Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:510

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
201907545/1/R4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2018 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: GS) een aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, over het besluit van B&W van 6 februari 2018 tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor onder meer het houden van 700 biologische vleesvarkens op het perceel [locatie] te Woudenberg. [appellante sub 1] exploiteert op het perceel een melkveehouderij. Op 5 december 2016 heeft zij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een varkensstal, het houden van 700 biologische vleesvarkens, en voor het (kort samengevat) terugbrengen van de hoeveelheid rundvee van in totaal 375 naar 300. Het houden van varkens is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2013 (herziening)". Het perceel heeft namelijk de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarde - Reliëf" en op die gronden zijn uitsluitend grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2021/7255
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201907545/1/R4.

Datum uitspraak: 10 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       [appellante sub 1], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [vennoot 1], wonend te [woonplaats], [vennoot 2] en [vennoot 3], beiden wonend te [woonplaats],

2.       het college van burgemeester en wethouders van Woudenberg (hierna: B&W),

3.       [appellant sub 3] en anderen, allen wonend dan wel gevestigd te [plaats],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 september 2019 in zaken nrs. 18/4840 en 19/603 in het geding tussen:

1. [appellante sub 1],

2. B&W,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: GS).

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2018 heeft GS een aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), over het besluit van B&W van 6 februari 2018 tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor onder meer het houden van 700 biologische vleesvarkens op het perceel [locatie] te Woudenberg.

Bij uitspraak van 2 september 2019 heeft de rechtbank de door [appellante sub 1] en B&W daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante sub 1] en B&W hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 3] en anderen hebben incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellante sub 1] en GS hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante sub 1] en B&W hebben een zienswijze gegeven op het incidenteel hoger beroep.

B&W en [appellant sub 3] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2021, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. T.P. Grünbauer, advocaat te Ede, en [vennoot 3], B&W, vertegenwoordigd door H. Kamies, J. Mouthaan, en GS, vertegenwoordigd door P.A. Regter, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellante sub 1] exploiteert op het perceel een melkveehouderij. Op 5 december 2016 heeft zij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een varkensstal, het houden van 700 biologische vleesvarkens, en voor het (kort samengevat) terugbrengen van de hoeveelheid rundvee van in totaal 375 naar 300. Het houden van varkens is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2013 (herziening)". Het perceel heeft namelijk de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschapswaarde - Reliëf" en op die gronden zijn uitsluitend grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan. Een varkenshouderij wordt niet als grondgebonden agrarisch bedrijf als bedoeld in de planregels beschouwd.

GS heeft een zienswijze naar voren gebracht over de ontwerp-omgevingsvergunning omdat het provinciale beleid zich zou verzetten tegen de varkenshouderij.

Bij besluit van 6 februari 2018 heeft B&W de gevraagde omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.10, artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 3°, en artikel 2.17 van de Wabo, in samenhang gelezen met artikel 2.2a, van het Besluit omgevingsrecht.

De reactieve aanwijzing

2.       GS heeft vervolgens bij de brief van 13 maart 2018 een reactieve aanwijzing gegeven als bedoeld in artikel 3.13, tweede lid, van de Wabo. De aanwijzing strekt ertoe dat op het perceel geen varkens mogen worden gehouden. GS heeft daaraan ten grondslag gelegd dat het provinciale ruimtelijke beleid, zoals neergelegd in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013-2028 (herijking 2016; hierna: de PRS) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening Provincie Utrecht 2013 (herijking 2016; hierna: de PRV) is gericht op het beperken van de vestigings- en groeimogelijkheden van niet-grondgebonden veehouderijen in het gebied waarin het perceel ligt. Volgens GS moet de beoogde varkenshouderij worden aangemerkt als niet-grondgebonden en is de omgevingsvergunning in strijd met het omschakelverbod van grondgebonden landbouw naar niet-grondgebonden veehouderij, zoals opgenomen in artikel 2.1, derde lid, van de PRV.

