Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:567

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
201905938/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2016 heeft het dagelijks bestuur van Samenwerkingsverband Noord-Nederland een verleningsbeschikking voor [wederpartij] op grond van de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2008 ingetrokken en het verleende voorschot van € 73.180,00 teruggevorderd. In de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2008 (hierna: IPR 2008) staat dat stuwende ondernemingen die zich gaan vestigen in bepaalde gebieden van Noord-Nederland worden gesteund. De regeling subsidieert in beperkte mate ook uitbreidingsprojecten. Er kan in dat kader een subsidie worden aangevraagd voor onder meer investeringen in bedrijfsgebouwen, duurzame bedrijfsuitrusting en immateriële activa. Naar aanleiding van het door [wederpartij] tegen het besluit gemaakte bezwaar, heeft de externe commissie voor de bezwaarschriften in juni 2017 aan het dagelijks bestuur advies uitgebracht. In het advies staat dat het oprichten van een nieuw bedrijf genaamd SP&S niet kan worden gezien als een vestigingsproject.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905938/1/A2.

Datum uitspraak: 17 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Het dagelijks bestuur van Samenwerkingsverband Noord-Nederland, (hierna: het dagelijks bestuur),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 juni 2019 in zaak nr. 17/3234 in het geding tussen:

[wederpartij] en Spare Parts & Services B.V. (hierna tezamen en in enkelvoud: [wederpartij])

en

het dagelijks bestuur

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2016 heeft het dagelijks bestuur een verleningsbeschikking voor [wederpartij] op grond van de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2008 ingetrokken en het verleende voorschot van € 73.180,00 teruggevorderd.

Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft het dagelijks bestuur het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2019 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 augustus 2017 vernietigd en het dagelijks bestuur opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het dagelijks bestuur hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft nadere stukken ingediend.

Bij besluit van 17 september 2019 heeft het dagelijks bestuur, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, opnieuw op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 22 december 2016 beslist en het bezwaar ongegrond verklaard.

[wederpartij] heeft daartegen gronden aangevoerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 mei 2020, waar het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door drs. P.T.W. Vos en mr. Y. Snijder, en [wederpartij], vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. I.J. Wind-Middel, advocaat te Groningen, en [gemachtigde], zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heropend teneinde het dagelijks bestuur in de gelegenheid te stellen een procesbesluit tot het instellen van het hoger beroep over te leggen.

Het dagelijks bestuur heeft schriftelijke inlichtingen verstrekt en een procesbesluit overgelegd. [wederpartij] heeft daarop gereageerd.

Met toestemming van partijen is afgezien van verdere behandeling van de zaak ter zitting. De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.       In de Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2008 (hierna: IPR 2008) staat dat stuwende ondernemingen die zich gaan vestigen in bepaalde gebieden van Noord-Nederland worden gesteund. De regeling subsidieert in beperkte mate ook uitbreidingsprojecten. Er kan in dat kader een subsidie worden aangevraagd voor onder meer investeringen in bedrijfsgebouwen, duurzame bedrijfsuitrusting en immateriële activa.

1.1.    Op 17 juli 2008 heeft [directeur] als directeur van [wederpartij] een aanvraag ingediend op grond van de IPR 2008. Het investeringsproject bestond uit het oprichten van Spare Parts & Services B.V. (hierna: SP&S) en omvatte de bouw van een nieuw bedrijfspand en de aanschaf van duurzame bedrijfsuitrusting.

1.2.    Ten tijde van de aanvraag was de juridische structuur van [wederpartij] als volgt: [directeur] was het moederbedrijf en de dochters waren D-Tag Process System (hierna: D-Tag) en D-Tag Staff B.V. SP&S was op dat moment in oprichting. D-Tag en D-Tag Staff B.V. zijn gestart vanuit de engineeringsafdeling ACE van Avebe, een producent van onder meer oplossingen op basis van aardappelzetmeel, waar [directeur] destijds werkzaam was. SP&S is vanuit [wederpartij] opgestart om het bedrijfs- en risicoprofiel van [wederpartij] Holding te verbreden naar andere markten en sectoren dan die van Avebe wat betreft het ontwikkelen, leveren en onderhouden van machineonderdelen.

