Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:480

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-03-2021
Datum publicatie
17-03-2021
Zaaknummer
202004896/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2020 heeft de raad van de gemeente Echt-Susteren het bestemmingsplan "[locatie 1] te Koningsbosch" vastgesteld. Het plangebied ligt ten noorden van het dorp Koningsbosch en wordt ten westen begrensd door de Prinsenbaan, aan de oost- en zuidzijde door agrarische percelen en ten noorden door het perceel van [verzoeker] aan de [locatie 2]. Met het plan wordt mogelijk gemaakt dat op het terrein aan de [locatie 1] de bestaande bedrijfsactiviteiten worden uitgebreid met onder meer een transport- en containerverhuurbedrijf. Ook is voorzien in de verplaatsing van de in- en uitrit van het bestaande bedrijf van de noordzijde naar de zuidzijde van het bedrijfsterrein, in verband waarmee het bestemmingsvlak aan de zuidzijde is aangepast. [verzoeker] kan zich niet met het plan verenigen en voert aan dat hij van de activiteiten op het terrein ernstige hinder ondervindt, met name in de vorm van geluid- en stankhinder van de vrachtwagens die in de ochtend gestart worden en warmdraaien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004896/2/R2.

Datum uitspraak: 11 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Koningsbosch, gemeente Echt-Susteren,

en

de raad van de gemeente Echt-Susteren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] te Koningsbosch" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[verzoeker] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 februari 2021, waar [verzoeker], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door A.C.J. van Helden en ir. P.W.H.J. Donners, zijn verschenen. Ook is op de zitting namens [derde-belanghebbende] gehoord.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

1.       Het plangebied ligt ten noorden van het dorp Koningsbosch en wordt ten westen begrensd door de Prinsenbaan, aan de oost- en zuidzijde door agrarische percelen en ten noorden door het perceel van [verzoeker] aan de [locatie 2].

Met het plan wordt mogelijk gemaakt dat op het terrein aan de [locatie 1] de bestaande bedrijfsactiviteiten worden uitgebreid met  onder meer een transport- en containerverhuurbedrijf. Ook is voorzien in de verplaatsing van de in- en uitrit van het bestaande bedrijf van de noordzijde naar de zuidzijde van het bedrijfsterrein, in verband waarmee het bestemmingsvlak aan de zuidzijde is aangepast.

2.       [verzoeker] kan zich niet met het plan verenigen en voert aan dat hij van de activiteiten op het terrein ernstige hinder ondervindt, met name in de vorm van geluid- en stankhinder van de vrachtwagens die in de ochtend gestart worden en warmdraaien. Ook waait er fijnstof en stuifzand naar zijn perceel en veroorzaken de vrachtwagens die vanaf het terrein de Prinsenbaan opdraaien daar verkeersgevaarlijke situaties door opstoppingen.

[verzoeker] betoogt voorts dat het plan ten onrechte voorziet in legalisering van illegale activiteiten op het terrein, terwijl het college zich eerder in verschillende procedures op het standpunt heeft gesteld dat deze activiteiten ter plaatse niet toelaatbaar waren en zouden worden beëindigd. De raad heeft hiermee volgens hem niet integer en betrouwbaar gehandeld en de schijn van vooringenomenheid gewekt.                 

Inhoudelijk

3.       Een voorlopige voorziening kan, hangende de bodemprocedure, worden getroffen als onverwijlde spoed dit, gelet op de betrokken belangen,  vereist. Voor de beoordeling van de vraag of er in dit geval aanleiding is voor het treffen van een dergelijke voorziening is het volgende belang. Op het perceel aan de [locatie 1] is het bedrijf [bedrijf] reeds gevestigd. Het betreft hier een bedrijf voor onderhouds- en reparatiewerkzaamheden en ondersteunende verkoop van quads en quadonderdelen. De garageloods waarin deze werkzaamheden werden uitgevoerd is in 2019 door brand verwoest.

4.       Het plan maakt uitbreiding van het bedrijf mogelijk met een transport- en containerverhuurbedrijf met maximaal vijf vrachtwagens en maximaal 35 stuks bouwcontainers.

