Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:501

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
202001768/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2019 heeft de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen [appellant] meegedeeld dat de uitslag van het medisch onderzoek is dat hij niet geschikt is om te rijden en dat daarom zijn rijbewijs ongeldig blijft. Op 28 maart 2018 heeft de korpschef van de Politie Eenheid Midden-Nederland aan het CBR een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. In die mededeling is vermeld dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die vereist is voor het besturen van motorrijtuigen. Er is opgemerkt dat [appellant] over een langere periode met regelmaat wordt aangetroffen in een verwarde toestand. Als bijlagen bij de mededeling zijn verschillende mutatierapporten gevoegd. Het CBR heeft naar aanleiding van voormelde informatie aan [appellant] meegedeeld dat hij een medisch onderzoek moet laten doen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001768/1/A2.

Datum uitspraak: 10 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2020 in zaak nr. 19/2999 in het geding tussen:

[appellant]

en

de algemeen directeur (lees: de directie) van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2019 heeft het CBR [appellant] meegedeeld dat de uitslag van het medisch onderzoek is dat hij niet geschikt is om te rijden en dat daarom zijn rijbewijs ongeldig blijft.

Bij besluit van 27 juni 2019 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2021, waar [appellant], in persoon, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op 28 maart 2018 heeft de korpschef van de Politie Eenheid Midden-Nederland aan het CBR een mededeling gedaan als bedoeld in artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. In die mededeling is vermeld dat het vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid die vereist is voor het besturen van motorrijtuigen. Er is opgemerkt dat [appellant] over een langere periode met regelmaat wordt aangetroffen in een verwarde toestand. Als bijlagen bij de mededeling zijn verschillende mutatierapporten gevoegd.

1.1.    Het CBR heeft naar aanleiding van voormelde informatie aan [appellant] meegedeeld dat hij een medisch onderzoek moet laten doen. Omdat [appellant] de kosten voor het medisch onderzoek eerst niet had betaald en daarmee volgens het CBR niet had voldaan aan zijn verplichting om mee te werken aan het onderzoek, heeft het CBR zijn rijbewijs bij besluit van 3 augustus 2018 ongeldig verklaard. De daartegen gemaakte bezwaren heeft het CBR ongegrond verklaard.

1.2.    Op 15 december 2018 is [appellant] medisch onderzocht door N. Gerrits-Bayat, psychiater, en D.F. Boerwinkel, keurend arts, van het Bureau Rijbewijskeuringen. In het rapport van dat onderzoek staat dat [appellant] een psychotische stoornis NAO (Niet Anderszins Omschreven) en een persoonlijkheidsstoornis NAO heeft. Ook staat in dat rapport dat op basis van het onderzoek kan worden vastgesteld dat [appellant] met de huidige klachten en het ontbreken of weigeren van een adequate behandeling en begeleiding niet rijgeschikt is.

1.3.    Het CBR heeft het rapport ten grondslag gelegd aan het besluit van 8 mei 2019, waarbij [appellant] is meegedeeld dat hij niet geschikt is om te rijden, zodat zijn rijbewijs ongeldig blijft. [appellant] heeft daartegen bezwaar gemaakt. Dat bezwaar heeft het CBR ongegrond verklaard bij het besluit van 27 juni 2019. Daartegen heeft [appellant] beroep ingesteld.

