Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:560

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
201908114/1/R2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 september 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal aan [vergunninghouder] opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van enkele bouwwerken ten behoeve van een dierenweide op het perceel locatie 1] te Oldenzaal. Met het besluit heeft het college gevolg gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 in zaak nr. 201807707/1/A1 (ECLI:NL:RVS:2019:2852). In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat uit de artikelen 3.1 en 3.2.1 van de regels van het bestemmingsplan "Terrein Hogt", in onderlinge samenhang bezien, volgt dat voor zover het gaat om gebouwen, op de dierenweide slechts schuilhokken en nachtverblijven zijn toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908114/1/R2.

Datum uitspraak: 17 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Oldenzaal,

en

het college van burgemeester en wethouders van Oldenzaal,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2019 heeft het college aan [vergunninghouder] opnieuw een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van enkele bouwwerken ten behoeve van een dierenweide op het perceel locatie 1] te Oldenzaal (hierna: het perceel).

Tegen dit besluit hebben [appellant en anderen] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]) beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2020, waar appellant], bijgestaan door mr. M.J.M.G. van Gerwen, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door S.A. Vrielink, vergezeld door M. Oude Elferink, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Met het besluit van 27 september 2019 heeft het college gevolg gegeven aan de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019 in zaak nr. 201807707/1/A1 (ECLI:NL:RVS:2019:2852). In die uitspraak heeft de Afdeling onder meer geoordeeld dat uit de artikelen 3.1 en 3.2.1 van de regels van het bestemmingsplan "Terrein Hogt", in onderlinge samenhang bezien, volgt dat voor zover het gaat om gebouwen, op de dierenweide slechts schuilhokken en nachtverblijven zijn toegestaan.

De conclusie die daaruit volgde, is dat de opslaggebouwen op de bij het besluit behorende situatietekening aangeduid met de nummers 9, 9a en 10, en de mestcontainer, aangeduid met nummer 27, waarvoor de in die procedure centraal staande omgevingsvergunning van 21 november 2018 mede was verleend, in zoverre niet in overeenstemming waren met het bestemmingsplan.

Bij het besluit van 27 september 2019 heeft het college voor de bouwwerken 9, 9a, 10 en 27 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en het afwijken van het bestemmingsplan. Daarvoor heeft het college de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en onder c, en artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en eerste lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor), toegepast.

Tegen dit besluit kon [appellant], wegens het toepassen door de Afdeling van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), slechts bij de Afdeling beroep instellen. Dat heeft hij tijdig gedaan.

2.       Het wettelijk kader is vermeld in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Ontvankelijkheid

3.       Het college betoogt dat [appellant] en [appellant A] niet als belanghebbenden bij het besluit van 27 september 2019 zijn aan te merken. Het college voert daartoe aan dat zij volgens kadastrale informatie geen eigenaar meer zijn van de gronden die direct grenzen aan restaurant en [dierenweide]. Die gronden, met de kadastrale nummers […] en […], zijn in eigendom overgedragen aan de kinderen [appellant].

Gelet op de afstand tussen het gedeelte van het perceel dat nog wel eigendom is van [appellant] en [appellant A] en de met het besluit vergunde bebouwing en omdat het zicht ontbreekt vanaf dat gedeelte van het perceel op die bebouwing door een opgerichte aarden wal, stelt het college zich op het standpunt dat [appellant] en [appellant A] geen persoonlijk belang bij het besluit hebben.

3.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid.

Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

3.2.    Niet in geschil is dat [appellant] en [appellant A] onveranderd eigenaar zijn van het naast [dierenweide] gelegen naburige perceel, met daarop de woningen [locatie 2] en [locatie 3] en zij daar ook wonen. Dat twee kadastrale gedeelten van de desbetreffende gronden met de nummers […] en […] aan hun kinderen in eigendom zouden zijn overgedragen maakt, wat daarvan zij, niet dat zij daardoor geen feitelijke gevolgen van enige betekenis meer van de met het besluit toegestane activiteiten zullen ondervinden. Deze kadastrale percelen waren voorheen feitelijk bij [appellant] senior en [appellant A] in gebruik als tuin en zijn dat, zoals ter zitting is bevestigd, nog steeds. Ook de omstandigheid dat door een inmiddels gerealiseerde aarden wal wellicht minder zicht op [dierenweide] bestaat, heeft niet tot gevolg dat zij geen feitelijke gevolgen van enige betekenis van hetgeen het besluit toestaat ondervinden. Het betoog faalt.

De gronden van beroep

4.       [appellant] betoogt dat het college de vergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan ten onrechte met toepassing van artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Bor heeft verleend. Hij voert aan dat de opslaggebouwen en de mestcontainer niet kunnen worden aangemerkt als  bijbehorende bouwwerken als bedoeld in die bepaling, omdat op de dierenweide geen hoofdgebouw aanwezig is. Volgens hem kan van de aanwezige schuilhokken en nachtverblijven niet worden bepaald welke daarvan gelet op de bestemming als dierenweide het belangrijkst is. Ook het bestemmingsplan geeft daar geen aanwijzing voor.

