Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:543

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
202005905/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/208
NJB 2021/922
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005905/1/V3.

Datum uitspraak: 12 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 26 oktober 2020, gerectificeerd bij uitspraak van 2 november 2020, in zaak nr. NL20.18423 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2020 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij mondelinge uitspraak van 26 oktober 2020, gerectificeerd op 2 november 2020, heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Op verzoek van de Afdeling heeft de rechtbank schriftelijke inlichtingen gegeven. De vreemdeling en de staatssecretaris hebben daarop gereageerd.

Overwegingen

1.       De vreemdeling is op 6 oktober 2020 in bewaring gesteld. De maatregel van bewaring is opgelegd door een medewerker van de Koninklijke Marechaussee (hierna: de KMar) en ondertekend met een elektronische handtekening. De rechtbank heeft de maatregel van bewaring om twee verschillende redenen onrechtmatig geacht. Volgens de rechtbank is sprake van een gebrek in de ophouding van de vreemdeling, en leidt dat gebrek tot onrechtmatigheid van de maatregel omdat niet is gebleken van zwaarwegende belangen aan de zijde van de staatssecretaris. Verder heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen of aan de in artikel 5.3 van het Vb 2000 gestelde voorwaarden voor inbewaringstelling is voldaan. Het is de rechtbank op grond van de beschikbare stukken niet gelukt om te controleren of de maatregel rechtsgeldig is ondertekend en of aan de vreemdeling een ondertekende maatregel is uitgereikt.

2.       De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het gebrek in de ophouding leidt tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring. Niet in geschil is dat de staatssecretaris in het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding ten onrechte artikel 50a van de Vw 2000 heeft aangekruist in plaats van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000. De ernst van dit gebrek weegt echter niet op tegen de belangen die met de bewaring gediend zijn. Hoewel de rechtbank terecht heeft overwogen dat niet is gebleken van zwaarwegende belangen aan de zijde van de staatssecretaris, is de ernst van dit gebrek namelijk gering. Uit het proces-verbaal blijkt duidelijk dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf had en dat zijn identiteit niet onmiddellijk kon worden vastgesteld. Daaruit kan worden afgeleid dat de grondslag voor de ophouding feitelijk artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 was. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 21 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:906.

3.       De staatssecretaris klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bewaring onrechtmatig is omdat niet kon worden vastgesteld dat de maatregel van bewaring rechtsgeldig is ondertekend. Daarbij wijst de staatssecretaris op de uitspraak van de Afdeling van 12 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2278. Daarin heeft de Afdeling overwogen dat de elektronische handtekening die door de KMar wordt gebruikt, aan de wettelijke eisen voldoet. Verder is in die uitspraak overwogen dat die handtekening kan worden gevalideerd door het digitale bestand in een PDF-viewer te openen en op de handtekening te klikken. Volgens de staatssecretaris kan dat ook in dit geval.

3.1.    Wanneer de Afdeling de maatregel van bewaring opent in de PDF-viewer in het digitaal dossier en op de handtekening klikt, verschijnen de mededelingen 'De handtekening is ongeldig' en 'Het document is gewijzigd of beschadigd nadat het is ondertekend'. Zoals blijkt uit de uitspraak van de rechtbank verschenen dezelfde mededelingen toen de rechtbank ter zitting probeerde de handtekening te valideren. Daarover voert de staatssecretaris aan dat die mededelingen niet te wijten zijn aan een onjuiste wijze van ondertekening, maar het gevolg zijn van een gebrek aan de gebruikte PDF-viewer. Naar aanleiding van dat betoog heeft de Afdeling eerst intern onderzoek gedaan naar de PDF-viewer die in het digitaal dossier van de Afdeling wordt gebruikt. De uitkomst van dat onderzoek is dat binnen het digitaal dossier van de Afdeling een beknopte versie van de PDF-viewer wordt gebruikt. Het gebruik van de beknopte versie verklaart de hierboven genoemde mededelingen. Wanneer de maatregel van bewaring buiten het digitaal dossier in de PDF-viewer wordt geopend en op de handtekening wordt geklikt, blijkt namelijk dat de handtekening geldig is en dat het document niet is gewijzigd nadat het is ondertekend. Voor de volledigheid heeft de Afdeling vervolgens een aantal vragen gesteld aan de rechtbank om te controleren of de hierboven genoemde mededelingen ook daar het gevolg zijn van het gebruik van een beknopte versie van een PDF-viewer binnen het digitaal dossier. Uit het antwoord van de rechtbank volgt dat daar een soortgelijk probleem speelt als bij de Afdeling. De staatssecretaris klaagt daarom terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bewaring onrechtmatig is omdat niet kon worden vastgesteld dat de maatregel van bewaring rechtsgeldig is ondertekend.

4.       Gelet op het voorgaande heeft de staatssecretaris de klachten terecht voorgedragen. De grieven kunnen echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank leiden, omdat de rechtbank de bewaring terecht onrechtmatig heeft geacht. Uit het rechtbankdossier blijkt dat de maatregel van bewaring op 6 oktober 2020 om 11:05 uur is uitgereikt, terwijl die maatregel pas op 6 oktober 2020 om 11:12 uur digitaal is ondertekend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet is gebleken dat aan de vreemdeling een ondertekende maatregel is uitgereikt. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 31 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2892. De besluitvorming en bekendmaking van de maatregel zijn in dit geval dus niet correct verlopen, terwijl dat voorwaarden zijn die aan de maatregel zijn gesteld in artikel 5.3 van het Vb 2000. Dit is een gebrek dat de inbewaringstelling onrechtmatig maakt als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Voor dat laatste verwijst de Afdeling naar overweging 4.5 van haar uitspraak van 12 juli 2018. In tegenstelling tot het eerder besproken gebrek in de ophouding is dit een ernstig gebrek. Verder is niet gebleken van zwaarwegende belangen aan de zijde van de staatssecretaris. De rechtbank heeft de maatregel van bewaring daarom terecht van aanvang af onrechtmatig geacht, opheffing daarvan bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 801,00 (zegge: achthonderdeen euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

w.g. Schippers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2021

873.