Oordeel van de rechtbank

2.       De rechtbank heeft overwogen dat het CBR een rapport van een deskundige alleen maar terzijde mag schuiven als dat rapport niet deugt. Bijvoorbeeld omdat het op een onzorgvuldige manier tot stand is gekomen, er tegenstrijdigheden in staan of dat de in het rapport getrokken conclusies niet logisch voortvloeien uit wat daarvoor is vastgesteld. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling. De rechtbank heeft als voorbeeld gewezen op een uitspraak van 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:633. Het ligt op de weg van [appellant] om aan te tonen of op zijn minst twijfel te zaaien over de juistheid van het rapport van het onderzoek van 15 december 2018, in die zin dat er dus iets mis is met het onderzoek en met het rapport. [appellant] is hierin naar het oordeel van de rechtbank niet geslaagd. Hij heeft geen medisch stuk overgelegd waaruit iets anders blijkt. [appellant] weerspreekt de bevindingen wel, maar dat is gelet op wat is uitgelegd over de vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter, onvoldoende. Hij heeft ook geen tweede onderzoek gevraagd aan het CBR. Dat dit geldt kost, is daarvoor mogelijk een belemmering geweest, maar hij heeft niet aangetoond dat het voor hem onmogelijk is om aan geld hiervoor te komen en/of dat hij dit wel heeft geprobeerd. Het enkele feit dat [appellant] dit tweede onderzoek niet heeft kunnen laten verrichten is overigens op zichzelf ook geen reden om te concluderen dat het CBR niet van het rapport uit zou mogen gaan.

Het voorgaande betekent volgens de rechtbank dat het CBR zich op het rapport mocht baseren en het rijbewijs van [appellant] ongeldig mocht verklaren, omdat uit het rapport volgt dat hij niet voldoet aan de eisen van rijgeschiktheid.

Wettelijk kader

3.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroep en beoordeling ervan

4.       [appellant] wil dat de Afdeling het besluit dat hij zijn rijbewijs niet meer mag gebruiken, ongedaan maakt. Hij heeft aangevoerd dat hij heel goed auto kan rijden en daartoe geestelijk en lichamelijk zeer goed in staat is. Hij heeft nog nooit ongelukken of schade veroorzaakt en begrijpt niet hoe het CBR en de rechter zo’n beslissing kunnen nemen. Hij rijdt al 40 jaar goed en vindt de redenen om zijn rijbewijs in te vorderen onzin. Op de zitting heeft hij toegelicht dat die redenen niets te maken hebben met autorijden. [appellant] heeft een rapport van prof. dr. A.W. Braam, psychiater, van Altrecht acute psychiatrie, crisisdienst Utrecht van 25 november 2020 overgelegd. Dit rapport heeft hij op de zitting nogmaals overgelegd. Ook heeft hij op de zitting uitvoerig toegelicht dat het CBR een onjuiste beslissing heeft genomen en dat hem onrecht is aangedaan.

4.1.    Het CBR mag afgaan op het psychiatrisch rapport dat aan het CBR is uitgebracht, nadat het is nagegaan of dit rapport op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Als belanghebbende concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het rapport, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht, mag het CBR niet zonder nadere motivering op het rapport afgaan. Zo nodig vraagt het orgaan de adviseur een reactie op wat de belanghebbende over het advies heeft aangevoerd.

4.2.    Vanwege de mededeling van de politie moest het CBR onderzoeken of [appellant] een psychiatrische stoornis heeft als bedoeld in hoofdstuk 8 van de Regeling eisen geschiktheid 2000. Dit onderzoek is uitgevoerd door Gerrits-Bayat en Boerwinkel. Uit het rapport van dat onderzoek volgt dat zij [appellant] ongeschikt achten om te rijden, omdat zij hebben vastgesteld dat hij een psychotische stoornis NAO en een persoonlijkheidsstoornis NAO heeft. In het eerst in hoger beroep overgelegde rapport van Braam staat dat van een psychotische stoornis geen sprake is. Braam heeft kort beschreven wat de zorgbemoeienis vanaf 1989 tot zover is geweest. Volgens hem blijkt uit de consistente dossiervoering van de laatste jaren geen psychotische stoornis. In het rapport van Gerrits-Bayat en Boerwinkel staat dat na lang aandringen aanvullende informatie is verkregen van eerdere behandelaars van [appellant], waaruit blijkt dat hij al bijna 30 jaar in beeld is van de geestelijke gezondheidszorg met wisselende diagnoses, waaronder een psychotische stoornis. Uit die aanvullende informatie, die is overgelegd en deels is aangehaald in het rapport, blijkt ook dat, zoals het CBR op de zitting terecht heeft aangevoerd, in het verleden wel de diagnose psychotische stoornis is gesteld. Wat Braam naar voren heeft gebracht is onvoldoende om daarvan niet uit te gaan. Daarnaast leidt de Afdeling uit het rapport van Gerrits-Bayat en Boerwinkel af dat zij bij hun oordeel weliswaar het medisch dossier van [appellant] hebben betrokken, maar dat zij ook aan de hand van een eigen psychiatrisch onderzoek hebben beoordeeld of [appellant] een psychotische stoornis heeft. Uit het rapport van Braam blijkt dat hij [appellant] op 29 oktober 2020 heeft onderzocht. Dat is bijna twee jaar na het onderzoek op 15 december 2018 door Gerrits-Bayat en Boerwinkel. Het CBR heeft op de zitting terecht aangevoerd dat er, gelet op het tijdsverloop, een wijziging kan zijn ten opzichte van het verleden en een andere diagnose kan worden gesteld. Het CBR moest echter uitgaan van de situatie ten tijde van het bestreden besluit. Daarbij heeft het CBR erop gewezen, dat wanneer na verloop van tijd een wijziging in gunstige zin optreedt het rijbewijs opnieuw kan worden aangevraagd.