De aangevallen uitspraak

3.       De rechtbank heeft overwogen dat het aanwijzingsbesluit weliswaar per abuis is geadresseerd aan de raad van de gemeente Woudenberg (hierna: de raad) in plaats van aan B&W, maar dat dit niet betekent dat de aanwijzing niet tot stand is gekomen. Verder richt de aanwijzing zich volgens de rechtbank tegen de gehele omgevingsvergunning.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de toevoeging van de varkenshouderij leidt tot omschakeling van een grondgebonden naar een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf. Dat de melkveetak blijft bestaan doet daaraan niet af omdat volgens de rechtbank elke mate van omschakeling naar niet-grondgebonden veehouderij in strijd is met de PRV. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat in het aanwijzingsbesluit onvoldoende is onderbouwd dat het geven daarvan noodzakelijk is, maar dat GS dit ter zitting alsnog heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft het gebrek gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb). De rechtbank heeft tot slot opgemerkt dat, omdat het aanwijzingsbesluit in stand blijft, de omgevingsvergunning moet worden geacht niet te zijn bekendgemaakt. De omgevingsvergunning is daarom niet in werking getreden, zodat daartegen geen rechtsmiddel openstond.

Adressering reactieve aanwijzing

4.       [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aanwijzing geen rechtsgevolg heeft omdat deze is geadresseerd aan de raad in plaats van aan B&W. De aanwijzing is volgens haar daardoor niet gericht aan het bevoegd gezag en moet worden beschouwd als niet gegeven. Voor zover de aanwijzing niet alleen al vanwege de foute adressering geen rechtsgevolg heeft, betoogt [appellante sub 1] dat de aanwijzing door de toezending aan de raad niet op de juiste wijze is bekendgemaakt en daarom niet in werking is getreden. De aanwijzing moet volgens haar ook daarom worden beschouwd als niet gegeven.

4.1.    Uit artikel 3.13, tweede lid, van de Wabo volgt dat de aanwijzing wordt gegeven aan het bevoegd gezag. In dit geval is dat B&W, maar de aanwijzing is geadresseerd aan de raad van dezelfde gemeente. GS heeft toegelicht dat dit een verschrijving is.

De Afdeling stelt vast dat in de aanwijzing consequent wordt gesproken van B&W en zijn besluit van 6 februari 2018 tot verlening van de omgevingsvergunning. Daarmee is duidelijk dat de aanwijzing, ondanks de kennelijke verschrijving in de adressering, is gericht aan dat bestuursorgaan. Daarbij komt dat B&W ter zitting heeft meegedeeld dat het de aanwijzing via de raad heeft ontvangen, en dat zowel de raad als B&W er niet over hebben getwijfeld dat de aanwijzing is bedoeld voor B&W. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat de aanwijzing is gegeven aan het bevoegd gezag, namelijk B&W.

Dat de aanwijzing niet aan B&W is geadresseerd, betekent niet dat zij niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. Uit artikel 3.13, tweede en vierde lid, van de Wabo, volgt dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning tegelijkertijd en op dezelfde wijze met de aanwijzing bekendmaakt. B&W diende dus de omgevingsvergunning met de aanwijzing bekend te maken. Niet is gebleken dat B&W dat niet op de voorgeschreven wijze heeft gedaan, zodat er geen aanleiding bestaat voor de conclusie dat de aanwijzing niet in werking is getreden.

De rechtbank heeft dus terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de aanwijzing niet is gegeven, geen rechtsgevolg heeft, of niet in werking is getreden.

Het betoog slaagt niet.

Reikwijdte aanwijzing

5.       Ter zitting is de reikwijdte van de aanwijzing besproken. Vast staat dat de aangevraagde verlaging van het aantal runderen niet in strijd is met de PRV en de PRS. Zoals ter zitting besproken, kan dit onderdeel van de aanvraag echter niet los worden gezien van de gevraagde toevoeging van de varkens, die volgens GS wel daarmee in strijd is. [appellante sub 1] wil het aantal runderen immers alleen terugbrengen als zij varkens mag houden, en zou in een zeer nadelige positie komen als zij als gevolg van de aanwijzing geen varkens mag houden en op grond van de omgevingsvergunning het aantal runderen moet verlagen. De Afdeling is daarom van oordeel dat beide onderdelen van de aanvraag onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden en concludeert - met de rechtbank en partijen - dat de aanwijzing zich richt tegen de gehele omgevingsvergunning.