Voor het geval dit betoog niet wordt gevolgd, betoogt [appellant] dat de opslaggebouwen en de mestcontainer ook dan niet als bijbehorende bouwwerken zijn aan te merken, omdat geen functionele verbondenheid bestaat tussen die gebouwen enerzijds en de schuilhokken en nachtverblijven op de dierenweide anderzijds.

4.1.    Ter beoordeling van de vraag of op de dierenweide een hoofdgebouw aanwezig is, is blijkens artikel 1, eerste lid, van Bijlage II van het Bor bepalend of zich op de dierenweide een gebouw bevindt dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de bestemming "Groen" met de aanduiding 'specifieke vorm van groen - dierenweide' en, nu meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de gebouwen in de vorm van schuilhokken en nachtverblijven die reeds op de gronden met de bestemming "Groen" met de aanduiding ’specifieke vorm van groen - dierenweide’ aanwezig zijn volgens de omgevingsvergunning van

21 november 2018, noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van die bestemming. Daarvan is volgens het college het gebouw op de situatietekening genummerd 15, als het belangrijkste aan te merken. Daarbij heeft het college in aanmerking genomen dat dat gebouw, samen met de gebouwen 1 en 11 de grootste oppervlakte - 30 m² - en hoogte - 2,90 m - heeft. Omdat gebouw 15 het dichtst bij het restaurant en het terras en bij het openbare gebied is gelegen, is dit het belangrijkste gebouw en dus het hoofdgebouw op de gronden, aldus het college.

4.2.    De Afdeling volgt dit standpunt van het college. In artikel 3.2.1 van de planregels wordt de mogelijkheid van het bouwen van gebouwen ten behoeve van de bestemming "Groen", met de aanduiding ‘specifieke vorm van groen-dierenweide’ toegestaan en aan die bestemming gekoppeld. Het college stelt daarom terecht dat de gebouwen die reeds aanwezig zijn conform de omgevingsvergunning van 21 november 2018, noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van die bestemming. Ook de argumenten die het college geeft om gebouw nummer 15 als het hoofdgebouw te beschouwen, volgt de Afdeling. Dit gebouw is gelet op de omvang en de ligging het meest in het oog springende gebouw op de dierenweide.

Anders dan [appellant] betoogt, bestaat voorts een functionele verbondenheid tussen de schuilhokken en nachtverblijven op de dierenweide, waaronder gebouw nummer 15, enerzijds en de opslaggebouwen en de mestcontainer anderzijds, omdat laatstgenoemde gebouwen functies vervullen ten behoeve van de eerstgenoemde. Ter zitting is daarover onweersproken gesteld dat de opslaggebouwen dienen ten behoeve van materialen voor onderhoud en beheer en voer voor de dieren. Het gebouw ten behoeve van mestopslag heeft eveneens een duidelijke ondersteunende functie voor de schuilhokken en de nachtverblijven op de dierenweide, waaronder gebouw nummer 15.

Het college heeft de omgevingsvergunning dus met toepassing van de juiste wettelijke grondslag verleend.

Het betoog faalt.

5.       [appellant] betoogt verder dat het standpunt van het college in het besluit, dat de te realiseren gebouwen geen afbreuk doen aan het landschapsplan, niet is onderbouwd en niet juist is. Volgens dit landschapsplan moet de dierenweide een ‘open groen gebied met groepen opgaand geboomte’ zijn. Volgens [appellant] is in het landschapsplan een landschappelijk inpassingsplan en een beplantingsplan voor de dierenweide uitgewerkt waar [vergunninghouder] zich niet aan houdt, hoewel hij zich daartoe volgens [appellant] zowel via de met de gemeente gesloten exploitatieovereenkomst als via de akte van levering inzake het Terrein Hogt, heeft verplicht. Dat de gebouwen op de dierenweide conform het landschapsplan moeten worden opgericht, is volgens [appellant] tevens via een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan geregeld. Het college dwingt de uitvoering ten onrechte niet af, nu met de huidige vergunning wordt toegestaan dat in strijd met het landschapsplan nog meer bebouwing aan de dierenweide wordt toegevoegd.

5.1.    Het landschapsplan waar [appellant] naar verwijst en dat als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan behoort, gaat niet over de stalruimte in de dierenweide. Voor zover het landschapsplan de zogenoemde groene zone betreft, waartoe de dierenweide behoort, bevat het wel een viertal concrete beplantingsplannen, te weten ‘beplantingen rond het erf’, ‘beplantingen achtertuinen bewoners Schipleidelaan en relatie erf’, ‘beplantingen heer [appellant]’ en ‘beplanting (pannenkoeken)restaurant’. Onderdeel van de beplantingsplannen ‘beplantingen achtertuinen bewoners Schipleidelaan en relatie erf’ en ‘beplantingen heer [appellant]’ is, dat aan de tuinzijde van de woningen aan de Schipleidelaan, wordt voorzien in een groene inpassing met zogenoemde houtsingels. De specifieke invulling daarvan is in overleg met de betrokken bewoners, waaronder [appellant], tot stand gekomen. Om zeker te stellen dat de houtsingels dienovereenkomstig zullen worden aangelegd en in stand gehouden, bevat artikel 9.3 van de planregels daartoe een voorwaardelijke verplichting.

