Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:5

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-01-2021
Datum publicatie
06-01-2021
Zaaknummer
202002947/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:6904, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht de aanvraag van [appellante] voor vergoeding van de eigen bijdrage voor kinderopvang over 2016 afgewezen. Het college heeft geweigerd de eigen bijdrage over de eerste maanden van 2016 voor de opvang van haar kinderen aan [appellante] te vergoeden omdat zij zich naar buiten toe niet gedraagt als gescheiden levend van haar ex-echtgenoot, tevens de vader van haar kinderen (hierna: de ex). Zij is daarom geen alleenstaande moeder, aldus het college. Volgens [appellante] is zij wel een alleenstaande moeder die gescheiden leeft van haar ex. Daarom heeft zij recht op vergoeding van de eigen bijdrage voor de opvang over de eerste maanden van 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002947/1/A2.

Datum uitspraak: 6 januari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 december 2016 in zaak nr. 16/2799 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2016 heeft het college de aanvraag van [appellante] voor vergoeding van de eigen bijdrage voor kinderopvang over 2016 afgewezen.

Bij besluit van 2 mei 2016 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 december 2016 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 november 2020, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. N. Saidi, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door E. Chahid, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het college heeft geweigerd de eigen bijdrage over de eerste maanden van 2016 voor de opvang van haar kinderen aan [appellante] te vergoeden omdat zij zich naar buiten toe niet gedraagt als gescheiden levend van haar ex-echtgenoot, tevens de vader van haar kinderen (hierna: de ex). Zij is daarom geen alleenstaande moeder, aldus het college.

Volgens [appellante] is zij wel een alleenstaande moeder die gescheiden leeft van haar ex. Daarom heeft zij recht op vergoeding van de eigen bijdrage voor de opvang over de eerste maanden van 2016.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een alleenstaande moeder is. De rechtbank heeft in dit verband overwogen dat [appellante] hierover geen enkel bewijs heeft overgelegd. Ook de plaatsingsovereenkomsten van de kinderen bij [kinderopvanginstelling] van 10 december 2015 wijzen erop dat zij niet alleenstaand was, omdat deze zowel op haar naam als op die van haar ex staan, onder vermelding van haar adres. Verder heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [appellante] onvoldoende heeft meegewerkt aan het onderzoek van het college naar haar woonsituatie. Volgens het verslag van het huisbezoek van de gemeentelijke handhavingsspecialisten is op 15 april 2016 geprobeerd een huisbezoek af te leggen, maar werd de deur niet open gedaan en heeft [appellante] op het moment van het huisbezoek geen telefonische verklaring willen afleggen over waar zij was. Daarbij komt dat [appellante] achteraf wisselende verklaringen heeft afgelegd over waar zij op dat moment zou zijn geweest.

Hoger beroep en beoordeling

3.    [appellante] heeft overeenkomstig de rechtsmiddelenclausule onder de uitspraak van de rechtbank hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad). De Raad heeft zich bij mondelinge uitspraak van 13 november 2018 onbevoegd verklaard kennis te nemen van dit hoger beroep. In het proces-verbaal van deze uitspraak staat dat de Raad het hoger beroepschrift zal doorzenden naar de Afdeling.

Bij brief van 7 mei 2020 heeft [appellante] bij de Afdeling geïnformeerd of het hoger beroepschrift is doorgestuurd en zo niet, verzocht de zaak alsnog in te boeken. Het hoger beroepschrift was niet bekend bij de Afdeling. De Afdeling heeft dit daarom alsnog in behandeling genomen.

4.     [appellante] betoogt dat zij sinds november 2012 is gescheiden van haar ex en sindsdien gescheiden van hem leeft. Haar ex woont op een ander adres.

Dat de plaatsingsovereenkomsten mede zijn ondertekend door haar ex, komt volgens [appellante] omdat de kinderopvanginstelling om de handtekening van beide ouders heeft gevraagd. Later heeft zij gebruik gemaakt van een nieuwe kinderopvanginstelling en staan de overeenkomsten enkel op haar naam. Volgens [appellante] speelt haar ex geen rol in het leven van de kinderen. Dat zij na de echtscheiding nog kinderen van haar ex heeft gekregen, heeft te maken met haar sterke kinderwens en dat zij kinderen wilde van dezelfde man.

Ook voert [appellante] aan dat zij wel wilde meewerken aan het huisbezoek maar dat dat onmogelijk was omdat zij op dat moment niet in de buurt van haar woning was en zich overvallen voelde door het telefonisch verzoek hieraan mee te werken. Volgens [appellante] heeft zij later alsnog meegewerkt aan een huisbezoek en kon zij als een alleenstaande moeder worden aangemerkt.

De weigering van het college de eigen bijdrage over de eerste maanden van 2016 te vergoeden is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiverings-beginsel, aldus [appellante].