Varkenshouderij grondgebonden?

6.       [appellante sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de varkenshouderij als grondgebonden moet worden aangemerkt. Zij voert daartoe aan dat varkenshouderijen weliswaar zijn genoemd in de begripsbepaling van "niet-grondgebonden veehouderij" in artikel 1.1, eerste lid, van de PRV, maar dat die bepaling ruimte laat om een varkenshouderij toch als grondgebonden landbouw aan te merken, als wordt voldaan aan de eisen in de begripsbepaling daarvan. Volgens [appellante sub 1] wordt daaraan voldaan omdat het ruwvoer uit de regio afkomstig zal zijn en de mestafzet in Nederland is verzekerd. Dat betekent dat geen sprake is van een omschakeling naar een niet-grondgebonden veehouderij en de omgevingsvergunning dus niet in strijd is met artikel 2.1, derde lid, van de PRV, aldus [appellante sub 1].

         [appellante sub 1] betoogt verder dat, als de PRV zo wordt begrepen dat varkenshouderijen nooit grondgebonden kunnen zijn, de PRV in zoverre onverbindend is.

6.1.    Artikel 1.1, eerste lid, van de PRV luidt: "In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

grondgebonden landbouw: agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt. Het betreft akkerbouw, vollegrondstuinbouw, fruitteelt en boomteelt en rundvee-, paarden-, schapen- of geitenhouderij voor zover bij deze veebedrijven het benodigde ruwvoer (gras, snijmaïs) geheel of vrijwel geheel afkomstig is van de structureel bij het bedrijf behorende gronden;

(…)

kaart: kaart opgenomen als bijlage bij deze regeling;

(…)

niet-grondgebonden veehouderij (intensieve veehouderij): agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van grondgebonden veehouderij;

(…)"

Artikel 2.1 luidt:

"1. Als ‘Agrarische bedrijven’ wordt aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Landbouw (…)

3. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘agrarische bedrijven’ bevat geen bestemmingen en regels die voorzien in een omschakeling van grondgebonden agrarisch bedrijf naar niet-grondgebonden veehouderij.

(…)"

6.2.    Het perceel is aangewezen als "Agrarische bedrijven" op de kaart "Landbouw" in de bijlage bij de PRV.

In de hiervoor geciteerde begripsbepalingen staan inhoudelijke eisen waaraan een agrarisch bedrijf moet voldoen om als grondgebonden of juist niet-grondgebonden te worden aangemerkt. Daarnaast zijn bedrijfstypen genoemd die al dan niet onder bepaalde voorwaarden als (niet-)grondgebonden worden aangemerkt. Daargelaten dat varkenshouderijen zijn genoemd als niet-grondgebonden, is de Afdeling van oordeel dat de beoogde varkenshouderij niet voldoet aan de inhoudelijke eisen die in de begripsbepaling van "grondgebonden landbouw" zijn gesteld. Uit de stukken die horen bij de aanvraag om omgevingsvergunning volgt dat de varkens voornamelijk in de stal zullen worden gehouden. Dat betekent dat de bedrijfsvoering in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt. Verder heeft [appellante sub 1] verklaard dat het benodigde ruwvoer niet afkomstig zal zijn van gronden die structureel bij het bedrijf horen, maar van verderop uit de regio. Over de mestafzet is in de begripsbepalingen niets vermeld, dus dat is niet van belang. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de aangevraagde varkenshouderij niet kan worden aangemerkt als grondgebonden landbouw als bedoeld in de PRV.

Voor zover [appellante sub 1] betoogt dat in de PRV ten onrechte geheel is uitgesloten dat varkenshouderijen grondgebonden kunnen zijn, en onderdelen van de PRV daarom onverbindend moeten worden verklaard, gaat de Afdeling daarop niet inhoudelijk in. Uit wat hiervoor is overwogen volgt namelijk dat de aangevraagde varkenshouderij niet voldoet aan de inhoudelijke eisen om een agrarisch bedrijf als grondgebonden aan te merken. Een oordeel over de vraag of varkenshouderijen als bedrijfstype ten onrechte categorisch zijn uitgesloten van grondgebonden landbouw kan [appellante sub 1] daarom niet baten. Dat betoog behoeft daarom geen bespreking.