1.3.    Bij besluit van 20 mei 2009 heeft het dagelijks bestuur aan [wederpartij] een subsidie verleend van € 73.180,00. Aan deze verleningsbeschikking heeft het voorwaarden verbonden.

1.4.    Per 1 januari 2010 zijn D-Tag en D-Tag Staff B.V. verkocht aan [bedrijf].

1.5.    Op 15 juli 2011 heeft [wederpartij] een verzoek tot vaststellen van de subsidie ingediend. Het dagelijks bestuur heeft in verband met dit verzoek advies gevraagd aan Ernst & Young Accountants, die onderzoek heeft verricht en op 26 april 2012 een rapport heeft uitgebracht.

1.6.    Bij besluit van 22 december 2016 heeft het dagelijks bestuur de verleningsbeschikking ingetrokken omdat SP&S bedrijfsactiviteiten uitvoerde die bij de indiening van de subsidieaanvraag voor investeringen ten behoeve van een vestigingsproject al binnen de zogenoemde [wederpartij]groep werden uitgevoerd door D-Tag. Het gaat daarbij in het bijzonder om onderhoud aan jet cookers, die zetmeel bruikbaar maken voor de toepassing in papier. Daarom werd niet voldaan aan de eis dat bij het stichten van een nieuwe onderneming een specifiek eigen markt moet worden bediend. Verder kon de omvang van de subsidiabele kosten niet worden vastgesteld danwel moet het ervoor worden gehouden dat deze subsidiabele kosten minder bedragen dan € 500.000, aldus het dagelijks bestuur, omdat [wederpartij] onvoldoende informatie heeft aangeleverd om de hoogte van de correcties in verband met buitengebruikstelling van bedrijfsuitrusting en vloeroppervlakte vast te kunnen stellen.

1.7.    Naar aanleiding van het door [wederpartij] tegen het besluit van 22 december 2016 gemaakte bezwaar, heeft de externe commissie voor de bezwaarschriften op 30 juni 2017 aan het dagelijks bestuur advies uitgebracht. In het advies staat dat het oprichten van een nieuw bedrijf genaamd SP&S niet kan worden gezien als een vestigingsproject in de zin van het IPR 2008. Bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van het bedienen van een specifiek eigen markt, is de aard van de activiteit bepalend. Het betreft hier het onderhoud van jet cookers. Gebleken is dat zowel D-Tag als SP&S onderhoud aan jet cookers uitvoeren. Er is weliswaar sprake van verschillende afnemers, maar deze bevinden zich op dezelfde markt. D-TAG en SP&S bedienen beide een deel van deze markt. Verder staat in het advies dat de hoogte van de correcties van de kosten van de buitengebruikstelling van zowel de bedrijfsruimte als de duurzame bedrijfsuitrusting niet kunnen worden vastgesteld. Daarom heeft het dagelijks bestuur het in redelijkheid ervoor kunnen houden dat geen sprake is van subsidiabele kosten ter hoogte van minimaal € 500.000,00, aldus het advies.

1.8.    Bij besluit van 3 augustus 2017 heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van [wederpartij] overeenkomstig het advies van de adviescommissie ongegrond verklaard.

Het wettelijk kader

2.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De uitspraak van de rechtbank

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur de subsidie niet heeft mogen intrekken omdat het project niet voldoet aan de voorschriften van de IPR 2008. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het dagelijks bestuur onvoldoende heeft gemotiveerd dat de onderneming SP&S geen specifiek eigen markt bedient. Er is een verschil tussen engineering en bouw van jet cookers voor Avebe en van jet cookers voor anderen dan Avebe. Dit geldt ook voor het verrichten van onderhoud en het onderzoeken van nieuwe ontwikkelingen in deze specifieke tak van procesinstallaties. De enkele omstandigheid dat binnen de [wederpartij]groep in het kader van garantie onderhoud werd gepleegd aan  jet cookers gerelateerd aan Avebe , maakt niet dat SP&S geen eigen markt bedient.

