Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:489

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
202001212/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om herziening van de huurtoeslag over 2016 afgewezen. Volgens de Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] over 2016 te veel voorschot huurtoeslag ontvangen omdat zij voordeel uit sparen en beleggen heeft genoten. De dienst heeft de definitief berekende huurtoeslag over 2016 daarom op nihil gesteld. Bij besluit van 11 december 2017 heeft de dienst het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. [appellante] is hiertegen niet in beroep gegaan zodat dit besluit in rechte vaststaat. [appellante] heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om de definitief berekende huurtoeslag te herzien. Volgens haar heeft zij recht op elf maanden huurtoeslag omdat ze pas op 1 december 2016 met haar partner is gaan samenwonen en haar partner pas vanaf die datum als haar toeslagpartner kan worden aangemerkt. De dienst heeft dit verzoek afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001212/1/A2.

Datum uitspraak: 10 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 22 januari 2020 in zaak nr. 19/2923 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om herziening van de huurtoeslag over 2016 afgewezen.

Bij besluit van 13 mei 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door

[appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 januari 2020 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.       Volgens de Belastingdienst/Toeslagen heeft [appellante] over 2016 te veel voorschot huurtoeslag ontvangen omdat zij voordeel uit sparen en beleggen heeft genoten. De dienst heeft de definitief berekende huurtoeslag over 2016 daarom op nihil gesteld. Bij besluit van 11 december 2017 heeft de dienst het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. [appellante] is hiertegen niet in beroep gegaan zodat dit besluit in rechte vaststaat.

2.       [appellante] heeft de Belastingdienst/Toeslagen verzocht om de definitief berekende huurtoeslag te herzien. Volgens haar heeft zij recht op elf maanden huurtoeslag omdat ze pas op 1 december 2016 met haar partner is gaan samenwonen en haar partner pas vanaf die datum als haar toeslagpartner kan worden aangemerkt. De dienst heeft dit verzoek afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Volgens de dienst heeft [appellante] geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht en is een herziening dus niet aan de orde.

Aangevallen uitspraak

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat [appellante] ook in de procedure die heeft geleid tot het besluit van 11 december 2017 naar voren heeft gebracht dat zij eerst op 1 december 2016 met haar partner is gaan samenwonen en daarom recht zou hebben op huurtoeslag over de eerste elf maanden van 2016.

Hoger beroep en beoordeling

4.       [appellante] is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank. Volgens haar heeft zij recht op huurtoeslag over de eerste elf maanden van 2016 omdat zij en haar partner op 1 december 2016 een notarieel samenlevingscontract hebben afgesloten. Pas vanaf dat moment is haar partner ook haar toeslagpartner. Daarbij komt dat zij een laag inkomen heeft, de eerste elf maanden van 2016 met haar drie kinderen op een ander adres heeft gewoond en wel voorschotten huurtoeslag over 2016 heeft ontvangen. Ook is de dienst er ten onrechte vanuit gegaan dat zij een vermogen van € 30.000,00 heeft.

5.       Artikel 4:6 van de Awb luidt:

"1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking."

6.       Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131) is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Awb ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Hetzelfde geldt, als een rechtzoekende het bestuursorgaan verzoekt terug te komen van een besluit. Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moet het volgende worden begrepen: feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.

7.       In deze zaak staat centraal het antwoord op de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.

8.       De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat daar geen sprake van is. Ook in haar bezwaar van 21 november 2017 tegen de definitief berekende huurtoeslag over 2016 heeft [appellante] al naar voren gebracht dat zij en haar partner pas sinds 1 december 2016 toeslagpartners zijn. In deze herzieningsprocedure heeft ze dat herhaald. Hetzelfde geldt voor haar betoog dat zij daarom recht zou hebben op 11 maanden huurtoeslag. De Belastingdienst/Toeslagen heeft dit bezwaar bij besluit van 11 december 2017 al ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat dit geen nieuw feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. In wat [appellante] in deze procedure heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding te oordelen dat de afwijzing van het verzoek om herziening evident onredelijk is. Overigens heeft de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] tegengeworpen dat haar vermogen op 1 januari 2016 te hoog was om voor huurtoeslag in aanmerking te komen. De rechtbank heeft de dienst hierin terecht gevolgd. De conclusie is dan ook dat de rechtbank het beroep van [appellante] terecht ongegrond heeft verklaard.

9.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2021

85.