Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
202101304/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Het beroep richt zich tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 16 februari 2021.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/187
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202101304/1/A2.

Datum uitspraak: 11 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[appellante],

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

Openbare zitting gehouden op 11 maart 2021 om 13:00 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. C.H.M. van Altena, voorzitter

Staatsraad mr. J.E.M. Polak, rapporteur

Staatsraad mr. D.A.C. Slump, lid

mr. R.J.R. Hazen, griffier

Verschenen:

[appellante], bijgestaan door mr. drs. M.J.G. Schroeder, advocaat te Voorburg;

Het college, vertegenwoordigd door mr. P.A.M. Badal;

De Kiesraad, vertegenwoordigd door mr. R.N.A. Al.

Het beroep richt zich tegen een besluit van het college van 16 februari 2021.

De Afdeling

I.        verklaart het beroep gegrond;

II.       vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam van 16 februari 2021;

III.      draagt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam op om [appellante] te registreren als kiesgerechtigde per 1 februari 2021;

IV.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.083,32 (zegge: duizenddrieëntachtig euro en tweeëndertig cent), waarvan € 1.068,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 181,00 (zegge: honderdeenentachtig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt.

Gronden:

Bij e-mailbericht van 16 februari 2021 heeft het college beslist op een verzoek van [appellante] als bedoeld in artikel D6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Kieswet om haar registratie te wijzigen en haar alsnog als kiezer te registreren als bedoeld in artikel D 1 van de Kieswet. Dat verzoek is met dat e-mailbericht niet ingewilligd in verband met de omstandigheid dat [appellante] is opgenomen in het Register niet-ingezetenen op grond van artikel 2.22 van de Wet basisregistratie personen. Dit e-mailbericht is daarmee een besluit als bedoeld in artikel D 7 van de Kieswet. Ter zitting heeft het college niet meer betwist dat het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ontvankelijk is.

[appellante] is kiesgerechtigd voor de komende verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Op haar is geen van de uitzonderingen in artikel 54 van de Grondwet van toepassing.

In artikel D 1 van de Kieswet is bepaald dat burgemeester en wethouders de kiesgerechtigdheid van de ingezetenen van de gemeente registreren. In artikel B 4, eerste lid, van de Kieswet is bepaald dat deze wet onder ingezetenen van de gemeente verstaat hen die in de gemeente werkelijke woonplaats hebben. In artikel B 4, tweede lid, van de Kieswet is bepaald dat zij die als ingezetene met een adres in een gemeente zijn ingeschreven in de basisregistratie personen, voor de toepassing van deze wet, behoudens bewijs van het tegendeel, worden geacht werkelijke woonplaats te hebben in die gemeente.

[appellante] is niet ingeschreven in de basisregistratie personen. Dit is onderwerp van geschil in andere bestuursrechtelijke procedures tussen [appellante] en het college. Registratie als kiesgerechtigde valt echter niet samen met inschrijving in de basisregistratie personen. De Kieswet laat immers de mogelijkheid open om als kiesgerechtigde te worden geregistreerd zonder in de basisregistratie personen ingeschreven te staan. De Afdeling verwijst daarvoor naar het genoemde artikel B 4, eerste lid, van de Kieswet en in het bijzonder ook naar artikel D 2, eerste lid, van het Kiesbesluit.

Het college heeft ter zitting erkend dat aannemelijk is dat [appellante] op 1 februari 2021 - de dag van de kandidaatstelling - werkelijke woonplaats in Rotterdam had en daarmee ingezetene van deze gemeente in de zin van de Kieswet was. Daarom is het college op grond van artikel B 4, eerste lid, van de Kieswet en artikel D 2, eerste lid, van het Kiesbesluit gehouden om haar in te schrijven als kiesgerechtigde.

Ter zitting heeft het college toegezegd dat op 12 maart 2021, vóór 17.00 uur, een stempas aan [appellante] wordt uitgereikt, zodat zij het kiesrecht daadwerkelijk kan uitoefenen, indien de Afdeling zou oordelen dat [appellante] als kiesgerechtigde door het college voor de komende verkiezingen moet worden geregistreerd en dat is met deze uitspraak het geval.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

452.