De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het dagelijks bestuur onvoldoende heeft gemotiveerd dat de subsidiabele kosten onder het in artikel 18 van de IPR 2018 genoemde bedrag van € 500.000,00 komen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de totale investeringskosten € 679.217,00 bedroegen. De correctie buiten gebruik gestelde duurzame bedrijfsuitrusting en de correctie buitengebruikstelling van de eerste etage van het pand in Stadskanaal bedroegen respectievelijk € 65.280,00 en € 81.010,00, zodat nog een subsidiabel bedrag resteert van € 550.927,00. Het dagelijks bestuur heeft volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat en waarom de subsidiabele kosten met de correctie van € 17.282,00 dan wel van € 32.404,00 voor de buitengebruikstelling van bedrijfsruimte in Foxhol minder dan € 500.000,00 bedragen. Het standpunt van het dagelijks bestuur dat de correctie met betrekking tot de buiten gebruik gestelde duurzame bedrijfsuitrusting hoger uitvalt dan € 65.280,00 komt niet overeen met wat in het bestreden besluit is opgenomen en het dagelijks bestuur heeft niet kunnen aangeven waarom dit bedrag (thans) hoger dient uit te vallen, aldus de rechtbank.

Het hoger beroep SNN

Ontvankelijkheid

4.       [wederpartij] heeft er in zijn schriftelijke uiteenzetting en op de zitting van de Afdeling op gewezen dat niet is gebleken van een procesbesluit van het dagelijks bestuur tot het instellen van hoger beroep. Hij wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1104) waaruit volgt dat het ontbreken van een procesbesluit binnen de termijn voor het indienen van een hoger beroepschrift leidt tot niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep.

4.1.    Namens het dagelijks bestuur is bij brief van 5 augustus 2019, ondertekend door mevrouw Y. Snijder, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Hiermee was ten tijde van het instellen van het hoger beroep de identiteit van de indiener van het rechtsmiddel bekend, namelijk het dagelijks bestuur. Voorafgaand aan de zitting bij de Afdeling is een document, gedateerd op 20 mei 2020, overgelegd, waarin de directeur van SNN namens het dagelijks bestuur mevrouw drs. P.T.W. Vos en mevrouw Y. Snijder, beiden in dienst van SNN, met terugwerkende kracht tot 1 augustus 2019 heeft gemachtigd tot het instellen van hoger beroep en het optreden als gemachtigde in de hogerberoepsprocedure.

4.2.    SNN is ingesteld bij de gemeenschappelijke regeling SNN die op grond van artikel 40 van de Wet gemeenschappelijke regelingen is getroffen door de colleges van gedeputeerde staten van Drenthe, Fryslân en Groningen. Uit oogpunt van doelmatig bestuur hebben de colleges bevoegdheden overgedragen aan het dagelijks bestuur van SNN. Volgens artikel 2, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3, onder q en r, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging samenwerkingsverband SNN van 5 april 2019, dat terugwerkt tot 1 januari 2019, (hierna: het mandaatbesluit) is aan het dagelijks bestuur mandaat verleend tot het nemen van besluiten tot het instellen van een hoger beroepsprocedure en het optreden als gemachtigde in onder meer bestuursrechtelijke hoger beroepsprocedures, waaronder begrepen het opstellen, ondertekenen en indienen van processtukken en het optreden als gemachtigde ter zitting. Het dagelijks bestuur is bij het mandaatbesluit de bevoegdheid verleend om ten aanzien van de taken en bevoegdheden die bij dit besluit zijn opgedragen ondermandaat te verlenen.

