Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:561

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
202000284/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 augustus 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 19 augustus 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld en medegedeeld de kosten daarvan op [appellant] te verhalen. Op 19 augustus 2019 heeft een toezichthouder een doos aangetroffen naast een ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de woning Zonneoord 6 in Den Haag. De toezichthouder heeft spoedeisende bestuursdwang toegepast door de doos te verwijderen. Bij besluit van 22 augustus 2019 heeft het college de beslissing om die bestuursdwang toe te passen op schrift gesteld. Met een brief van 22 oktober 2019 heeft het college [appellant] aangemaand de kosten van de verwijdering van de doos te betalen. Op 29 oktober 2019 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 22 augustus 2019.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000284/1/R4.

Datum uitspraak: 17 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Zoetermeer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 augustus 2019 heeft het college zijn beslissing om op 19 augustus 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld en medegedeeld de kosten daarvan op [appellant] te verhalen.

Bij besluit van 10 december 2019 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nader stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2020, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Imazouine, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op 19 augustus 2019 heeft een toezichthouder een doos aangetroffen naast een ondergrondse afvalcontainer ter hoogte van de woning Zonneoord 6 in Den Haag. De toezichthouder heeft spoedeisende bestuursdwang toegepast door de doos te verwijderen. Bij besluit van 22 augustus 2019 heeft het college de beslissing om die bestuursdwang toe te passen op schrift gesteld. Met een brief van 22 oktober 2019 heeft het college [appellant] aangemaand de kosten van de verwijdering van de doos te betalen.

Op 29 oktober 2019 heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het besluit van het college van 22 augustus 2019. Bij besluit van 10 december 2019 heeft het college het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift volgens hem te laat is ingediend. [appellant] is het daar niet mee eens.

Inhoudelijke gronden

2.       [appellant] heeft gronden naar voren gebracht die erop neerkomen dat het college zich volgens hem ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij de aangetroffen doos naast de ondergrondse container heeft gezet. Deze inhoudelijke gronden richten zich niet tegen het besluit op bezwaar. Dat besluit strekt slechts tot het niet-ontvankelijk verklaren van zijn bezwaar. Het college is aan een inhoudelijke beoordeling van zijn bezwaar niet toegekomen. De gronden kunnen daarom niet leiden tot het oordeel dat het besluit op bezwaar niet in stand kan blijven.

De betogen slagen niet.

Ontvankelijkheid bezwaar

3.       [appellant] betoogt dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij vindt dat hij op tijd bezwaar heeft gemaakt. Hij voert daartoe aan dat het college het besluit naar een onjuist adres heeft gestuurd. Hij stelt dat op het besluit weliswaar de straatnaam, het huisnummer en de postcode van zijn woning vermeld staan, maar dat als woonplaats ten onrechte niet Zoetermeer, maar Den Haag is vermeld.

[appellant] betoogt, onder verwijzing naar twee getuigenverklaringen, verder dat een ambtenaar van de debiteurenadministratie op 29 oktober 2019 heeft toegezegd dat de bezwaartermijn zou worden verlengd.

4.       Artikel 3:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt:

"De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager."

Artikel 3:40 luidt:

"Het besluit treedt niet in werking voordat het is bekendgemaakt."

Artikel 3.41, eerste lid, luidt:

"De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager."

Artikel 6:7 luidt:

"De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken."

Artikel 6:8, eerste lid, luidt:

"De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt."

Artikel 6:11 luidt:

"Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

4.1.    [appellant] heeft op de zitting betwist het besluit te hebben ontvangen. Hij stelt dat hij naar aanleiding van de aanmaning van 22 oktober 2019 bezwaar heeft gemaakt. Vast staat dat het college het besluit niet per aangetekende post heeft verstuurd.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1178), is het, indien de geadresseerde stelt dat hij een niet aangetekend verzonden besluit niet heeft ontvangen, in beginsel aan het bestuursorgaan om aannemelijk te maken dat het besluit wel op het adres van de geadresseerde is ontvangen. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt echter het vermoeden van ontvangst van het besluit op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken.       

4.2.    Het college stelt zich op het standpunt dat het besluit van 22 augustus 2019 op 23 augustus 2019 naar het woonadres van [appellant] in Zoetermeer is verstuurd.         [appellant] heeft in zijn bezwaarschrift melding gemaakt van de onjuiste adressering van het besluit. Bij zijn beroepschrift heeft hij een besluit gevoegd dat weliswaar aan hem is gericht, maar waarop bij de adressering als woonplaats Den Haag is vermeld. Het college heeft in beroep een besluit ingebracht, waarop als woonplaats Zoetermeer is vermeld. Dat besluit is voorzien van een stempel "verzonden op 22 augustus 2019".

Als op het besluit al het juiste adres van [appellant] was vermeld, wat de Afdeling in het midden laat, dan heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat [appellant] het besluit heeft ontvangen. Het college heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat het besluit daadwerkelijk is verstuurd alleen een print van een beeldschermopname van een facturatielijst ingebracht. Die print ziet echter op een factuur en heeft geen betrekking op de verzending van het besluit. Vast staat dat de factuur en het besluit apart zijn verstuurd. Met die print is niet gebleken van een deugdelijke administratie van de verzending van het besluit.       

Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat als de bezwaartermijn al zou zijn gestart op 23 augustus 2019, [appellant] door eerst op 29 oktober 2019 bezwaar te maken niet kan worden geacht in verzuim te zijn geweest. Het college heeft daarom ten onrechte het bezwaar vanwege het moment waarop het is ingediend, niet-ontvankelijk verklaard. De grond over de beweerdelijke gedane toezegging door een medewerkster behoeft in verband hiermee geen bespreking.

Het betoog slaagt.

5.       Het beroep is gegrond. Het besluit van 10 december 2019 dient te worden vernietigd. Dat betekent dat het college opnieuw op het bezwaar van [appellant] dient te beslissen.

6.       Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep gegrond;

II.       vernietigt het besluit op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van den Haag van 10 december 2019, kenmerk B.4.19.4158.001/BZW0000013225;

III.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.     gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] het door hem voor het beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 48,00 (zegge: achtenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2021

163-947.