Het betoog slaagt niet.

Gedeeltelijke omschakeling

7.       [appellante sub 1] en B&W betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning niet in strijd is met het omschakelverbod in artikel 2.1, derde lid, van de PRV omdat de grondgebonden melkveetak blijft bestaan.

B&W voert daartoe aan dat het agrarisch bedrijf als geheel, ondanks de varkenstak, naar bedrijfsvoering en ruimtelijke uitstraling grondgebonden is. De Standaard Opbrengst - de gemiddelde opbrengst per diercategorie per jaar -van de melkveetak zou namelijk 77 bedragen, terwijl de Standaard Opbrengst van de varkenstak slechts 23 zou zijn. Verder is de varkenstak ook in ruimtelijk opzicht ondergeschikt is aan de melkveetak, aldus B&W. B&W wijst er verder op dat artikel 2.1, tweede lid, van de PRV beperkingen stelt aan de uitbreiding van agrarische bouwpercelen, maar dat in dit geval geen sprake is van uitbreiding van het bouwperceel; de varkensstal past binnen het bestaande bouwvlak.

Voor zover het agrarisch bedrijf van [appellante sub 1] door de varkenshouderij niet meer als hoofdzakelijk grondgebonden wordt beschouwd, voeren B&W en [appellante sub 1] aan dat artikel 2.1, derde lid, van de PRV, aldus moet worden begrepen dat alleen een omschakeling naar een volledige niet-grondgebonden veehouderij verboden is. Omdat de melkveetak blijft bestaan, is de omgevingsvergunning niet in strijd met het omschakelverbod. Zij wijzen in dat verband op de PRS, waarin staat dat "omschakeling van melkveehouderij of gemengde bedrijven met als hoofdtak melkveehouderij naar volledig niet-grondgebonden veehouderij" niet wordt toegestaan. De ruimere interpretatie van het omschakelverbod door GS is volgens [appellante sub 1] niet de enige mogelijke uitleg, zodat het geven van een aanwijzing op grond van deze bepaling in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, aldus [appellante sub 1].

7.1.    Zoals onder 6.2 is overwogen is de varkenshouderij een niet-grondgebonden veehouderij. Dat de grondgebonden melkveetak blijft bestaan, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat het agrarisch bedrijf inclusief de varkenshouderij met 700 varkens (hoofdzakelijk) grondgebonden blijft. Gelet op het grote aantal varkens is de varkenstak - zowel op zichzelf bezien als vergeleken met de rundveetak - geen ondergeschikt deel van het agrarisch bedrijf. Dat betekent dat de omgevingsvergunning voorziet in een omschakeling van een agrarisch bedrijf met grondgebonden landbouw naar een gedeeltelijke niet-grondgebonden veehouderij. Wat B&W aanvoert over de Standaard Opbrengst en het bouwvlak doet daaraan niet af, alleen al omdat uit de begripsbepalingen in de PRV niet volgt dat dit relevant is voor de kwalificatie als (niet-)grondgebonden veehouderij en omdat het omschakelverbod ook geldt als het agrarisch bouwperceel niet wordt uitgebreid.

7.2.    De Afdeling volgt [appellante sub 1] en B&W evenmin in hun betoog dat het omschakelverbod alleen betrekking heeft op de situatie dat een grondgebonden agrarisch bedrijf volledig omschakelt naar een niet-grondgebonden veehouderij. Deze beperking kan niet worden afgeleid uit de tekst van artikel 2.1, derde lid, van de PRV, de andere bepalingen in de PRV of de toelichting daarop. Deze bepaling is dus niet voor meerderlei uitleg vatbaar en niet strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

De door B&W en [appellante sub 1] geciteerde zin uit de PRS leidt niet tot een ander oordeel. Zoals GS heeft toegelicht, zijn in de PRS slechts voorbeelden genoemd van de meest voorkomende vormen van omschakeling. Dat betekent niet dat andere vormen wel zijn toegestaan. Verder bevat de PRS de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijke beleid en kan dit document niet worden beschouwd als toelichting op of nuancering van de juridisch bindende regels in de PRV.