De tekeningen in het landschapsplan die de genoemde beplantingsplannen weergeven, bevatten concrete aantallen bomen en struiken voor de diverse locaties op en rond de dierenweide en zijn in die zin normerend voor de groene invulling van de dierenweide. Op deze tekeningen staat ook willekeurig enige stalruimte ingetekend, maar daarvoor zijn deze tekeningen slechts indicatief. Met het landschapsplan is immers niet beoogd het bouwen van gebouwen op de dierenweide te regelen. Het bestemmingsplan zelf bevat de regeling daarvoor, waarbij geen relatie is gelegd met het landschapsplan. De realisering van stalruimte op de dierenweide hoeft dus niet in overeenstemming te zijn met de op het landschapsplan ingetekende bebouwing. Hetgeen [appellant] heeft gesteld over de exploitatieovereenkomst en de akte van levering leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan [appellant] heeft betoogd, bevat het bestemmingsplan ook geen voorwaardelijke verplichting die stelt dat de gebouwen op de dierenweide conform de indicatieve tekeningen in het landschapsplan worden opgericht.    

Mede omdat, naar het college onweersproken heeft gesteld, ook na realisering van de thans vergunde gebouwen, nog altijd meer dan 90% van de gronden met de bestemming "Groen" bestaat uit grasland, boomgroepen, beplanting en waterpartijen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het verlenen van de omgevingsvergunning geen afbreuk doet aan het landschapsplan, waarin meer in het algemeen wordt vermeld dat ‘de groene zone een transparant groen gebied met groepen opgaand geboomte in de dierenweide’ zal zijn.

Het betoog faalt.

6.       [appellant] betoogt voorts dat het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen, omdat het college bij het nemen daarvan onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen. Volgens hem had, bij een deugdelijke belangenafweging, niet gekozen kunnen worden voor de locatie van de mestcontainer in de nabijheid van de grens met zijn perceel. Niet valt in te zien waarom niet voor een andere locatie op het perceel is gekozen, waardoor hij minder overlast zal ondervinden.

6.1.    Het college dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Voor de daarin aangegeven situatie moet worden beoordeeld of die in overeenstemming kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening.

De reden waarom de mestcontainer op de locatie nabij de Oude Almeloseweg is voorzien, is volgens het college dat deze frequent moet worden geleegd met behulp van een vrachtwagen. De betrokken locatie is daarvoor geschikt omdat daar een uitweg is. Verder heeft deze locatie de voorkeur, omdat de vrachtwagen dan het terrein niet ver hoeft op te rijden.

Volgens het college staat de locatie van de mestcontainer voorts niet aan het behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat op het perceel van [appellant] aan de [locatie 2] in de weg. Volgens de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" geldt voor het aspect geur een richtafstand van 50 meter, waar het gaat om een mestopslag. De feitelijke afstand tussen de mestopslag en het maatgevende punt op het perceel [locatie 2] bedraagt 95 meter. Daarom blijft er volgens het college op het perceel van [appellant] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat behouden en worden de belangen van [appellant] niet onevenredig geschaad.

6.2.    De Afdeling volgt ook dit standpunt van het college. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [appellant] de door het college genoemde afstanden niet heeft betwist en evenmin heeft gemotiveerd waarom hij desalniettemin onevenredige overlast ondervindt van de gesloten mestopslag. Het betoog faalt.

Conclusie

7.       Het beroep is ongegrond.

8.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2021

641.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:113, tweede lid:

Indien de uitspraak van de hogerberoepsrechter ertoe strekt dat het bestuursorgaan een nieuw besluit neemt, kan de uitspraak tevens inhouden dat beroep tegen dat besluit slechts kan worden ingesteld bij de hogerberoepsrechter.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1, eerste lid:

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. (…);

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…);

Artikel 2.12, eerste lid:

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Besluit omgevingsrecht

Artikel 2.7:

Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet worden aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II.

Artikel 1, eerste lid, van Bijlage II:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

- bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

- hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

Artikel 4, aanhef en onder 1, van Bijlage II:

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, (…);

Bestemmingsplan "Terrein Hogt"

Artikel 3.1:

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. t/m e. (…);

f. groenvoorzieningen met een visueel afschermende functie, zoals hagen en gebiedseigen bomen ter plaatse van de aanduiding 'houtsingel';

g. een dierenweide, behorende bij en ondergeschikt aan de bestemming 'Horeca-Restaurant', uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - dierenweide'.

met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wegen en verhardingen.

Artikel 3.2.1:

Gebouwen worden gebouwd ten dienste van de bestemming met dien verstande dat:

a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - dierenweide' verspreid over het terrein schuilhokken en nachtverblijven mogen worden gerealiseerd, met dien verstande dat (…);

Artikel 9.3

Tot een met de bestemming strijdig gebruik wordt in ieder geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in artikelen 4 en 6 opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg in instandhouding van de in artikel 3.1 onder f genoemde groenvoorzieningen met een visueel afschermende werking, zoals hagen en gebiedseigen bomen ter plaatse van de aanduiding 'houtsingel'.