Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:459

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
202000099/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 oktober 2018 heeft e burgemeester van Breda het door [appellant] aangevraagde paspoort geweigerd. De burgemeester heeft de aanvraag van [appellant] ter verkrijging van een paspoort bij besluit van 5 oktober 2018 afgewezen, omdat de minister van Binnenlandse Zaken op grond van artikel 25, derde lid, van de Paspoortwet op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn de gegevens van [appellant] heeft opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen (hierna: het Register). De signalering is geplaatst in het Register vanwege een geconstateerde achterstand in betaling van een vordering ten bedrage van € 158.000,00.De burgemeester heeft de afwijzing van de aanvraag bij het besluit op bezwaar van 2 april 2019 gehandhaafd. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat een gegrond vermoeden bestaat dat [appellant] met een paspoort naar het buitenland zal verhuizen om zich aan zijn betalingsverplichting te onttrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000099/1/A3.

Datum uitspraak: 3 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 november 2019 in zaak nr. 19/1808 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Breda.

Procesverloop

Bij besluit van 5 oktober 2018 heeft de burgemeester het door [appellant] aangevraagde paspoort geweigerd.

Bij besluit van 2 april 2019 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 november 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1.       Het relevante wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

De besluitvorming

2.       De burgemeester heeft de aanvraag van [appellant] ter verkrijging van een paspoort bij besluit van 5 oktober 2018 afgewezen, omdat de minister van Binnenlandse Zaken op grond van artikel 25, derde lid, van de Paspoortwet op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn de gegevens van [appellant] heeft opgenomen in het Register Paspoortsignaleringen (hierna: het Register). De signalering is geplaatst in het Register vanwege een geconstateerde achterstand in betaling van een vordering ten bedrage van € 158.000,00.

De burgemeester heeft de afwijzing van de aanvraag bij het besluit op bezwaar van 2 april 2019 gehandhaafd. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat een gegrond vermoeden bestaat dat [appellant] met een paspoort naar het buitenland zal verhuizen om zich aan zijn betalingsverplichting te onttrekken, nu de schuld van [appellant] € 158.000,00 bedraagt en hij die schuld, gelet op de hoogte van het bedrag dat hij maandelijks betaalt, slechts in zeer beperkte mate aflost. Bovendien stelt de burgemeester dat [appellant] niet onevenredig benadeeld wordt als gevolg van de weigering om hem een paspoort te verstrekken. Volgens de burgemeester weegt het belang dat gediend is met weigering van het paspoort in verband met de vermelding in het Register zwaarder dan het belang van [appellant] om met een paspoort zijn familie in Somalië te bezoeken. In dit kader heeft de burgemeester overwogen dat bij een zwaarwegend belang van [appellant] om te reizen, zoals bij ziekte of overlijden van een familielid, een paspoort kan worden verstrekt met beperkte territoriale geldigheid.

De aangevallen uitspraak

3.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester heeft voldaan aan zijn vergewisplicht door inlichtingen in te winnen bij de gemeente Apeldoorn. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de burgemeester zich bij zijn beoordeling terecht heeft beperkt tot de vraag of de signalering van de persoonsgegevens van [appellant] in het Register door de gemeente Apeldoorn evident onjuist is en redelijkerwijs geen aanleiding heeft hoeven zien te twijfelen aan de mededeling van de gemeente Apeldoorn. Dit betekent dat de burgemeester van de signalering van de persoonsgegevens van [appellant] in het Register heeft mogen uitgaan en dat de burgemeester op grond van artikel 45, tweede lid, van de Paspoortwet de verstrekking van een paspoort moest weigeren, tenzij hij van oordeel was dat [appellant] hierdoor onevenredig wordt benadeeld, aldus de rechtbank. Het standpunt van [appellant] dat hij onevenredig wordt benadeeld, heeft de rechtbank niet gevolgd.

