijke wind vanaf de container alleen de zijkant van het gebied voor de kerk. De orac bevindt zich op ongeveer 10 meter van de vensters waardoor geen stankoverlast wordt verwacht wanneer de vensters openstaan. Daarnaast stelt het college dat het nauwelijks klachten ontvangt over stankoverlast door het gebruik van orac's.

13.2.  De Afdeling is van oordeel dat het college zich met de weergegeven motivering in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat plaatsing van de orac geen onaanvaardbare stankoverlast oplevert.

Het betoog slaagt niet.

Alternatieve locaties

14.     Het Kerkgenootschap betoogt dat het college de locatie voor de orac niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen omdat er drie geschiktere alternatieve locaties zijn.

Zo is de locatie op de parkeerplaats ten zuiden van de school aan de Van Meurstraat 5/5a (alternatieve locatie 1) volgens het Kerkgenootschap een geschiktere locatie voor de orac. Deze locatie is de plaats waar bewoners al jaren hun zogenoemde kliko’s neerzetten en is volgens het Kerkgenootschap uit het oogpunt van verkeersveiligheid beter dan de aangewezen locatie.

Het Kerkgenootschap betoogt dat de locatie op de parkeerplaats aan de overkant van de Van Meursstraat 5/5a (alternatieve locatie 2), ook een geschiktere alternatieve locatie is. Beide alternatieve locaties staan niet in de volle zon en ook de windrichting is hier niet van belang, zodat stankoverlast geen rol speelt. Daarbij komt dat, in tegenstelling tot wat het college betoogt, er volgens het Kerkgenootschap geen ondergrondse infrastructuur aanwezig is die het plaatsen van de orac onmogelijk maakt. Het Kerkgenootschap betoogt dat het college deze alternatieve locatie feitelijk onbruikbaar heeft gemaakt door daar de onder 8 genoemde elektrische laadpalen te plaatsen terwijl de locatie nog onderwerp van discussie is. Het Kerkgenootschap stelt voor om de locatie van de elektrische laadpalen te ruilen met de beoogde locatie voor de orac omdat het minder last zou hebben van elektrische laadpalen voor de kerk dan van een orac.

Het Kerkgenootschap betoogt dat de locatie ten zuiden van de kerk, aan de andere kant van de straat aan het Majellapark (alternatieve locatie 3) eveneens een geschiktere alternatieve locatie is voor de orac. Door de aanwezigheid van een heg is er geen direct zicht op de orac vanuit het park en de loopafstand is bij deze locatie geen probleem. Het Kerkgenootschap voert aan dat het bezwaar van het college dat het afvalcontainers binnen de groenvoorziening onwenselijk acht, niet in overeenstemming is met de aanwezigheid van een vuilnisbak, die qua omvang niet veel verschilt van een orac, aan de rand van het park. Het Kerkgenootschap stelt daarnaast dat bij alternatieve locatie 3 geen ondergrondse infrastructuur aanwezig is die het plaatsen van een orac zou bemoeilijken.

Het Kerkgenootschap betoogt met betrekking tot de voorgestelde alternatieven in algemene zin dat het college de loopafstanden tot de orac te streng toepast, omdat bewoners vaak hun afval vanuit de achtertuin en niet vanuit hun voordeur naar de orac brengen. Plaatsing van de orac op een van de alternatieve locaties leidt volgens het Kerkgenootschap voor veel bewoners tot een verkorting van de loopafstand. Het Kerkgenootschap merkt verder op dat het college bij de Van Meursstraat 65 een locatie voor een orac heeft aangewezen, terwijl zich daar dezelfde, door het college gestelde, problemen voordoen met ondergrondse infrastructuur als bij de voorgestelde alternatieve locaties. Het Kerkgenootschap heeft een handtekeningenlijst overgelegd waaruit blijkt dat veel buurtbewoners het met de alternatieve locaties eens zijn.

14.1.  Het college stelt zich op het standpunt dat de alternatieve locaties 1 en 2 niet geschikter zijn, omdat de loopafstand tot de orac voor bewoners van de Broerestraat minimaal 150 meter en 170 meter vanaf de achter- en voorkant van de woning zal bedragen. De afstand tot de aangewezen locatie voor de orac is voor deze bewoners korter, namelijk 135 meter vanaf de achterkant van de woning en 150 meter vanaf de voorkant van de woning. Het college heeft daaraan ter zitting toegevoegd dat plaatsing van de orac op alternatieve locatie 1 of 2 voor sommige bewoners leidt tot een vergroting van de loopafstand tot de orac en voor andere bewoners tot een verkorting en dat het geen voorstander is van deze ongelijke verdeling. De door het Kerkgenootschap verzamelde handtekeningenlijst heeft daarbij volgens het college geen relevantie omdat een aantal bewoners voor wie de loopafstand wordt vergroot niet heeft getekend. De ongeschiktheid van de alternatieve locaties 1 en 2 blijkt volgens het college, gelet op de plattegrond van aanwezige kabels en leidingen, ook uit het conflict dat zich zou voordoen met de riolering en gasleidingen die zich op korte afstand tot de orac's zouden bevinden.