4.3.    Gelet op de onder 4.2 vermelde regelingen, is voor het instellen van hoger beroep een rechtsgeldig besluit daartoe van het dagelijks bestuur vereist, tenzij het dagelijks bestuur de bevoegdheid tot het instellen van hoger beroep heeft gemandateerd. Dat mandaat kan weer worden ondergemandateerd. Ter zitting is desgevraagd bevestigd dat het dagelijks bestuur geen schriftelijk besluit heeft genomen tot het instellen van het hoger beroep. Anders dan uit de uitspraak van de Afdeling van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1104, volgt, leidt het ontbreken van een binnen de beroepstermijn genomen procesbesluit niet per definitie tot niet-ontvankelijkverklaring van het ingestelde beroep. Van belang is dat in de procedure komt vast te staan dat het bestuursorgaan instemt met het instellen van het hoger beroep. Een procesbesluit kan daarmee ook na het verstrijken van de hogerberoepstermijn worden overgelegd. Het dagelijks bestuur is op grond hiervan in de gelegenheid gesteld alsnog een rechtsgeldig procesbesluit over te leggen.

4.4.    Het dagelijks bestuur heeft in zijn reactie gewezen op het Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging samenwerkingsverband SNN van 26 november 2019, dat terugwerkt tot 1 januari 2019 (hierna: het ondermandaatbesluit). Daarin heeft het dagelijks bestuur bepaalde taken ondergemandateerd. Op grond van artikel 4, van het ondermandaatbesluit is de directeur bevoegd tot het aanwijzen van personen werkzaam bij SNN tot het nemen van besluiten tot het instellen van een (hoger) beroepsprocedure en het optreden als gemachtigde in bestuursrechtelijke (hoger)beroepsprocedures, als bedoeld in artikel 3 sub q en r van het mandaatbesluit. Hieruit en uit het document van 20 mei 2020, waarin de directeur mevrouw Y. Snijder heeft gemachtigd tot het instellen van hoger beroep, volgt dat bevoegdelijk namens het dagelijks bestuur hoger beroep is ingesteld. Een procesbesluit is daarnaast niet meer nodig.

4.5.    Het hoger beroep van het dagelijks bestuur is gelet hierop ontvankelijk.

Bedient SP&S een specifiek eigen markt?

5.       Het dagelijks bestuur voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat D-Tag en SP&S zich op dezelfde afzetmarkt voor onderhoud aan jet cookers begeven. Volgens het dagelijks bestuur is subsidie aangevraagd voor een onderneming die zich zou bezighouden met groothandelsactiviteiten. Achteraf is gebleken dat SP&S zich bezighoudt met onderhoudswerkzaamheden aan jet cookers. Om te bepalen of sprake is van een specifiek eigen markt is het van belang dat de aanvrager een eigen product heeft, er geen sprake is van overlap in de klantenkring en er sprake is van verschil in activiteiten die de ondernemingen uitvoeren. D-Tag en SP&S bedienen weliswaar andere klanten, maar zij bedienen beide een deel van dezelfde markt voor onderhoud aan jet cookers. Dat er verschillen zijn in bijvoorbeeld specifieke vereisten/modificaties in jet cookers, betekent niet dat er sprake is van verschillende markten. Gelet hierop, is niet aannemelijk gemaakt dat SP&S een specifiek eigen markt bedient ten opzichte van (voorheen) haar zusteronderneming D-Tag. Daarom is geen sprake van een vestigingsproject in de zin van artikel 1, aanhef en onder f, van de IPR 2008, aldus het dagelijks bestuur.