Vast staat dat in het geldende bestemmingsplan "Buitengebied" uit 2017 voor de gronden grotendeels de bestemming "Bedrijf" en voor het overige de bestemming "Agrarisch" geldt. Op de gronden met de bestemming "Bedrijf" zijn bedrijven uit de categorieën 1 en 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten toegestaan en een garagebedrijf, alsook detailhandel en buitenopslag.

De voorzieningenrechter stelt vast dat onder het geldende bestemmingsplan op de planlocatie ook al een garagebedrijf met een bedrijfsloods en een handel in bouwmaterialen is toegestaan. In zoverre heeft [verzoeker] geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

5.       Het plan voorziet niet in nieuwe bouwmogelijkheden. Voor de herbouw van de garageloods is op grond van het vigerende plan een omgevingsvergunning verleend.

Met het plan worden nieuwe bedrijfsactiviteiten mogelijk gemaakt in de vorm van transport- en containerverhuuractiviteiten. Het gaat hier om nieuwe gebruiksmogelijkheden van het terrein. Als deze nieuwe gebruiksmogelijkheden worden benut en het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, kan dit gebruik dan zonder meer worden gestaakt zonder dat er feitelijk onomkeerbare gevolgen voor [verzoeker] zijn ontstaan. Ook in zoverre heeft hij geen spoedeisend belang dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.

6.       De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of de nieuwe bedrijfsactiviteiten zo belastend zijn voor [verzoeker] dat daarmee desondanks het treffen van een voorziening hangende de bodemprocedure gerechtvaardigd is.

Daarvoor bestaat volgens de voorzieningenrechter onvoldoende grond. Daartoe wordt overwogen dat het toegestane aantal vrachtwagens en stuks bouwcontainers in de planregels in het voorliggende plan strikt zijn gelimiteerd. Van de bouwcontainers - open bakken die worden gebruikt bij (ver)bouwactiviteiten elders - staan er, naar [derde-belanghebbende] ter zitting heeft verklaard, doorgaans maar enkele op het perceel, waar [derde-belanghebbende] ook zelf woont.

De opslag van de containers en de bouwmaterialen en de stalling van de vrachtwagens zijn op grond van artikel 3.1, onder f, van de planregels voorts alleen toegestaan op het achterste, meest oostelijk gelegen deel van het perceel.

Verder is de in- en uitrit voor vrachtwagens verplaatst van de noordzijde van het perceel naar de zuidzijde. Hiermee is volgens de plantoelichting beoogd om het perceel van [verzoeker] te ontlasten, doordat alle bestaande verkeersbewegingen van vrachtauto’s op het noordelijk gelegen deel van het perceel komen te vervallen.

Aan het voorliggende plan ligt een akoestisch onderzoek van bureau Caubergh Huygen van 31 maart 2020 ten grondslag, waaruit volgt dat ter plaatse van het perceel van [verzoeker] aan de geldende geluidnormen kan worden voldaan. [verzoeker] heeft dit niet, met gegevens onderbouwd, weersproken.

Ten slotte is de zuidelijke inrit volgens de raad zo aangelegd dat vrachtwagens voldoende manoeuvreerruimte hebben om het terrein op een veilige wijze op- en af te rijden. Gelet op de stukken acht de voorzieningenrechter dit niet onaannemelijk.                  

7.       Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat door het plan onomkeerbare gevolgen zullen optreden die het treffen van een voorlopige voorziening hangende de bodemprocedure rechtvaardigen.

8.       Ten slotte merkt de voorzitter nog op dat begrijpelijkerwijs voor [verzoeker] zwaar weegt dat het college van burgemeester en wethouders in het verleden op zijn verzoek handhavend heeft opgetreden tegen de illegale bedrijfsactiviteiten op het terrein. Dit kan echter niet afdoen aan het feit dat het voorliggende bestemmingsplan op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

9.       Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek van [verzoeker] wordt afgewezen. De in het beroepschrift aangevoerde gronden komen aan de orde in de bodemprocedure.

10.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.T. Zijlstra, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen

voorzieningenrechter

w.g. Zijlstra

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2021

240.