Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:503

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
202004435/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 14 augustus 2019, in zaak nr. 201810159/1/A1, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het door het college tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 november 2018 in zaak nr. 18/1399 ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het door Stichting Volkshuisvesting Utrecht bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van het college van 23 februari 2018 vernietigd, het besluit van het college van 22 september 2016 herroepen en bepaald zelf in de zaak te voorzien. In het verzoekschrift betoogt het college dat in de uitspraak van 14 augustus 2019 een zelfstandige hogerberoepsgrond niet is beoordeeld. Deze hogerberoepsgrond ziet op de overbewoning ingevolge artikel 7.18, eerste lid, van het Bouwbesluit, die volgens het college eveneens ten grondslag lag aan de opgelegde last onder dwangsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004435/1/R4.

Datum uitspraak: 10 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verzoeker,

om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2019, in zaak nr. 201810159/1/A1.

Procesverloop

Bij uitspraak van 14 augustus 2019, in zaak nr. 201810159/1/A1, heeft de Afdeling het door het college tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 november 2018 in zaak nr. 18/1399 ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het door Stichting Volkshuisvesting Utrecht (hierna: de Stichting) bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van het college van 23 februari 2018 vernietigd, het besluit van het college van 22 september 2016 herroepen en bepaald zelf in de zaak te voorzien. De uitspraak van de Afdeling is aangehecht.

Het college heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien, aan te vullen dan wel vervallen te verklaren.

De Stichting heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 januari 2021, waar het college, vertegenwoordigd door A. Erdogan en mr. T.N. Sanders, advocaat te Breda, en de Stichting, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. T.D. Rijs, advocaat te Zwolle, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het college heeft bij besluit van 22 september 2016 aan de Stichting een last onder dwangsom opgelegd wegens het strijdige gebruik als logies en wegens de overbewoning van het pand aan de Lomanlaan 103 te Utrecht (hierna: het pand). Bij besluit van 23 februari 2018 heeft het college het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 22 september 2016, onder aanvulling van de motivering van dat besluit, in stand gelaten.

2.       In haar uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de zienswijze van de Stichting op het voornemen tot handhavend optreden ook een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het gebruik van het pand als logies bevat. Omdat op dit verzoek niet tijdig is beslist, is volgens de rechtbank van rechtswege een omgevingsvergunning ontstaan. Vanwege deze van rechtswege ontstane omgevingsvergunning, zou handhavend optreden volgens de rechtbank zodanig onevenredig zijn, dat het college daarvan had moeten afzien.

3.       De Afdeling heeft in haar uitspraak van 14 augustus 2019 overwogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de zienswijze van de Stichting ook een aanvraag voor een omgevingsvergunning bevat, zodat evenmin een omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan. Nu dit leidt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, heeft de Afdeling overwogen dat wat het college verder heeft aangevoerd geen bespreking behoeft. De Afdeling heeft vervolgens, nu de rechtbank daar niet aan toe is gekomen, de overige beroepsgronden van de Stichting besproken. De Afdeling heeft overwogen dat het college niet heeft aangetoond dat, in plaats van het toegestane gebruik van bewoning, sprake is van het gebruik van het pand als logies, en dat daarom in het besluit van 22 september 2016, bij besluit van 23 februari 2018 in stand gelaten, ten onrechte is opgenomen dat een overtreding plaatsvindt. De Afdeling heeft in die uitspraak vervolgens geoordeeld dat het college niet bevoegd was om handhavend op te treden.

Het verzoek

4.       In het verzoekschrift betoogt het college dat in de uitspraak van 14 augustus 2019 een zelfstandige hogerberoepsgrond niet is beoordeeld. Deze hogerberoepsgrond ziet op de overbewoning ingevolge artikel 7.18, eerste lid, van het Bouwbesluit, die volgens het college eveneens ten grondslag lag aan de opgelegde last onder dwangsom. Dat sprake is van overbewoning volgt volgens het college uit het inspectierapport van 13 september 2016, waarbij het college met name wijst op de woonsituatie van huisnummer 127 van het pand. Bespreking van de hogerberoepsgrond had, zo stelt het college, kunnen leiden tot gegrondverklaring van het hoger beroep en daarom heeft het college de Afdeling verzocht de uitspraak te herzien, aan te vullen dan wel vervallen te verklaren.