Gelet op het voorgaande heeft [appellant] met het rapport van Braam geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het rapport van Gerrits-Bayat en Boerwinkel naar voren gebracht. Het rapport van Braam legt namelijk niet uit wat de geestelijke toestand van [appellant] was in de periode kort voor de beslissing van het CBR. Daarom heeft het CBR het  rapport van Gerrits-Bayat en Boerwinkel aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 8 mei 2019 ten grondslag mogen leggen.

Het betoog faalt.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.1.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Sanchit-Premchand, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2021

691.

 

BIJLAGE - Wettelijk kader

 

Wegenverkeerswet 1994

Artikel 130

1. Indien bij de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer beschikt over de rijvaardigheid dan wel over de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, doen zij daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

[…]

Artikel 131

1. Indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, besluit het CBR in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen respectievelijk tot:

[…]

c. een onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid.

Het besluit wordt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de mededeling, genomen.

[…]

Artikel 133

1. In de in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel c, bedoelde gevallen legt het CBR bij het in dat artikel bedoelde besluit betrokkene de verplichting op zich te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

2. Het CBR bepaalt de aard van het onderzoek en bepaalt door welke deskundige of deskundigen het onderzoek zal worden verricht.

3. Het onderzoek kan in gedeelten plaatsvinden. Tijd en plaats van het onderzoek dan wel de delen daarvan worden overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels door het CBR vastgesteld.

4. De kosten verbonden aan het opleggen van een onderzoek naar de rijvaardigheid of de geschiktheid komen ten laste van iedereen aan wie overeenkomstig het eerste lid de verplichting tot deelname aan zo’n onderzoek is opgelegd. De hoogte van deze kosten wordt door het CBR vastgesteld. In geval van niet, niet geheel of niet op aangegeven wijze of binnen de aangegeven termijnen betalen van deze kosten vaardigt het CBR een dwangbevel uit aan de nalatige. Voor de toepassing van titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit als bedoeld in artikel 131, eerste lid, aanhef en onderdeel b, aangemerkt als beschikking als bedoeld in artikel 4.86 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De kosten verbonden aan de uitvoering van het onderzoek, waarvan de hoogte door het CBR wordt vastgesteld, komen in de bij ministeriële regeling bedoelde gevallen ten laste van betrokkene.

6. Het onderzoek vangt zo spoedig mogelijk aan.

7. De bevindingen van het onderzoek worden door de deskundige of de deskundigen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk acht weken na aanvang van het onderzoek, dan wel van het eerste gedeelte daarvan, schriftelijk meegedeeld aan het CBR.

8. Het CBR kan in bijzondere gevallen toestaan dat door de deskundige of de deskundigen van de in het zesde lid bedoelde termijn wordt afgeweken.

Artikel 134

1. Het CBR stelt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast. Van deze uitslag doet het CBR mededeling aan betrokkene. Indien een of meer deskundigen bij hun bevindingen hebben aangetekend dat inzage daarvan naar hun oordeel kennelijk ernstig nadeel voor betrokkene zou opleveren, deelt het CBR de bevindingen schriftelijk mede aan de door betrokkene aangewezen vertrouwensarts.