5.1.    Uit de door [wederpartij] nader ingediende stukken en het verhandelde ter zitting van de Afdeling is gebleken dat D-Tag complete jet cookers voor Avebe produceerde en hieraan alleen onderhoud verrichtte voor klanten wanneer dat in het kader van de garantie van het geleverde product nodig was. Verder is genoegzaam gebleken dat SP&S machineonderdelen ontwikkelt en levert zoals de jet (een warmtewisselaar), die niet alleen worden gebruikt voor jet cookers, maar ook voor andere machines. [wederpartij] heeft toegelicht dat SP&S de jet zo heeft ontwikkeld dat deze kan worden gebruikt voor andere toepassingen. Daarnaast verricht SP&S onderhoud aan alle verschillende machineonderdelen die zij ontwikkelt en levert. Dit betekent dat D-Tag en SP&S verschillende kernactiviteiten verrichten. Het dagelijks bestuur kan niet worden gevolgd in zijn standpunt dat D-Tag en SP&S zich op dezelfde afzetmarkt voor onderhoud aan jet cookers begeven. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het dagelijks bestuur onvoldoende heeft gemotiveerd waarom SP&S geen specifiek eigen markt bedient.

5.2.    Het betoog van het dagelijks bestuur faalt.

Subsidiabele kosten

6.       Het dagelijks bestuur betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het resterende bedrag aan subsidiabele kosten kan worden vastgesteld. Op het totale gedeclareerde bedrag van € 697.218,00 dienen volgens het dagelijks bestuur vier correcties te worden toegepast. Correcties 1 en 2 houden verband met buiten gebruikstelling van vloeroppervlakte. Volgens het dagelijks bestuur heeft de rechtbank miskend dat de correctie voor buiten gebruik gestelde duurzame bedrijfsuitrusting uiteenvalt in een niet nader te bepalen correctie voor buitengebruikstelling van duurzame bedrijfsuitrusting door verkoop aan [bedrijf] (correctie 3) en een correctie voor indirecte overheveling van duurzame bedrijfsuitrusting binnen de groep (correctie 4). Ondanks herhaalde verzoeken hiertoe, heeft [wederpartij] geen stukken overgelegd die aantonen wat de boekwaarde is van de duurzame bedrijfsuitrusting die door D-Tag aan [bedrijf] is verkocht. Daarom kan niet worden vastgesteld hoeveel duurzame bedrijfsuitrusting door deze verkoop buiten gebruik is gesteld. Na de verkoop van duurzame bedrijfsuitrusting door D-Tag aan [bedrijf], heeft SP&S duurzame bedrijfsuitrusting teruggekocht van [bedrijf]. Daardoor is duurzame bedrijfsuitrusting binnen dezelfde groep van de ene onderneming (D-Tag) in de groep indirect (via [bedrijf]) overgeheveld naar een andere onderneming (SP&S). De hoogte van deze correctie bedraagt € 65.280,00.

Omdat de correctie verband houdend met de verkoop van duurzame bedrijfsuitrusting door D-Tag aan [bedrijf] niet bekend is, kan niet worden bepaald hoeveel subsidiabele kosten nog resteren. Niet kan worden vastgesteld dat is voldaan aan het vereiste dat is voldaan aan de eis dat de subsidiabele kosten ten minste € 500.000,00 dienen te bedragen. Dit betekent dat ook op deze grond de verleningsbeschikking terecht is ingetrokken, aldus het dagelijks bestuur.

6.1.    [wederpartij] heeft voor investeringen in bedrijfsgebouwen een bedrag van € 594.076,00 gedeclareerd. Voor investeringen in duurzame bedrijfsuitrusting heeft [wederpartij] een bedrag van € 103,142,00 gedeclareerd. Totaal is dus door [wederpartij] een bedrag van € 697.218,00 gedeclareerd. Gedurende de realisatieperiode van het project is binnen de groep waarvan SP&S deel uitmaakt duurzame bedrijfsuitrusting en vloeroppervlakte buiten gebruik gesteld. Daarom dient een correctie op de investeringen in bedrijfsgebouwen en duurzame bedrijfsuitrusting te worden doorgevoerd.