Beoordeling

5.       Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Awb kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

5.1.    In de uitspraak van 14 augustus 2019 heeft de Afdeling overwogen dat geen omgevingsvergunning van rechtswege is verleend en dat wat het college voor het overige heeft aangevoerd in hoger beroep geen bespreking meer behoeft. In die zin heeft de Afdeling in die uitspraak dan ook geen zelfstandige hogerberoepsgrond onbesproken gelaten. De Afdeling begrijpt het verzoek van het college dan ook zo, dat de Afdeling in de uitspraak van 14 augustus 2019 na de beoordeling van de hogerberoepsgronden vervolgens bij de beoordeling van de beroepsgronden voorbij is gegaan aan het betoog van het college dat in het pand sprake is van overbewoning in de zin van artikel 7.18, eerste lid, van het Bouwbesluit.

5.2.    Herziening is alleen mogelijk op grond van feiten en omstandigheden, als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Wat het college aanvoert, is niet als zodanige feiten en omstandigheden aan te merken, wat het college overigens zelf ook al heeft erkend in het verzoekschrift. Een vermeende rechterlijke misslag, zoals het onbesproken blijven van een betoog, is geen grond voor herziening.

Voor zover het college verzoekt om rectificatie van de uitspraak van 14 augustus 2019, overweegt de Afdeling dat hetgeen het college heeft aangevoerd, zoals door het college overigens ook is erkend in het verzoekschrift, geen kennelijke, voor partijen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare fout betreft, zodat van rectificatie geen sprake kan zijn.

Het college wijst verder op de mogelijkheid voor de civiele rechter om een uitspraak aan te vullen, die is opgenomen in artikel 32 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering. In de Awb is een dergelijke mogelijkheid niet opgenomen. Dat betekent dat voor de bestuursrechter geen wettelijke grondslag bestaat om een reeds gedane uitspraak aan te vullen. Wel heeft de bestuursrechter de beschikking over het buitenwettelijk middel van vervallenverklaring. Dat wordt echter slechts in zeer bijzondere gevallen toegepast. Het dient uitsluitend tot herstel van evidente, niet voor rectificatie vatbare fouten van de rechter, die niet door het instellen van enig rechtsmiddel kunnen worden ondervangen.

De Afdeling stelt vast dat in de uitspraak van 14 augustus 2019 in de overwegingen 5.1 tot en met 5.3 is geconcludeerd dat in het (in die uitspraak aan de orde zijnde, bij besluit op bezwaar gehandhaafde) besluit van 22 september 2016 ten onrechte is opgenomen dat een overtreding in verband met gebruik in strijd met het bestemmingsplan plaatsvindt en dat het college daarom niet bevoegd is om handhavend op te treden. In die uitspraak is bij de beoordeling van de beroepsgronden het betoog van het college, dat sprake is van overbewoning in de zin van artikel 7.18, eerste lid, van het Bouwbesluit, niet besproken. De Afdeling zal daarom hierna dat betoog inhoudelijk beoordelen.

Het is aan het college om aan te tonen dat ten tijde van het nemen van de handhavingsbesluiten in het pand sprake was van overbewoning. Uit artikel 7.18, eerste lid, van het Bouwbesluit volgt dat sprake is van overbewoning als een woonfunctie wordt bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte. Zowel in de besluiten van 22 september 2016 en 23 februari 2018 als in het daaraan ten grondslag gelegde inspectierapport van 13 september 2016 ontbreekt een berekening van totaal- en gebruiksoppervlakte op grond waarvan kan worden vastgesteld dat sprake is van overbewoning in het pand. Het college heeft de feitelijke situatie in het pand onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Zo wordt uit het inspectierapport niet duidelijk welke ruimtes zijn betrokken in de berekening die het college kennelijk heeft gemaakt om vast te stellen dat sprake is van overbewoning. In dat kader wijst de Afdeling op de in het inspectierapport opgenomen plattegrond van de eerste verdieping van het pand waarop algemene badkamers staan. Onduidelijk is of het college deze gemeenschappelijke badkamers, en de mogelijk andere gemeenschappelijke ruimtes in het pand, heeft meegenomen in zijn berekening. Ook is niet duidelijk welke ruimtes in het pand bij elkaar horen en of de ruimtes in het pand gesplitst zijn in appartementen, of dat de kamers voor kamergewijze verhuur worden verhuurd. Dat maakt dat evenmin duidelijk is wat binnen het pand als een woonfunctie geldt en wat de gebruiksoppervlakte is van deze woonfunctie in de zin van artikel 7.18, eerste lid, van het Bouwbesluit. Onder deze omstandigheden heeft het college naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende gemotiveerd dat ten tijde van het nemen van de besluiten sprake was van overbewoning in het pand, zodat het college niet bevoegd was om handhavend op treden. Dit betekent dat een inhoudelijke beoordeling van het betoog van het college niet leidt tot een andere uitkomst dan in de uitspraak van 14 augustus 2019. De Afdeling ziet dan ook geen grond om tot vervallenverklaring van die uitspraak over te gaan.

Conclusie

6.       Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

7.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2021

418-971.