2. Het CBR besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

3. Indien het CBR voornemens is het rijbewijs ongeldig te verklaren, deelt het dit mede aan de houder, tevens onder mededeling van de bevoegdheid van betrokkene om binnen twee weken een tweede onderzoek te verlangen. De aan dit tweede onderzoek verbonden kosten, waarvan de hoogte door het CBR wordt vastgesteld, komen ten laste van betrokkene. De artikelen 132 en 133 alsmede het eerste en het vierde lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing. De in de eerste volzin bedoelde mededeling wordt niet gedaan, indien het rijbewijs van de houder inmiddels op grond van artikel 123b ongeldig is geworden.

4. Indien het CBR besluit dat het rijbewijs van de houder ongeldig wordt verklaard, wordt daarbij bepaald op welk deel van de geldigheidsduur alsmede op welke categorie of categorieën van motorrijtuigen waarvoor het rijbewijs is afgegeven de ongeldigverklaring betrekking heeft. Artikel 132, vierde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing.

5. Indien de uitslag van het onderzoek aanleiding geeft tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van betrokkene, plaatst het CBR, indien dat rijbewijs zijn geldigheid heeft verloren door het verstrijken van de geldigheidsduur, een aantekening in het rijbewijzenregister waaruit blijkt dat de houder bij de aanvraag van een nieuw rijbewijs op de bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde wijze dient aan te tonen dat hij, al naar gelang de aard van het onderzoek, beschikt over de lichamelijke en geestelijke geschiktheid dan wel de rijvaardigheid die is vereist voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie of categorieën waarop het onderzoek betrekking had.

[…]

Regeling eisen geschiktheid 2000

Hoofdstuk 8. Psychiatrische stoornissen

8.2 Schizofreniespectrumstoornissen en andere psychotische stoornissen

In alle gevallen geldt dat bij psychiatrische comorbiditeit of cognitieve stoornissen tevens de eisen uit de betreffende paragrafen uit dit hoofdstuk van toepassing zijn.

8.2.1. Kortdurende psychotische stoornis

a. groep 1: Personen die een kortdurende psychotische episode hebben doorgemaakt en die zes maanden recidiefvrij zijn, kunnen op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 voor een termijn van maximaal vijf jaar.

[…]

8.2.2. Schizofreniespectrumstoornissen (schizofrenie, schizoaffectieve stoornis, schizofreniforme stoornis)

a. groep 1: Personen met een schizofreniespectrumstoornis die succesvol worden behandeld: zes maanden recidiefvrij, zekere mate van ziekte-inzicht en geringe ‘negatieve symptomen’, kunnen op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 voor een termijn van maximaal vijf jaar.

[…]

8.2.4. Overige psychotische stoornissen

Personen met een psychotische stoornis, die niet valt onder bovenstaande paragrafen, kunnen na een geslaagde behandeling (zes maanden recidiefvrij) op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2.

8.7 Persoonlijkheidstoornissen

Personen die op grond van stoornissen in hun persoonlijkheid grote aanpassingsmoeilijkheden hebben met betrekking tot de eisen van de maatschappij, zullen in de regel ook in het verkeer onaangepaste gedragingen vertonen, waardoor zij ongeschikt kunnen zijn voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer. Mensen met ernstige persoonlijkheidsstoornissen (zoals bijvoorbeeld antisociale persoonlijkheidsstoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis en paranoïde persoonlijkheidsstoornis) zijn ongeschikt voor elk rijbewijs, wanneer zij duidelijk blijk hebben gegeven (bijvoorbeeld in de vorm van grove verkeersovertredingen of -delicten) van:

gebrek aan sociale verantwoordelijkheid of gebrekkig geweten;

miskenning van de risico’s van rijden onder invloed van alcohol of andere gedragsbeïnvloedende middelen (zie ook paragraaf 8.8).

Voor elke beslissing op dit gebied is een specialistisch rapport geboden.