Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:485

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
202004368/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:6354, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 augustus 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag over 2017 voor [appellant] definitief berekend en op nihil vastgesteld en de teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd. [appellant] heeft van de Belastingdienst/Toeslagen voorschotten zorg- en huurtoeslag over 2017 ontvangen. Bij het besluit van 10 augustus 2018, gehandhaafd bij het besluit van 3 december 2018, heeft de dienst de zorg- en huurtoeslag over 2017 voor [appellant] definitief berekend en vastgesteld op nihil, omdat het toetsingsinkomen van [appellant] van € 34.438,00 hoger is dan de inkomensgrenzen voor zorg- en huurtoeslag in 2017. Hierdoor moet hij in totaal € 5.305,00 terugbetalen. De rechtbank heeft dit standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen gevolgd en het door [appellant] tegen het besluit van 3 december 2018 ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] is het daar niet mee eens en vecht (uitsluitend) dit oordeel in hoger beroep aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 17-03-2021
FutD 2021-0957
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004368/1/A2.

Datum uitspraak: 10 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 juli 2020 in zaak nr. 19/686 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 10 augustus 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorg- en huurtoeslag over 2017 voor [appellant] definitief berekend en op nihil vastgesteld en de teveel ontvangen voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 3 december 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 juli 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit van 13 november 2017 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard en zijn beroep tegen het besluit van 3 december 2018 ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.       [appellant] heeft van de Belastingdienst/Toeslagen voorschotten zorg- en huurtoeslag over 2017 ontvangen. Bij het besluit van 10 augustus 2018, gehandhaafd bij het besluit van 3 december 2018, heeft de dienst de zorg- en huurtoeslag over 2017 voor [appellant] definitief berekend en vastgesteld op nihil, omdat het toetsingsinkomen van [appellant] van € 34.438,00 hoger is dan de inkomensgrenzen voor zorg- en huurtoeslag in 2017. Hierdoor moet hij in totaal € 5.305,00 terugbetalen. De rechtbank heeft dit standpunt van de Belastingdienst/Toeslagen gevolgd en het door [appellant] tegen het besluit van 3 december 2018 ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] is het daar niet mee eens en vecht (uitsluitend) dit oordeel in hoger beroep aan.

Hoger beroep

3.       [appellant] betoogt, kort samengevat, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Belastingdienst/Toeslagen er ten onrechte vanuit is gegaan dat zijn toetsingsinkomen over 2017 € 34.438,00 bedroeg. Volgens [appellant] is bij de vaststelling van zijn toetsingsinkomen over dat jaar ten onrechte geen rekening gehouden met de omstandigheid dat zijn pensioen uitbetaald wordt aan [stichting], dat hij een (geld)vordering heeft op het [ingenieursbureau] en dat zijn ex-echtgenote aan de Belastingdienst/Toeslagen een te groot bedrag heeft terugbetaald. Hij wijst in dit verband op de tussen zijn ex-echtgenote en de Belastingdienst/Toeslagen gewezen uitspraak van de Afdeling van 11 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2741.

Beoordeling

4.       Uit artikel 1, tweede lid, van de Wet op de zorgtoeslag en artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag volgt dat het recht op en de hoogte van de zorg- en huurtoeslag afhankelijk is van de (op het inkomen en het vermogen gebaseerde) draagkracht. Zoals de Afdeling heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2016:3498), dient de Belastingdienst/Toeslagen bij de bepaling van de draagkracht uit te gaan van het inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, in verbinding gelezen met artikel 8, eerste lid, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder o, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, is de Belastingdienst/Toeslagen bij de vaststelling van de zorg- en huurtoeslag over 2017 daarom terecht uitgegaan van het in de basisregistratie inkomensgegevens (hierna: de BRI) opgenomen toetsingsinkomen van [appellant]. Met de fiscale loongegevens van [appellant] over 2017 en de melding die de Belastingdienst/Toeslagen ontvangen heeft over het in de BRI opgenomen toetsingsinkomen van [appellant], is voldoende vast komen te staan dat zijn in de BRI opgenomen toetsingsinkomen over 2017 € 34.438,00 bedroeg. Omdat dit toetsingsinkomen hoger is dan de inkomensgrenzen voor zorg- en huurtoeslag in 2017, heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen die toeslagen over dat jaar terecht op nihil heeft vastgesteld. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] aldus dat hij het niet eens is met zijn door de inspecteur van de Belastingdienst vastgestelde toetsingsinkomen over 2017. Dit betoog kan evenwel niet leiden tot het door [appellant] gewenste resultaat. Indien hij het niet eens is met de door de inspecteur van de Belastingdienst vastgestelde inkomensgegevens, dan dient hij zich tot die inspecteur te wenden (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1048).

Het betoog faalt.

Conclusie

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Meyer-de Beer, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2021

854.

 

BIJLAGE Wettelijk kader

 

Wet op de zorgtoeslag

Artikel 1

"[…]

2. De hoogte van de zorgtoeslag is afhankelijk van de draagkracht op basis van het inkomen en het vermogen."

Wet op de huurtoeslag

Artikel 1a

"1. Op deze wet is de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen, met uitzondering van artikel 6, eerste en tweede lid, van toepassing.

[…]."

Artikel 7

"1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.

[…]."

Artikel 14

"1. Het norminkomen bedraagt:

a. € 22.200 bij een eenpersoonshuishouden;

[…]

3. Geen huurtoeslag wordt toegekend als het rekeninkomen meer bedraagt dan:

a. het norminkomen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a of b, of

[…]."

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 2. Definities

"1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:

[…]

o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

[…]."

Artikel 7. Draagkracht

"1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

[…]."

Artikel 8. Toetsingsinkomen

"1. Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

[…]."

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 21

"In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[…]

e. inkomensgegeven:

1˚. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen;

2˚. indien over een kalenderjaar geen aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde belastbare loon;

[…]."