7.3.    De Afdeling concludeert dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat GS zich terecht op het standpunt stelt dat de toevoeging van de varkenshouderij aan het agrarisch bedrijf in strijd is met artikel 2.1, derde lid, van de PRV.

Het betoog slaagt niet.

Noodzaak en passeren gebrek

8.       B&W en [appellante sub 1] betogen dat de rechtbank ten onrechte het door haar geconstateerde gebrek in het aanwijzingsbesluit heeft gepasseerd. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld, is in dit besluit onvoldoende onderbouwd dat het geven van de aanwijzing noodzakelijk was, maar anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, was de motivering van GS ter zitting volgens hen ook ontoereikend. GS heeft namelijk alleen uitgelegd hoe is geprobeerd om verlening van de omgevingsvergunning tegen te gaan, en niet waarom de aanwijzing noodzakelijk was, aldus B&W en [appellante sub 1]

Volgens B&W en [appellante sub 1] is de aanwijzing niet noodzakelijk omdat de omgevingsvergunning niet in strijd is met het provinciale belang. Het omschakelverbod is namelijk ingegeven door de negatieve effecten van niet-grondgebonden veehouderijen, zoals verstening en het ontbreken van een relatie met de omgeving. Die effecten doen zich volgens B&W in dit geval echter niet voor omdat de varkens biologisch worden gehouden en de stal in het bouwvlak past. Verder heeft GS bij besluit van 3 augustus 2016 een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 aan [appellante sub 1] verleend. Daaruit volgt dat de stikstofemissie als gevolg van de varkenshouderij aanvaardbaar is, aldus B&W. [appellante sub 1] wijst erop dat uit de PRS, de Landbouwvisie provincie Utrecht van 2011, de Startnotitie Landbouwvisie uit 2017 en het beleidsdocument "Utrecht2040", volgt dat de provincie streeft naar een levensvatbare en duurzame landbouw. Omdat de varkenshouderij biologisch is en het agrarisch bedrijf toekomstbestendiger maakt, wordt voldaan aan het beleid, zodat de aanwijzing niet noodzakelijk is, aldus [appellante sub 1].

8.1.    Artikel 6:22 van de Awb luidt: "Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld."

8.2.    GS heeft de bevoegdheid een reactieve aanwijzing te geven die het voor de bescherming van provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening nodig vindt. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de hogerberoepsgronden of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat GS in redelijkheid van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing heeft kunnen uitgaan.

8.3.    Zoals de rechtbank heeft overwogen, is in het aanwijzingsbesluit niet gemotiveerd waarom het geven van de aanwijzing noodzakelijk was. Ter zitting bij de rechtbank heeft GS toegelicht dat voorafgaand aan de aanwijzing uitleg is gegeven aan B&W over het provinciale beleid, en dat is meegedeeld dat mogelijk een reactieve aanwijzing zal worden gegeven als de omgevingsvergunning toch wordt verleend. Hiermee is niet gemotiveerd dat de aanwijzing noodzakelijk was voor de bescherming van de provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Het door de rechtbank geconstateerde motiveringsgebrek is dus niet hersteld met de toelichting van GS. Alleen al daarom had de rechtbank dit gebrek niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb mogen passeren, maar had zij het aanwijzingsbesluit vanwege dat gebrek moeten vernietigen.

Het betoog slaagt.

