Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:493

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
202003864/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heiloo onder meer de locaties H759 en H761, zoals aangegeven op de bij het besluit behorende tekening, aangewezen als clusterplaatsen voor het plaatsen van rolcontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval. Het bestreden besluit voorziet in de aanwijzing van een aantal clusterplaatsen voor rolcontainers. De bestreden locaties worden in het besluit van 26 mei 2020 aangeduid als H759, die uit drie verschillende clusterplaatsen bestaat, en H761. [appellant] woont op het perceel [locatie]], tegenover een van de aangewezen clusterplaatsen van locatie H759. Hij kan zich niet verenigen met de aanwijzing van deze locatie. Daarnaast kan [appellant] zich niet verenigingen met de aanwijzing van locatie H761.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003864/1/R1.

Datum uitspraak: 10 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Heiloo,

en

het college van burgemeester en wethouders van Heiloo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2020 heeft het college onder meer de locaties H759 en H761, zoals aangegeven op de bij het besluit behorende tekening, aangewezen als clusterplaatsen voor het plaatsen van rolcontainers ten behoeve van de inzameling van huishoudelijk afval.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2021, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M. Goossens, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het bestreden besluit voorziet in de aanwijzing van een aantal clusterplaatsen voor rolcontainers. De bestreden locaties worden in het besluit van 26 mei 2020 aangeduid als H759, die uit drie verschillende clusterplaatsen bestaat, en H761.

[appellant] woont op het perceel [locatie]], tegenover een van de aangewezen clusterplaatsen van locatie H759. Hij kan zich niet verenigen met de aanwijzing van deze locatie. Daarnaast kan [appellant] zich niet verenigingen met de aanwijzing van locatie H761.

Ontvankelijkheid

2.       Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk is, voor zover het gericht is tegen de aanwijzing van locatie H759, omdat hij ten aanzien van deze aanwijzing geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Ter zitting is echter gebleken dat [appellant], anders dan het college eerder had verondersteld, tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, namelijk op 29 maart 2020. De Afdeling acht het beroep van [appellant], voor zover gericht tegen de aanwijzing van locatie H759, ontvankelijk.

Toetsingskader

3.       Bij de keuze van een locatie voor clusterplaatsen voor rolcontainers dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2506), komt het college bij de keuze voor locaties voor clusterplaatsen beleidsruimte toe. Dit betekent dat de Afdeling, aan de hand van de beroepsgronden, beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn keuze voor de aangewezen locatie heeft kunnen komen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor een clusterplaats.

Inhoudelijk

Locatie H759

4.       [appellant] betoogt dat de locatie H759 ten behoeve van de clusterplaats ten onrechte voor zijn woning is gesitueerd. Hierdoor stelt hij niet meer via de voordeur zijn woning te kunnen betreden en verlaten. Dit zorgt volgens [appellant] voor gevaarlijke situaties in geval van nood. [appellant] betoogt verder dat het college ten onrechte meent dat er zeven rolcontainers geplaatst zullen worden binnen de clusterplaats H759. In werkelijkheid komen er volgens [appellant] negen containers. [appellant] vreest daarnaast voor een aantasting van de verkeersveiligheid. In dit verband stelt hij dat niet meer met zijn fiets, brommer of scootmobiel rechtstreeks de openbare weg kan oversteken. Ook voert [appellant] aan dat buurtbewoners overlast veroorzaken door hun auto op de aangewezen locatie voor de clusterplaats te parkeren of de rolcontainer niet op de juiste plaats aan te bieden of deze te lang te laten staan na het moment van ophalen.

4.1.    Het college heeft ter zitting toegelicht dat de rolcontainers naast elkaar aan de straatkant geplaatst kunnen worden. Daarnaast heeft het college toegelicht dat er tussen de rolcontainers op de clusterplaats en de ingang van het tuinpad van [appellant] een ruimte overblijft van ongeveer 3 m. [appellant] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Het plaatsen van de rolcontainers beperkt de hulpdiensten of omwonenden niet om gebruik te kunnen maken van de doorgang aan de zijkant van de woning van [appellant] volgens het college. Het college heeft verder toegelicht dat de aangewezen locatie bestemd en geschikt is voor zeven rolcontainers. Aan de overkant van de straat bevinden zich nog twee delen van dezelfde clusterplaats. De drie delen van clusterplaats H759 bieden samen voldoende ruimte voor alle aan deze clusterplaats verbonden gebruikers. Indien de clusterplaats vol staat dienen buurtbewoners de containers op een ander gedeelte van de clusterplaats aan te bieden die slechts enkele meters verderop is gesitueerd, aldus het college. De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan de juistheid van hetgeen het college met betrekking tot de hoeveelheid rolcontainers naar voren heeft gebracht.

Voor zover [appellant] heeft betoogd dat hij door de aangewezen locatie voor de clusterplaats niet meer de openbare weg kan oversteken met zijn scootmobiel, brommer of fiets, overweegt de Afdeling als volgt. Het college heeft uiteengezet dat locatie H759 voldoet aan het criterium dat de verkeersveiligheid dient te worden gewaarborgd. Daarbij heeft het college er onder andere op gewezen dat de maximumsnelheid voor het wegverkeer ter plaatse 30 km/u bedraagt en dat er voldoende gelegenheid is voor weggebruikers om rekening te houden met spelende kinderen, ook ter hoogte van clusterplaats H759. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de toelichting van het college te twijfelen. Daarbij betrekt de Afdeling dat het gaat om een woonwijk waarin een maximumsnelheid van 30 km/u geldt. Voor zover [appellant] daarnaast betoogt dat buurtbewoners overlast veroorzaken door hun auto op de aangewezen locatie voor de clusterplaats te parkeren of de rolcontainer niet op de juiste plaats aan te bieden of deze te lang te laten staan na het moment van ophalen, overweegt de Afdeling dat dit een handhavingskwestie betreft die niet in deze procedure aan bod kan komen.

4.2.    De Afdeling overweegt dat [appellant] weliswaar mogelijk enige hinder zal kunnen ondervinden vanwege het gebruik van de clusterplaats voor zijn woning, maar dit zal, gelet op de gegeven toelichting van het college, niet voor onaanvaardbare overlast zorgen. Het college heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen reden hoeven te vinden om af te zien van de aanwijzing van de locatie.

Het betoog faalt.

Locatie H761

5.       Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat er verkeersonveilige situaties ontstaan ter hoogte van locatie H761 omdat de clusterplaats bij een onoverzichtelijke bocht is gesitueerd, overweegt de Afdeling als volgt. Het college is bij de definitieve aanwijzing van deze clusterplaats tegemoet gekomen aan de zienswijze van [appellant], waarna clusterplaats H761 is gesplitst en verplaatst zodat deze zich niet meer nabij een bocht bevindt. Niet is gebleken van een zodanige verkeersonveilige situatie dat het college deze locatie niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen.

Het betoog faalt.

Conclusie

6.       Het beroep is ongegrond.

7.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2021

91-928.