Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:486

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
202002856/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op 24 januari 2019 heeft de burgemeester van Maastricht een loods aan de [locatie] te Maastricht voor de duur van twaalf maanden gesloten. Bij besluit van 25 januari 2019 heeft de burgemeester de motivering hiervan op schrift gesteld. [appellant] is sinds april 2018 eigenaar van een loods. In augustus 2018 heeft hij de loods verhuurd. Op 24 januari 2019 heeft de politie de burgemeester er mondeling van op de hoogte gesteld dat die dag in de kelder van de loods een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. De kwekerij bevatte volgens de politie 1.400 hennepplanten en 5.000 hennepstekken, en werd illegaal van stroom voorzien. Op grond van deze informatie heeft de burgemeester de loods op 24 januari 2019 krachtens de artikelen 5:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en 13b, eerste lid, van de Opiumwet voor de duur van twaalf maanden gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002856/1/A3.

Datum uitspraak: 10 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Maastricht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 30 maart 2020 in zaak nr. 19/1749 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Maastricht.

Procesverloop

Op 24 januari 2019 heeft de burgemeester een loods aan de [locatie] te Maastricht voor de duur van twaalf maanden gesloten. Bij besluit van 25 januari 2019 heeft de burgemeester de motivering hiervan op schrift gesteld.

Bij besluit van 13 mei 2019 heeft de burgemeester het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 maart 2020 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 november 2020. [appellant], vergezeld van [gemachtigde], heeft hieraan via een videoverbinding deelgenomen, in de zittingszaal bijgestaan door mr. M.E. Hissel, advocaat te Maastricht. De burgemeester heeft vertegenwoordigd door mr. M.C.W. Ploum via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

1.       [appellant] is sinds april 2018 eigenaar van een loods aan de [locatie] (hierna: het perceel) te Maastricht. In augustus 2018 heeft hij de loods verhuurd. Op 24 januari 2019 heeft de politie de burgemeester er mondeling van op de hoogte gesteld dat die dag in de kelder van de loods een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. De kwekerij bevatte volgens de politie 1.400 hennepplanten en 5.000 hennepstekken, en werd illegaal van stroom voorzien. Op grond van deze informatie heeft de burgemeester de loods op 24 januari 2019 krachtens de artikelen 5:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en 13b, eerste lid, van de Opiumwet voor de duur van twaalf maanden gesloten. De motivering hiervoor heeft hij neergelegd in zijn besluit van 25 januari 2019. Volgens dit besluit is bij het bepalen van de sluitingsduur betrokken dat al eens eerder op 20 maart 2015 een hennepkwekerij met 1.200 hennepplanten in de loods is aangetroffen. Op 28 januari 2019 heeft een politieambtenaar de eerder mondeling aan de burgemeester doorgegeven informatie neergelegd in een op ambtseed opgemaakte rapportage. De precieze aantallen aangetroffen hennepplanten en -stekken zijn volgens de rapportage 1.404 en 5.208. Op 7 mei 2019 heeft een politieambtenaar op ambtseed een aanvullende rapportage opgemaakt. Bij het besluit van 13 mei 2019 heeft de burgemeester het besluit van 25 januari 2019 gehandhaafd.

2.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat de burgemeester van onjuiste feiten is uitgegaan, dan wel onvoldoende onderzoek heeft verricht. Het gaat hem hierbij om de standpunten van de burgemeester dat [appellant] in het criminele drugscircuit is betrokken en de hennepkwekerij zelf heeft ingericht of laten inrichten. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was de loods krachtens artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet te sluiten. Volgens hem was er geen sprake van overlast door de loods. Verder heeft het sluitingsbeleid van de burgemeester de afgelopen jaren niet geleid tot een afname van drugshandel en zou dat doel beter bereikt kunnen worden met de sluiting van de coffeeshops in de gemeente. De sluiting is volgens [appellant] ook in strijd met artikel 3:3 van de Awb, omdat deze veeleer op hem persoonlijk is gericht en niet op de loods. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de sluitingsduur in overeenstemming is met het Damoclesbeleid Lokalen en Woningen (hierna: het Beleid) en de burgemeester hiervan niet hoefde af te wijken. Toepassing van het Beleid is volgens [appellant] in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EP), omdat bij een derde overtreding een locatie oneindig lang kan worden gesloten en de loods daardoor onverkoopbaar wordt. Verder kan het Beleid volgens hem niet zonder meer worden toegepast, omdat ten opzichte van de overtreding in 2015 zowel de eigenaar als de huurder van de loods waren gewijzigd. Volgens [appellant] had de burgemeester de sluitingsduur moeten verminderen, omdat hij ter voorkoming van gebruik van de loods voor een hennepkwekerij een makelaar bij de verhuur had betrokken, de ingang van de kelder van de loods had dichtgestort en de loods regelmatig heeft bezocht. Ten slotte is hij door de sluiting financieel onevenredig getroffen, aldus [appellant].

2.1.    Artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet luidt: "De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf […] een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is[.]"

Het Beleid, kopje Algemeen, onder 8, luidt:

"Een wijziging in de huursituatie wordt als niet terzake doende beschouwd. De ratio hierachter is dat de verhuurder niet met het plaatsen van andere huurders onder de toepassing van bestuursdwang kan uitkomen. Het is immers op dat moment nog steeds noodzakelijk om de bekendheid van een dergelijk pand in het criminele circuit weg te nemen, het enkel plaatsen van nieuwe huurders leidt niet tot het voorkomen van herhaling van een met de wet strijdige situatie."