8.4.    De Afdeling zal beoordelen of de rechtsgevolgen van het aanwijzingsbesluit in stand kunnen worden gelaten.

8.5.    Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:913, overweegt de Afdeling dat GS in redelijkheid kan uitgaan van de noodzaak van het geven van een reactieve aanwijzing, indien wordt gehandeld in afwijking van een verordening als bedoeld in artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening, zoals de PRV. In wat [appellante sub 1] en B&W aanvoeren ziet de Afdeling geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden afgeweken van dit uitgangspunt. Daarvoor is van belang dat GS heeft verklaard dat het omschakelverbod in de PRV is opgenomen vanwege de negatieve effecten van niet-grondgebonden veehouderij, zoals geuremissie, ammoniakuitstoot, de bijdrage aan het mestoverschot en verstening en dat deze effecten zich ook voordoen bij de beoogde biologische varkenshouderij van [appellante sub 1]. Dat uit enkele beleidsstukken volgt dat de provincie verduurzaming van de landbouw nastreeft, maakt niet dat deze biologische varkenshouderij - ondanks de strijd met de PRV - past in de provinciale beleidsdoelstellingen. Zoals GS heeft toegelicht, zijn de ruimtelijke uitstraling en milieugevolgen van biologische varkenshouderijen immers vergelijkbaar met die van niet-biologische varkenshouderijen. Anders dan [appellante sub 1] en B&W betogen, is de omgevingsvergunning dus in strijd met de doelstellingen van artikel 2.1, derde lid, van de PRV. Wat zij aanvoeren over de toekomstbestendigheid van het agrarisch bedrijf, de relatie van de melkveetak met de omgeving, het bouwvlak en de Nbw-vergunning, doet hieraan niet af.

Concluderend heeft GS zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening het geven van de aanwijzing noodzakelijk maken.

Conclusie hoger beroepen [appellante sub 1] en B&W

9.       De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de beroepen tegen het aanwijzingsbesluit alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

Dit betekent dat de reactieve aanwijzing van kracht blijft en de omgevingsvergunning niet in werking treedt. Omdat de reactieve aanwijzing met deze uitspraak onherroepelijk wordt, vervalt de omgevingsvergunning op grond van artikel 3.13, zesde lid, van de Wabo. Dat betekent dat [appellante sub 1] geen gebruik mag maken van de omgevingsvergunning.

Het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3] en anderen

10.     [appellant sub 3] en anderen wonen of zijn gevestigd in de omgeving van het perceel van [appellante sub 1] en hadden beroep ingesteld tegen de omgevingsvergunning. Zij betogen - kort samengevat - dat B&W de omgevingsvergunning ten onrechte heeft verleend. Verder uiten zij kritiek op de gang van zaken bij de verlening van de omgevingsvergunning en het beroep bij de rechtbank tegen dat besluit. Tot slot voeren zij aan dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte heeft overwogen dat tegen de omgevingsvergunning geen rechtsmiddel openstond.

10.1.  De betogen over de omgevingsvergunning en de gang van zaken bij de verlening daarvan en de beroepsprocedure daarover, richten zich niet tegen de aangevallen uitspraak. Die uitspraak gaat immers niet over de vraag of B&W de omgevingsvergunning mocht verlenen, maar of GS de aanwijzing mocht geven. Verder is de opmerking in de aangevallen uitspraak dat geen rechtsmiddel openstond tegen de omgevingsvergunning slechts bedoeld ter voorlichting van partijen over de gevolgen van de uitspraak over de aanwijzing. Dit is geen dragende overweging, alleen al omdat de uitspraak niet gaat over de omgevingsvergunning. Wat [appellant sub 3] en anderen hierover aanvoeren kan daarom niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het betoog slaagt niet.

11.     Het incidenteel hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten

12.     GS dient ten aanzien van [appellante sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van B&W is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van [appellant sub 3] en anderen bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de hoger beroepen van [appellante sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Woudenberg gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 september 2019 in zaken nrs. 18/4840 en 19/603;

III.      verklaart de door [appellante sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Woudenberg bij de rechtbank ingestelde beroepen gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 13 maart 2018, kenmerk 81CA4CE3;

V.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI.     verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 3] en anderen ongegrond;

VII.     veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.937,00 (zegge: tweeduizend negenhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag kan worden verrekend met het bedrag dat reeds is vergoed naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank;

VIII.    gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan [appellante sub 1] en het college van burgemeester en wethouders van Woudenberg het door elk van hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 829,00 (zegge: achthonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt. Dit bedrag kan worden verrekend met het bedrag dat reeds is vergoed naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2021

912.