Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:492

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
202002869/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht opstelplaatsen van containers voor het aanbieden van huishoudelijk restafval aangewezen. Het besluit van 6 januari 2020 voorziet onder meer in de aanwijzing van een opstelplaats van containers voor het aanbieden van huishoudelijk restafval nabij de percelen Everard Meijsterlaan 97 en de [locatie] te Utrecht. [appellante] woont aan de [locatie] te Utrecht en kan zich niet met de aanwijzing van deze locatie verenigen. Zij stelt dat de opstelplaats de toegang tot haar garage ten onrechte blokkeert. Dit leidt volgens haar tot overmatige hinder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002869/1/R1.

Datum uitspraak: 10 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Utrecht,

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 januari 2020 heeft het college opstelplaatsen van containers voor het aanbieden van huishoudelijk restafval aangewezen.

Bij besluit van 30 april 2020 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2021, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en H.J. Brouwer, advocaat te Baarn, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.K. Rijvers, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het besluit van 6 januari 2020 voorziet onder meer in de aanwijzing van een opstelplaats van containers voor het aanbieden van huishoudelijk restafval nabij de percelen Everard Meijsterlaan 97 en de [locatie] te Utrecht.

[appellante] woont aan de [locatie] te Utrecht en kan zich niet met de aanwijzing van deze locatie verenigen. Zij stelt dat de opstelplaats de toegang tot haar garage ten onrechte blokkeert. Dit leidt volgens haar tot overmatige hinder.

Toetsingskader

2.       Artikel 10.23, eerste lid, van de Wet milieubeheer luidt: "De gemeenteraad stelt in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast."

3.       Artikel 4 van de Afvalstoffenverordening Utrecht 2010 bepaalt:

"1. De inzameling kan plaatsvinden via:

a. een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel;

b. een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen;

c. een inzamelvoorziening op wijkniveau;

d. een brengdepot op lokaal of regionaal niveau.

2. Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt."

Artikel 10 bepaalt:

"[…];

3. Het college kan regels stellen omtrent het gebruik van een van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of inzamelvoorziening.

4. Het college kan regels stellen omtrent de plaats en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden.

5. Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen op andere wijze ter inzameling aan te bieden dan krachtens dit artikel is bepaald."

4.       Bij de aanwijzing van opstelplaatsen van containers voor het aanbieden van huishoudelijk restafval dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Daarbij heeft het college beleidsruimte. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden en de eventueel naar voren gebrachte alternatieve locaties beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

Hinder oprit

5.       [appellante] betoogt dat de aangewezen locatie voor een opstelplaats van containers voor het aanbieden van huishoudelijk restafval zorgt voor hinder bij het gebruik van haar garage. Zij stelt in dit verband dat de opstelplaats te smal is en vreest dat omwonenden de containers op haar oprit zullen plaatsen. Ook vreest zij dat de containers bij het ophalen van het vuilnis op de verkeerde plek terug zullen worden geplaatst. Daarnaast vreest [appellante] dat de overlast alleen maar zal toenemen, aangezien er straks meer mensen gebruik zullen maken van deze opstelplaats.

5.1.    De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college de opstelplaats van containers niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen. Het college heeft daarbij kunnen betrekken dat met het besluit van 30 april 2020 de opstelplaats voor containers naar één kant van de oprit is verplaatst in plaats van aan weerszijden van de oprit, om zo voldoende ruimte over te laten voor het gebruik van de garage van [appellante]. Het college heeft toegelicht dat de oprit ter plaatse ongeveer 6 m breed is. De opstelplaats neemt ongeveer de helft van de oprit in beslag. Hiermee blijft er nog ongeveer 3 m aan ruimte beschikbaar voor het gebruikmaken van de oprit. Het college heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat er met het besluit van 6 januari 2020 meerdere opstelplaatsen zijn aangewezen, waardoor er minder containers bij de aangewezen locatie geplaatst zullen worden en het risico op overlast door foutief geplaatste containers op die plek minder groot zal zijn. Het college heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat de inzameldienst wordt opgedragen om bij het terugplaatsen van de containers rekening te houden met de aangewezen opstelplaats. Ook heeft het college hierbij mogen betrekken dat de containers tweemaal per week worden aangeboden en pas vanaf 20:00 uur voorafgaand aan de dag van inzamelen op de aangewezen locatie mogen worden geplaatst. Na het legen moeten de containers die dag voor 00:00 uur worden weggehaald, zodat eventuele hinder door blokkering van de oprit van [appellante] door het inzamelvoertuig niet zodanig is dat het de locatie niet in redelijkheid kon aanwijzen.

5.2.    De stelling van [appellante] dat hinder zal ontstaan in verband met het verkeerd aanbieden van afval, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college de locatie niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen. Indien de containers op een verkeerde plek terug zullen worden gezet door buurtbewoners, betreft dat een kwestie van handhaving.

Het betoog slaagt niet.

Alternatieve locatie

6.       [appellante] betoogt verder dat het college de locatie niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen, omdat er een geschiktere alternatieve locatie bestaat. In dit verband wijst zij op de locatie links van haar oprit. Zij voert hierover aan dat er door het opofferen van een parkeerplaats de stoep kan worden doorgetrokken naar de Everard Meijsterlaan, waardoor volgens haar een optimale opstelplaats ontstaat.

6.1.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de door [appellante] aangedragen alternatieve locatie niet geschikter is dan de aangewezen locatie. Daarbij acht het college van belang dat er met de aangedragen locatie een parkeerplaats zal komen te vervallen. Het is volgens het college niet wenselijk om een parkeerplek op te offeren voor de realisatie van een opstelplaats voor containers. Hierbij heeft het college de hoge parkeerdruk in de buurt in aanmerking genomen.

De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van wat het college over de geschiktheid van de aangedragen alternatieve locatie in dit verband naar voren heeft gebracht. Hoewel niet onbegrijpelijk is dat [appellante] de opstelplaats voor containers liever niet in de directe nabijheid van haar garage en oprit geplaatst zou zien, bestaat in het licht van het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de voorgestelde alternatieve locatie zodanig geschikter is, dat het college deze in redelijkheid had moeten verkiezen boven de aangewezen locatie. Dat zou mogelijk anders zijn geweest wanneer de opstelplaats was geprojecteerd op de oprit naar haar garage, maar daarvan is in dit geval geen sprake.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

7.       Het beroep is ongegrond.

8.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2021

91-928.