5.    Ingevolge artikel 1.13 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (hierna: de Wko) kan het college aan een ouder als bedoeld in artikel 1.6, eerste lid, onderdelen c, e, j, k of l, een tegemoetkoming verstrekken in aanvulling op de kinderopvangtoeslag, zodanig dat het totaal van de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan de kosten van kinderopvang, bedoeld in artikel 1.7, eerste lid van die wet.

6.    Het college maakt bij het verstrekken van een tegemoetkoming gebruik van de Beleidsregel vergoeding kosten kinderopvang Utrecht 2013 (hierna: de beleidsregel). Hierin staat dat het college een ouder een tegemoetkoming kan verstrekken in aanvulling op de kinderopvangtoeslag, zodanig dat het totaal van de kinderopvangtoeslag en de tegemoetkoming niet meer bedraagt dan de kosten van de kinderopvang. Doelgroep van de beleidsregel is onder meer een ouder jonger dan 27 jaar zonder startkwalificatie die geen recht heeft op een bijstandsuitkering en terug naar school wordt begeleid. De beleidsregel is uitgewerkt in het Handboek Stimulansz. Volgens dit handboek komt een alleenstaande ouder in aanmerking voor vergoeding van de kosten van de eigen bijdrage.

7.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het aan [appellante] is om feiten te stellen en zo nodig aannemelijk te maken waaruit volgt dat zij in aanmerking komt voor vergoeding van de eigen bijdrage voor kinderopvang over de eerste maanden van 2016. Vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:793. Dit betekent in deze zaak dat [appellante] aannemelijk moet maken dat zij een alleenstaande ouder is.

8.    Het college heeft het besluit op bezwaar van 2 mei 2016 gebaseerd op de plaatsingsovereenkomsten met de kinderopvanginstelling, eerdere gegevens van Werk en Inkomen en het niet meewerken van [appellante] aan het huisbezoek.

8.1.    De plaatsingsovereenkomsten van de kinderen van [appellante] met [kinderopvanginstelling] van 10 december 2015, ingangsdatum 1 januari 2016, staan op naam van [appellante] en haar ex. Onder de naam van de ex in deze overeenkomst staat het adres van [appellante] vermeld. [appellante] heeft haar stelling dat dit een verplichting was van de zijde van [kinderopvanginstelling] niet onderbouwd. In dit verband heeft het college ook gewicht kunnen toekennen aan bij Werk en Inkomen bekende informatie over de woon- en leefsituatie van [appellante]. Volgens deze gegevens is een eerdere bijstandsuitkering stopgezet vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar ex.

8.2.    Daarbij komt dat [appellante] heeft geweigerd mee te werken aan het huisbezoek. Dit bezoek was volgens het college noodzakelijk om te onderzoeken of [appellante] op het door haar opgegeven adres woonachtig was, en zo ja, onder welke omstandigheden en eventueel met wie. Terecht heeft de rechtbank over het betoog van [appellante] dat zij wel wilde meewerken aan het huisbezoek, maar dat dit onmogelijk was omdat zij op dat moment niet in de buurt van haar woning was en zij zich overvallen voelde door het telefonisch verzoek hieraan mee te werken, overwogen dat zij op het moment van het huisbezoek geen verklaring heeft willen afleggen over waar zij was. Dit volgt uit het verslag van het huisbezoek. Hierin staat dat handhavingsspecialisten op 15 april 2016 om ongeveer 16.45 uur hebben geprobeerd een huisbezoek af te leggen aan de woning van [appellante]. Omdat de deur niet werd open gedaan, hebben de handhavingsspecialisten [appellante] gebeld. Zij wilde desgevraagd niet vertellen waar zij op dat moment was en ook wilde zij niet naar haar woning komen. Verder heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellante] wisselende verklaringen heeft afgelegd over waar zij op dat moment was. Zo heeft zij op 21 april 2016 aan het college laten weten dat zij op het moment van het telefonisch contact op 15 april 2016 op school zat. Dit komt echter niet overeen met het feit dat [appellante] gewoonlijk tot maximaal 16.00 uur op school was, noch met de verklaring van haar in beroep en hoger beroep dat zij op het moment dat de handhavingsspecialisten haar belden op bezoek was bij haar zus in Rotterdam.

Dat [appellante] later wel heeft meegewerkt aan een huisbezoek is in deze zaak niet relevant. Dat huisbezoek is afgelegd naar aanleiding van een andere aanvraag en ziet dus niet op deze zaak.

8.3.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het besluit van 2 mei 2016 zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd.

8.4.    Dit betekent dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een alleenstaande ouder is. Het college heeft dan ook terecht de aanvraag om vergoeding van de eigen bijdrage voor kinderopvang over de eerste maanden van 2016 afgewezen.

9.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2021

85.