De Afdeling stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat op het totale door [wederpartij] gedeclareerde bedrag een correctie in verband met buiten gebruikstellen van bedrijfsruimte in Foxhol van € 17.282,00 (correctie 1) en een correctie in verband met buiten gebruikstellen van de eerste etage van het bedrijfspand waarin SP&S is gevestigd van € 81.010,00 (correctie 2) dient plaats te vinden. Daarmee resteert een bedrag van € 598.926,00 aan subsidiabele kosten.

Verder is niet in geschil dat gedurende de realisatieperiode van het project binnen de [wederpartij]-groep duurzame bedrijfsuitrusting buiten gebruik is gesteld door verkoop daarvan van D-Tag aan [bedrijf]. [wederpartij] heeft desgevraagd niet genoegzaam kunnen aantonen wat de boekwaarde van deze duurzame bedrijfsuitrusting is geweest. [wederpartij] heeft vervolgens duurzame bedrijfsuitrusting gekocht van [bedrijf]. [wederpartij] heeft niet aannemelijk kunnen maken dat [bedrijf] de aan [wederpartij] verkochte duurzame bedrijfsuitrusting - deels - zelf van een derde heeft gekocht. Niet is uit te sluiten dat dit (deels) duurzame bedrijfsuitrusting betreft die eerder door verkoop daarvan van D-Tag aan [bedrijf] buiten gebruik is gesteld. Het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat uitgangspunt van de subsidieverlening is dat gesubsidieerde investeringen per saldo een vergroting van de productiecapaciteit tot gevolg hebben. Het is niet mogelijk subsidie te krijgen voor activa die eerst zijn verkocht aan derden en daarna worden teruggekocht. Om discussies te voorkomen zijn partijen overeengekomen het gehele bedrag van € 65.280,00 dat [wederpartij] heeft opgevoerd voor de investering die is gedaan door aankoop van duurzame bedrijfsuitrusting van [bedrijf] buiten beschouwing te laten. Niet valt in te zien waarom met dit bedrag niet tevens de buitengebruikstelling van duurzame bedrijfsuitrusting door verkoop van D-Tag aan [bedrijf] is gecorrigeerd. Het dagelijks bestuur stelt zich immers op het standpunt dat door verkoop en terugkoop duurzame bedrijfsuitrusting binnen de groep van de ene onderneming via een derde is overgeheveld naar de andere onderneming. De door het dagelijks bestuur genoemde correcties 3 en 4 hangen dus samen. De redenering van het dagelijks bestuur komt erop neer dat een correctie dient te wordt uitgevoerd wegens de buitengebruikstelling van duurzame bedrijfsuitrusting door verkoop aan [bedrijf] terwijl ook de investeringen wegens de aankoop van duurzame bedrijfsuitrusting van [bedrijf] in het geheel buiten beschouwing worden gelaten. In het licht van artikel 9 van de regeling valt niet in te zien waarom het bedrag dat in aanmerking wordt genomen voor correctie 4 niet ook voor correctie 3 geldt. Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur onvoldoende heeft gemotiveerd dat de subsidiabele kosten lager zijn dan € 500.000,00.

6.2.    Het betoog van het dagelijks bestuur faalt.

Conclusie ten aanzien van het hoger beroep van SNN

6.3.    Het hoger beroep van het dagelijks bestuur is ongegrond.

Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep [wederpartij]

7.       [wederpartij] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van het dagelijks bestuur gegrond is. Nu aan die voorwaarde niet is voldaan, is het incidenteel hoger beroep vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan wordt niet toegekomen.

Tussenconclusie

8.       De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Beoordeling van rechtswege beroep

9.       Bij besluit van 17 september 2019 is het bezwaar van [wederpartij] opnieuw ongegrond verklaard. De verleningsbeschikking is dan ook terecht ingetrokken, aldus het dagelijks bestuur. Het besluit van 17 september 2019 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De Afdeling zal vervolgens het van rechtswege beroep van [wederpartij] tegen dit besluit beoordelen.

