Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:473

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
202100046/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 november 2020 heeft de raad van de gemeente Amersfoort het bestemmingsplan [locatie] gewijzigd vastgesteld. Het plan voorziet in het de bouw van 2 gebouwen van 23 m en 60 m hoog waarin 165 woningen kunnen worden gerealiseerd. 35% van die woningen is voor sociale huur. Het op de locatie aanwezige gebouw zal worden gesloopt ten behoeve van de woningen. Op 21 december 2020 is een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van die woningen. De omgevingsvergunning is nog niet verleend. De verenigingen zijn het niet eens met de vaststelling van het bestemmingsplan. Zij hebben een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om te voorkomen dat een omgevingsvergunning wordt verleend op basis van dit bestemmingsplan. Zij betogen dat het vaststellingsbesluit uiteindelijk in rechte geen stand zal houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202100046/2/R4.

Datum uitspraak: 8 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

Vereniging Bezorgd Liendert en Vereniging Samenwerkende Groeperingen Leefbaar Amersfoort, gevestigd te Amersfoort, (hierna: de verenigingen)

verzoeksters,

en

de raad van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 november 2020 heeft de raad het bestemmingsplan [locatie] gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben de verenigingen beroep ingesteld.

Bij deze brief hebben de verenigingen de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 18 februari 2021, waar de verenigingen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [gemachtigde B], [gemachtigde C] en [gemachtigde D], en de raad, vertegenwoordigd door ing. H.J.A. Krooder, en ing. W.L. Juijn-Dorst, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Profund Vastgoed Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde E] en [gemachtigde F], bijgestaan door mr. G. Bosman, advocaat te Utrecht, gehoord.

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.       Het plan voorziet in het de bouw van 2 gebouwen van 23 m en 60 m hoog waarin 165 woningen kunnen worden gerealiseerd. 35% van die woningen is voor sociale huur. Het op de locatie aanwezige gebouw zal worden gesloopt ten behoeve van de woningen. Op 21 december 2020 is een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van die woningen. De omgevingsvergunning is nog niet verleend.

3.       De verenigingen zijn het niet eens met de vaststelling van het bestemmingsplan. Zij hebben een verzoek om voorlopige voorziening ingediend om te voorkomen dat een omgevingsvergunning wordt verleend op basis van dit bestemmingsplan. Zij betogen dat het vaststellingsbesluit uiteindelijk in rechte geen stand zal houden.

4.       De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van het verzoek voorop dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan de bestemmingen moet aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

5.       De verenigingen betogen dat zij onvoldoende door de raad zijn betrokken bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. In andere gevallen worden omwonenden wel door de raad betrokken bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. Voor zover zij wel betrokken waren, vonden de door middel van artist impressions gegeven informatie onvolledig en misleidend. Zij stellen verder dat er geen rekening is gehouden met hun zienswijze.

5.1.    De voorzieningenrechter overweegt dat het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan geen onderdeel uitmaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Ter zitting heeft de raad medegedeeld dat gemeentelijke regelgeving voor inspraak in een geval als dit evenmin aanwezig is. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Gezien de zienswijzenota waarin ook een reactie op de zienswijze van de verenigingen is opgenomen, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat de raad de zienswijze van de verenigingen niet in zijn besluitvorming heeft betrokken.

6.       De verenigingen betogen dat het bestemmingsplan in strijd met de Ruimtelijke Randvoorwaarden is vastgesteld. In de randvoorwaarden is bepaald dat er 150 woningen zouden worden gerealiseerd en niet 165 woningen.

6.1.    De voorzieningenrechter stelt vast dat het plan niet bepaald hoeveel woningen mogen worden gebouwd. In de randvoorwaarden is de raad ervan uitgegaan dat er 150 woningen komen. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat na herindeling van de ruimte niet uitgesloten wordt geacht dat binnen het plan 165 woningen mogelijk en ruimtelijk aanvaardbaar zijn. In aanmerking genomen dat raad gemotiveerd mag afwijken van de randvoorwaarden, ziet de voorzieningenrechter in hetgeen de verenigingen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel de raad over bouwmogelijkheden binnen de bestemming "Wonen" niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen zoals hij heeft gedaan.

7.       De verenigingen stellen dat de raad een ongeoorloofde salamitactiek heeft toegepast door verschillende kleine bestemmingsplannen vast te stellen terwijl duidelijk is dat er meerdere plannen zijn voor de omgeving. Als dat wel zou zijn gebeurd, dan zou de conclusie zijn geweest dat er wel een milieueffectrapportage (hierna: MER) moest worden opgesteld. Er wordt volgens de verenigingen zo niet naar het groter geheel gekeken en bestaat de mogelijkheid dat de ruimtelijke impact te groot wordt.