Het geschil in hoger beroep

4.       [appellant] betoogt dat geen sprake is van een gegrond vermoeden dat hij de vastgestelde verplichting tot betaling niet zal nakomen. Hij voert daartoe aan dat hij de door hem ten onrechte ontvangen uitkering op grond van de Participatiewet met instemming van de gemeente Apeldoorn door middel van een maandelijkse betaling van € 50,00 terugbetaalt overeenkomstig de verplichting die met de gemeente Apeldoorn is vastgesteld en jaarlijks wordt getoetst. Nu hij zich aan de terugbetalingsverplichting houdt, kan artikel 22, aanhef en onder c, van de Paspoortwet niet ten grondslag worden gelegd aan de weigering. Het besluit van 5 oktober 2018 is daarom onjuist en onvoldoende gemotiveerd, aldus [appellant].

4.1.              De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester heeft voldaan aan zijn vergewisplicht door inlichtingen in te winnen bij de gemeente Apeldoorn over de gronden van de signalering, de actuele stand van zaken en de hoogte van de huidige schuld van [appellant]. Het is niet aan de burgemeester om ten volle de bezwaren te beoordelen die zijn gerezen bij het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn, welk college op de voet van artikel 22 van de Paspoortwet heeft verzocht om weigering van het paspoort. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester zich bij zijn beoordeling in het besluit van 5 oktober 2018 terecht heeft beperkt tot de vraag of de signalering van de persoonsgegevens van [appellant] in het register door de gemeente Apeldoorn evident onjuist is.

De gemeente Apeldoorn heeft desgevraagd aan de burgemeester de gronden voor signalering van de persoonsgegevens van [appellant] in het Register verstrekt en medegedeeld dat deze gronden nog steeds bestaan. Naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn dient pas tot opheffing van de signalering te worden overgegaan als [appellant] 80% van de vordering heeft voldaan. Het college is van oordeel dat, gelet op de hoogte van de vordering en de maandelijkse aflossing van € 50,00, [appellant] niet aan die voorwaarde voldoet. Dat [appellant] zich aan de terugbetalingsverplichting houdt, doet volgens het college daarom niet aan de noodzaak tot signalering af. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de burgemeester geen aanleiding heeft hoeven zien te twijfelen aan de mededeling van de gemeente Apeldoorn en dat de burgemeester van de signalering van de persoonsgegevens van [appellant] in het Register heeft mogen uitgaan.       

Het betoog faalt.

4.2.    Voor zover [appellant] stelt dat hij door weigering van afgifte van een paspoort onevenredig is benadeeld, overweegt de Afdeling dat het belang van [appellant] bij het verkrijgen van een paspoort is om zijn familie in Somalië te kunnen bezoeken. De burgemeester heeft verklaard dat bij een zwaarwegend belang van [appellant] om te reizen, zoals bij ziekte of overlijden van een familielid, een paspoort kan worden verstrekt met beperkte territoriale geldigheid. Gelet hierop is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de burgemeester zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een onevenredige benadeling van [appellant].    

Het betoog faalt.

Slotsom

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Bijloos

lid van de enkelvoudige kamer     

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2021

195-836.

 

BIJLAGE

 

Paspoortwet

Artikel 9

1. Iedere Nederlander heeft binnen de grenzen bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor tien jaren en voor alle landen.

[…].

Artikel 22

Weigering of vervallenverklaring kan geschieden op verzoek van Onze Minister die het aangaat, onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten, het bestuurscollege dan wel een ander tot invordering bevoegd orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, dat het aangaat, indien het gegronde vermoeden bestaat dat een persoon,

[…]

c.       die nalatig is in het nakomen van een wettelijk op hem rustende dan wel bij uitspraak van een rechter in het Koninkrijk vastgestelde verplichting tot betaling van op hem verhaalbare uitkeringen, door de overheid gemaakte, op hem verhaalbare kosten, dan wel voorgefinancierde of anderszins verstrekte gelden, of

[…]

zich door verblijf buiten de grenzen van een der landen van het Koninkrijk aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering van de verschuldigde gelden zal onttrekken.

Artikel 25

1. De autoriteiten, bedoeld in de artikelen 18 tot en met 24, richten het verzoek tot weigering onderscheidenlijk vervallenverklaring onder vermelding van de bezwaren die tegen een persoon bestaan en de gronden die hebben geleid tot het vermoeden, bedoeld in artikel 18 en de artikelen 20 tot en met 24, aan Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur.