9.1.    [wederpartij] betoogt dat het dagelijks bestuur bij het nemen van het besluit van 17 september 2019 de uitspraak van de rechtbank niet in acht heeft genomen. [wederpartij] voert hiertoe aan dat uit dit besluit blijkt dat het dagelijks bestuur zich zonder een inhoudelijk nieuwe motivering nog steeds op het standpunt stelt dat SP&S geen eigen specifieke markt bedient. Verder voert [wederpartij] aan dat het dagelijks bestuur ten aanzien van de subsidiabele kosten heeft miskend dat de post buitengebruikstelling van de duurzame bedrijfsuitrusting door verkoop van D-Tag aan [bedrijf] is betrokken in de post ‘correctie investeringen in verband met overheveling DBU binnen de groep’.

9.2.    Hetgeen het dagelijks bestuur aan het nieuwe besluit ten grondslag heeft gelegd, komt grotendeels overeen met de gronden die hij in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank heeft aangevoerd en waarover de Afdeling hiervoor in 5.1 en 6.1 heeft beslist. Het besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking.

Eindconclusie

10.     Het beroep is gegrond. Het besluit van 17 september 2019 komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking. Het dagelijks bestuur dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het dagelijks bestuur te nemen nieuwe besluit op het bezwaar slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

11.     Het dagelijks bestuur dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       verklaart het beroep van [wederpartij] en Spare Parts & Services B.V. tegen het besluit van 17 september 2019 gegrond;

III.      vernietigt het besluit van 17 september 2019;

IV.     bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

V.      veroordeelt het dagelijks bestuur van Samenwerkingsverband Noord-Nederland tot vergoeding van bij [wederpartij] en Spare Parts & Services B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.335,00 (zegge: dertienhonderdvijfendertig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.     bepaalt dat van het dagelijks bestuur van Samenwerkingsverband Noord-Nederland een griffierecht van € 519,00 (zegge: vijfhonderdnegentien euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2021

343-902.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 4:50

1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld kan het bestuursorgaan de subsidieverlening met inachtneming van een redelijke termijn intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger wijzigen:

a. voor zover de subsidieverlening onjuist is;

(…)

Artikel 6:19:

1. Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

(…)

Wet gemeenschappelijke regelingen

Artikel 40

1.

Provinciale staten, gedeputeerde staten en de commissarissen van de Koning van twee of meer provincies kunnen afzonderlijk of tezamen, ieder voor zover zij voor de eigen provincie bevoegd zijn, een gemeenschappelijke regeling treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van die provincies.

Besluit mandaat, volmacht en machtiging samenwerkingsverband SNN

Artikel 2 Mandaat en machtiging

1. Aan het Dagelijks Bestuur van het SNN (hierna: DB-SNN) wordt voor de taken en bevoegdheden genoemd in artikel 3 van dit besluit, met inbegrip van de ondertekening van stukken, mandaat, volmacht en machtiging verleend, voor zover de bevoegde bestuursorganen, met toepassing van artikel 5, tweede lid, van de GR SNN, gelijkluidende subsidieregelingen hebben vastgesteld.

(…)

3. Het DB-SNN is bevoegd ten aanzien van de taken en bevoegdheden die bij dit besluit zijn opgedragen ondermandaat te verlenen. Deze besluiten worden schriftelijk genomen. Dit besluit is hierop van overeenkomstige toepassing.

(…)

Artikel 3 Omvang van het mandaat

Het mandaat strekt zich uit over de navolgende taken en bevoegdheden:

(…)

Rechtsbescherming:

(…)

q. het nemen van besluiten tot het instellen van een (hoger)beroepsprocedure (procesbesluit);

r. het optreden als gemachtigde in bestuursrechtelijke bezwaar- en (hoger)beroepsprocedures, waaronder begrepen het opstellen, ondertekenen en indienen van processtukken en het optreden als gemachtigde ter zitting.