Kopje Lokalen, luidt:

"1. Indien er sprake is van het verkopen, afleveren of verstrekken dan wel daartoe aanwezig zijn van verdovende middelen, wordt bij softdrugs het lokaal gesloten voor de duur van zes maanden en bij harddrugs wordt het lokaal gesloten voor de duur van 12 maanden.

2. Indien daarna opnieuw een overtreding wordt geconstateerd ten aanzien van verdovende middelen, wordt bij softdrugs het lokaal gesloten voor de duur van twaalf maanden en bij harddrugs wordt het lokaal gesloten voor de duur van vierentwintig maanden.

3. Indien daarna een 3e en volgende overtreding wordt geconstateerd wordt bij softdrugs het lokaal gesloten voor de duur van vierentwintig maanden en bij harddrugs wordt het lokaal gesloten voor onbepaalde tijd."

2.2.    Niet in geschil is dat de in de loods aangetroffen hennep daar aanwezig was om te worden verkocht, afgeleverd of verstrekt. De burgemeester was daarom bevoegd de loods krachtens artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet te sluiten. Zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1125, heeft overwogen, is voor het ontstaan van de in artikel 13b, eerste lid, neergelegde bevoegdheid niet noodzakelijk dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de aanwezigheid van drugs overlast heeft veroorzaakt. Er bestaat, anders dan [appellant] meent, geen grond voor het oordeel dat het met de sluiting beoogde doel niet bereikt kan worden. Zoals de burgemeester in zijn schriftelijke uiteenzetting toelicht, wordt met de sluiting beoogd de loods zichtbaar aan het criminele drugscircuit te onttrekken en daarmee bij te dragen aan vermindering van drugscriminaliteit, verbetering van het leef- en werkklimaat en herstel van de openbare orde. Dat de handel in softdrugs in coffeeshops onder strikte voorwaarden wordt gedoogd, doet er niet aan af dat de aanwezigheid van hennep in de loods niet was toegestaan. In de besluiten heeft de burgemeester het belang van de object-gebonden sluiting benadrukt in het licht van de eerdere betrokkenheid van [appellant] bij drugsdelicten. Die betrokkenheid en zijn bekendheid bij de politie blijken uit de aanvullende politierapportage van 7 mei 2019. Dat de sluiting mede op deze betrokkenheid is gebaseerd is niet in strijd met artikel 3:3 van de Awb.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat de sluiting voor de duur van twaalf maanden in overeenstemming is met het Beleid. Het gaat hier immers om een tweede overtreding bij softdrugs als bedoeld onder het kopje Lokalen, onder 2. Een dreigende sluiting voor onbepaalde tijd doet zich bij de aanwezigheid van softdrugs niet voor. Onder het kopje Lokalen, onder 3, wordt een sluiting voor onbepaalde tijd immers alleen bij harddrugs vermeld. Het in het kader van artikel 1 van het EP gevoerde argument van [appellant] gaat daarom niet op. Dat de tweede overtreding heeft plaatsgevonden met een nieuwe eigenaar en een nieuwe huurder is, gelet op het object-gebonden karakter van de sluitingsmaatregel, geen reden om het Beleid niet op dit geval van toepassing te achten. Ten slotte heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de burgemeester niet wegens de gestelde verminderde verwijtbaarheid van [appellant] en de financiële gevolgen van de sluiting van toepassing van het Beleid hoefde af te wijken. Weliswaar is niet komen vast te staan dat [appellant] de hennepkwekerij zelf heeft ingericht of heeft laten inrichten, maar gelet op de omvang van de kwekerij en de korte tijd tussen het moment van verhuren van de loods en het aantreffen van de kwekerij, mocht de burgemeester ervan uitgaan dat [appellant] de kwekerij, dan wel de inrichting ervan, bij controle van de loods had moeten ontdekken. Omdat er in 2015 al een hennepkwekerij in de kelder van de loods was aangetroffen, mocht van [appellant] worden verwacht dat hij regelmatig zou controleren of laten controleren dat de ingang van de kelder nog afgesloten was. Niet is gebleken dat hij dit heeft gedaan of heeft laten doen. De verklaring van zijn makelaar in het in hoger beroep overgelegde e-mailbericht van 10 juni 2020 dat er door Gewoon Vastgoedbeheer controles hebben plaatsgevonden, is hiertoe wegens het ontbreken van data en concrete informatie over de wijze van controleren, onvoldoende. De stelling van [appellant] in hoger beroep dat hij zelf regelmatig bij de loods langs is geweest, is eveneens onvoldoende, omdat hij ter zitting van de rechtbank juist heeft verklaard niet zelf te hebben gecontroleerd. Dat de rechtbank zijn verklaring ter zitting verkeerd heeft begrepen en hij eigenlijk bedoelde te zeggen dat hij alleen in de maand december niet langs is geweest, zoals hij ter zitting van de Afdeling heeft aangevoerd, acht de Afdeling niet overtuigend. Dat [appellant] door de sluiting financieel onevenredig is getroffen, hoefde de burgemeester op grond van de verklaring van zijn vriendin dat zij hem financieel heeft onderhouden, waardoor hij financiële problemen heeft voorkomen, niet aannemelijk te achten.

Het betoog faalt.

3.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2021

620.