[…]

3. Onze Minister onderscheidenlijk de Gouverneur vermeldt, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de voorwaarden van een van de artikelen 18 tot en met 24, de persoon op wie het verzoek betrekking heeft dan wel de persoon ten aanzien van wie bij hem, onderscheidenlijk de Gouverneur, gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan, in een door Onze Minister bij te houden register. In dat geval vermeldt dit register geen andere gegevens van de betrokken persoon dan die, bedoeld in artikel 3, vanwege welke autoriteit, krachtens welke bepaling van paragraaf 1 van dit hoofdstuk en om welke reden de betrokken persoon in het register is vermeld, alsmede de datum van vermelding in het register.

4. Onze Minister, onderscheidenlijk de Gouverneur, deelt de autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te verstrekken dan wel in te houden, mede, aan welke personen die ingevolge het bepaalde in het derde lid in het register zijn vermeld, een reisdocument kan worden geweigerd, dan wel van wie het reisdocument moet worden ingehouden. De autoriteiten die bevoegd zijn een reisdocument te verstrekken dan wel in te houden, houden een administratie bij van de mededelingen die zij op grond van de vorige volzin ontvangen.

[…].

Artikel 40

1. Bevoegd tot het verstrekken van nationale paspoorten, reisdocumenten voor vreemdelingen, zijn:

a.       in het Europese deel van Nederland: de burgemeester, voor zover het personen betreft die als ingezetene in de basisregistratie personen zijn ingeschreven met een adres in zijn gemeente;

[…].

Artikel 44

1. Bevoegd tot weigering of vervallenverklaring van reisdocumenten op de gronden genoemd in hoofdstuk III zijn de autoriteiten die ingevolge artikel 40 bevoegd zijn tot verstrekking daarvan.

[…].

4. Indien de gronden tot weigering of vervallenverklaring nog blijken te bestaan, deelt de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit de aanvrager respectievelijk de houder terstond doch in ieder geval binnen vier weken na de aanvraag onderscheidenlijk de inhouding mede dat hij voornemens is de verstrekking van het aangevraagde reisdocument te weigeren dan wel het ingehouden reisdocument vervallen te verklaren, tenzij de aanvrager respectievelijk de houder hem binnen twee weken verzoekt de beslissing gedurende acht weken aan te houden, ten einde met de autoriteit bij wie de gronden bestaan een zodanige overeenstemming te bereiken dat tot verstrekking van het aangevraagde reisdocument of teruggave van het ingehouden reisdocument dan wel verstrekking van een reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde, kan worden overgegaan.

Artikel 45

1. Indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, door de autoriteit bij wie de gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan aan de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit wordt medegedeeld, dat overeenstemming is bereikt met de aanvrager respectievelijk de houder, dan wel indien de gronden bij de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit zelf bestaan, door deze een dergelijke overeenstemming is bereikt, wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen vier weken overeenkomstig de bereikte overeenstemming het aangevraagde reisdocument verstrekt of het ingehouden reisdocument teruggegeven dan wel het reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde, verstrekt.

2. Indien binnen de periode van acht weken, bedoeld in artikel 44, vierde lid, geen mededeling wordt gedaan als bedoeld in het eerste lid, dan wel de aanvrager respectievelijk de houder geen verzoek doet als bedoeld in artikel 44, vierde lid, gaat de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit tot weigering of vervallenverklaring over, tenzij hij van oordeel is dat de aanvrager respectievelijk de houder door deze beslissing onevenredig zou worden benadeeld. In dat geval verstrekt de tot weigering of vervallenverklaring bevoegde autoriteit na overleg met de autoriteit bij wie de gronden tot weigering of vervallenverklaring bestaan het aangevraagde reisdocument of geeft hij het ingehouden reisdocument terug dan wel verstrekt hij een reisdocument, waarvan de geldigheidsduur onderscheidenlijk de territoriale geldigheid beperkter is dan de bij of krachtens de wet vastgestelde.

[…].