Artikel 7 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking in het Provinciaal Blad en werkt terug tot en met 1 januari 2019.

Besluit ondermandaat, volmacht en machtiging samenwerkingsverband SNN

Artikel 4 Ondermandaat directeur

De directeur kan personen werkzaam bij het SNN aanwijzen tot het nemen van besluiten tot het instellen van een (hoger) beroepsprocedure (procesbesluit) en het optreden als gemachtigde in bestuursrechtelijke bezwaar- en (hoger) beroepsprocedures, waaronder begrepen het opstellen, ondertekenen en indienen van processtukken en het optreden als gemachtigde ter zitting als bedoeld in artikel 3 sub q en r van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Samenwerkingsverband SNN.

Artikel 8 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking in het Blad Gemeenschappelijke Regelingen en werkt terug tot en met 1 januari 2019.

Investeringspremieregeling Noord-Nederland 2008

Artikel 1:

In deze verordening wordt verstaan onder:

b.   onderneming: duurzame organisatie die er op is gericht met behulp van kapitaal en arbeid deel te nemen aan het maatschappelijk productie- of  handelsproces met het oogmerk om winst te behalen, waarbij het behalen van winst ook redelijkerwijs verwacht wordt. (…) In geval deze duurzame organisatie deel uit maakt van een groep, dient deze ten opzichte van andere groepsonderdelen binnen de provincies Fryslân, Groningen en Drenthe in ieder geval:

-        organisatorische en bedrijfsmatige zelfstandigheid te bezitten;

-        een profit centre te zijn;

-        een specifiek eigen markt te bedienen;

(…)

f. vestigingsproject: project inhoudende het stichten van een stuwende onderneming, (…)

Artikel 3:

Voor subsidie komen in aanmerking investeringsprojecten ter vestiging of uitbreiding van een stuwende onderneming.

Artikel 4:

1.   Subsidie kan worden verleend aan een onderneming die:

a.   een vestigingsproject of

b.   een uitbreidingsproject uitvoert in de gebieden in de provincies Fryslân, Groningen of Drenthe die in de bijlage nader zijn aangegeven.

(…)

Artikel 9:

1.   De subsidiabele kosten worden rechtevenredig verlaagd, indien gedurende het tijdvak tussen 1 jaar voor de ontvangst van de aanvraag en 1 jaar na de ontvangst van de aanvraag tot vaststelling van de subsidie binnen de onderneming van de subsidieontvanger of binnen de groep waartoe die onderneming behoort, materiële en immateriële activa buiten gebruik zijn of worden gesteld of arbeidsplaatsen zijn of komen te vervallen.

4.   De in het eerste lid bedoelde verlaging wordt bij bedrijfsgebouwen berekend op basis van de vloeroppervlakte en bij duurzame bedrijfsuitrusting op basis van de capaciteit die wordt verkocht dan wel buiten gebruik wordt gesteld, in verhouding tot de vloeroppervlakte respectievelijk de capaciteit die door de uitvoering van het project wordt verworven dan wel tot stand wordt gebracht.

Artikel 17:

De subsidie kan onverminderd het bepaalde in de artikelen 4:48 en 4:50 van de Algemene wet bestuursrecht worden ingetrokken of ten nadele van de subsidieontvanger worden gewijzigd, indien:

a.   het project niet voldoet aan de voorschriften van deze regeling of de subsidieontvanger handelt in strijd met die voorschriften; of

b.   het project niet in overeenstemming is met het doel van deze regeling.

Artikel 18:

Onverminderd het bepaalde in artikel 16 wordt een subsidieaanvraag ten behoeve van een vestigingsproject geweigerd en een verleende subsidie ingetrokken, indien:

a.   de subsidiabele kosten minder dan € 500.000,-- bedragen;

(…)