Ten aanzien van de elektrische laadpalen op alternatieve locatie 2 heeft het college ter zitting gesteld dat het locatieplan voor de laadpalen is vastgesteld in maart 2020, twee maanden nadat het college op 6 januari 2020 het aanwijzingsbesluit had genomen. Het college heeft verklaard dat ten tijde van het nemen van dit besluit niet bekend was dat de elektrische laadpalen op die locatie 2 zouden worden geplaatst en dat een ander organisatieonderdeel van de gemeente verantwoordelijk is voor de locaties van laadpalen. Het college heeft ter zitting verklaard niet in te stemmen met het voorstel van het Kerkgenootschap om de locatie van de laadpalen te ruilen met de aangewezen locatie van de orac, omdat plaatsing van de orac op de alternatieve locatie 2 leidt tot een overschrijding van de loopafstand in de richtlijn.

Het college stelt zich op het standpunt dat de alternatieve locatie 3 niet geschikt is omdat plaatsing van een orac in een park of groenvoorziening onwenselijk wordt geacht. Daarbij verwijst het college naar een toelichting van een landschapsarchitect die stelt dat plaatsing van de orac op alternatieve locatie 3 ten koste zou gaan van de kwaliteit van het groen. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de vuilnisbak die zich in het park bevindt een stuk kleiner is dan een orac en daarbij komt dat de vuilnisbak, in tegenstelling tot een orac, een functie heeft voor de bezoekers van het park.

Verder heeft het college ter zitting toegelicht dat de plaatsing van de orac bij de Van Meursstraat 65 nog onzeker is omdat nog geen toestemming is verkregen van de beheerders van de ondergrondse kabels en leidingen. Daarnaast was er voor deze orac volgens het college voorshands geen geschiktere alternatieve locatie aanwezig.

14.2   De Afdeling ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van hetgeen het college met betrekking tot de geschiktheid van de alternatieve locaties naar voren heeft gebracht. Het college heeft zich voor de alternatieve locaties 1 en 2, gelet op de voor een deel van de bewoners langere loopafstand tot de orac en het conflict met de ondergrondse infrastructuur, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat alternatieve locaties 1 en 2 niet zodanig geschikter zijn voor de plaatsing van een orac dan de aangewezen locatie, dat het in redelijkheid niet voor die locatie heeft kunnen kiezen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college bij het berekenen van de loopafstanden ook acht heeft geslagen op looproutes vanuit de achtertuin van bewoners.

Verder ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van het college dat de beslissing om elektrische laadpalen bij alternatieve locatie 2 te plaatsen, is genomen nadat het college het aanwijzingsbesluit van 6 januari 2020 had genomen en geen rol heeft gespeeld in het afwijzen van deze locatie.

Het college heeft zich ook voor alternatieve locatie 3, gelet op de motivering dat plaatsing van de orac in een groenvoorziening ongewenst is gelet op de kwaliteit en het behoud van groen in de stad, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de locatie niet zodanig geschikter is dan de aangewezen locatie, en dat het in redelijkheid niet voor die laatste locatie heeft kunnen kiezen. Daarbij gaat de door het Kerkgenootschap gemaakte vergelijking met de in het park aanwezige afvalbak niet op omdat de afvalbak kleiner is van omvang dan een orac en deze daarnaast een praktische functie heeft in het park voor de parkbezoekers.

De Afdeling overweegt ten aanzien van de door het Kerkgenootschap overgelegde handtekeningenlijst, waaruit volgens het Kerkgenootschap blijkt dat omwonenden akkoord gaan met de loopafstanden bij de alternatieve locaties, dat het aan het college is om geobjectiveerd vast te stellen of de alternatieve locaties geschikter zijn. De enkele omstandigheid dat een aantal bewoners heeft verklaard te kunnen instemmen met een bepaalde alternatieve locatie, betekent niet dat het college die locatie ook had moeten aanwijzen. Voorts bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen het college heeft opgemerkt in relatie tot de locatie bij de Van Meursstraat 65, namelijk dat nog onzeker is of daar een orac wordt geplaatst en vooralsnog geen geschiktere alternatieve locatie aanwezig wordt geacht.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

15.     De beroepen zijn ongegrond.

16.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het Kerkgenootschap geen aanleiding. Gelet op het ten aanzien van [appellant sub 1] geconstateerde gebrek waarbij in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb hij niet in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord in het kader van zijn bezwaar, bestaat ten aanzien van hem in beginsel wel aanleiding tot een proceskostenveroordeling. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is in zijn geval echter niet gebleken. De Afdeling ziet wel aanleiding om het college te gelasten het door [appellant sub 1] betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen ongegrond;

II.       gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2021

195-970.