7.1.    De voorzieningenrechter ziet in hetgeen is gesteld over de plannen voor de omgeving geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het bestemmingsplan mocht vaststellen. Hierbij is van belang dat niet aannemelijk is gemaakt dat de toekomstige plannen zo met dit plan samenhangen dan wel zo voorzienbaar zijn dat ze bij beantwoording van de vraag of een MER moet worden opgesteld als één activiteit moeten worden beschouwd. Voor zover de verenigingen bang zijn voor cumulatie van effecten van dit plan met nog andere in het Valleikanaalgebied mogelijke ontwikkelingen, wijst de voorzieningenrechter erop dat ieder bij de beoordeling van nieuwe plannen bij bijvoorbeeld het aspect verkeer rekening wordt gehouden met de effecten van reeds vastgestelde plannen.

8.       De verenigingen betogen dat er onvoldoende behoefte is aan de woningen. Er wordt volgens hen teveel gekeken naar hoeveel huizen er nodig zijn en niet naar wat voor type woning er vraag naar is. Ter zitting hebben de verenigingen toegelicht dat de raad in het plan de aard van de te bouwen woningen zo had moeten bepalen, dat verzekerd zou worden dat meer goedkope woningen beschikbaar zouden komen voor eenpersoonshuishoudens.

8.1.    De raad stelt dat hij in een plan niet kan bepalen dat de woningen voor een bepaalde prijs worden verkocht. Hij kan wel bewerkstelligen dat het plan de mogelijkheid biedt om woningen te realiseren voor verschillende categorieën. De raad heeft in paragraaf 3.8 van de plantoelichting uiteengezet welke onderzoeken er zijn gedaan naar de woningbehoefte en wat de conclusie daarvan is. Omdat er behoefte bestaat aan (sociale) woningen is hierin voorzien in artikel 6.2.1, onder b van de planregels. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen de verenigingen hebben gesteld, geen aanleiding om dit standpunt van de raad onredelijk te achten.

9.       De verenigingen betogen dat het plan zal leiden tot parkeeroverlast omdat de bestaande parkeerdruk al hoog is. Volgens hen had de raad wat betreft de parkeerbehoefte moeten aansluiten bij de aanmeldnotitie vormvrije m.e.r. waarin is uitgegaan van 215 parkeerplaatsen.

9.1.    De raad heeft zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat niet hoeft te worden uitgegaan van 215 parkeerplaatsen. In de aanmeldnotitie is namelijk niet gekeken naar de binnen de gemeente geldende parkeernorm. Volgens die parkeernorm hoeven er slechts 176 parkeerplaatsen te komen om in de parkeerbehoefte te voorzien die dit bestemmingsplan meebrengt. Tussen partijen is niet in geschil dat aan de volgens die parkeernorm berekende behoefte binnen het plangebied kan worden voldaan. De voorzieningenrechter acht met de enkele verwijzing naar de bestaande parkeeroverlast niet aangetoond dat de gehanteerde parkeernorm ondeugdelijk is al was het maar omdat onduidelijk is tegen de achtergrond van welke normen de parkeerbehoefte voor de bestaande situatie is bepaald. Nu de bestaande parkeeroverlast geen rol speelt bij de vraag of de uit het plan voortvloeiende parkeerbehoefte binnen het plangebied kan worden voorzien, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat het plan zal leiden tot parkeeroverlast niet onaannemelijk.

10.     De verenigingen betogen dat de raad onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen voor de omwonenden. Het plan zal leiden tot minder zonlicht, verkeersproblemen en intensivering van de woondruk wat negatieve gevolgen heeft voor de sociale veiligheid. De verenigingen stellen drie torens voor als uitvoeringsalternatief omdat dit minder impact heeft  voor de omwonenden.

10.1.  De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het dossier blijkt dat er onderzoek is gedaan naar de gevolgen van hoogbouw op het gebied van wind, schaduw, privacy en zichtlijnen. Uit het onderzoek is gebleken dat hoogbouw verantwoord is. De voorkeur gaat uit naar hoogbouw omdat daarmee meer ruimte overblijft voor groen en goede aansluiting op alsmede doorzicht naar het Valleikanaal. In hetgeen is aangevoerd, ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat moet worden getwijfeld aan de juistheid van die onderzoeken. Daarom valt niet in te zien dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat van de omwonenden uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn. Dat de verenigingen liever drie lagere torens zien dan twee hogere, maakt niet dat de twee hogere torens waarvoor is gekozen voor omwonenden niet (ook) in redelijkheid ruimtelijk aanvaardbaar kunnen worden beschouwd. Ten aanzien van het verkeer overweegt de voorzieningenrechter dat er in hetgeen de verenigingen hebben aangevoerd geen reden is gevonden om te twijfelen aan de uitkomst van het door de raad verrichte verkeersonderzoek, namelijk dat de wegen om het plangebied het extra verkeer als gevolg van de toevoeging van 165 woningen aankunnen. De enkele stelling van de verenigingen dat zij dat anders ervaren is daarvoor onvoldoende.

Wat betreft de vrees voor toename van sociale onveiligheid merkt de voorzieningenrechter ten slotte nog op dat dit geen aspect is hier kan worden gewogen. Dit is een kwestie van (handhaving van) openbare orde.

11.     Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

12.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. de Koning, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2021

712.