Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:455

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
202000306/1/R4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 januari 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rheden bekendgemaakt dat aan [vergunninghouder] van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven voor de realisering van een woning op het perceel [locatie 1] te Dieren. [vergunninghouder] woonde op het perceel [locatie 2] in Dieren. Zij was ten tijde van de besluiten eigenaar van het daarnaast gelegen perceel [locatie 1]. Op het perceel staat vanaf ongeveer 1991 een tuinhuis. Vast staat dat voor het tuinhuis geen vergunning is verleend. [vergunninghouder] heeft het tuinhuis vanaf 2011 verhuurd aan [appellant], die het tuinhuis gebruikte als woning. Op 25 september 2017 heeft [vergunninghouder] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning op het perceel. De aanvraag heeft als doel het legaliseren van het tuinhuis en om dit te mogen vergroten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000306/1/R4.

Datum uitspraak: 3 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Dieren,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 december 2019 in zaak nr. 18/4453 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rheden.

Procesverloop

Bij besluit van 11 januari 2018 heeft het college bekendgemaakt dat aan [vergunninghouder] van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven voor de realisering van een woning op het perceel [locatie 1] te Dieren.

Bij besluit van 29 juni 2018 heeft het college de door [partij A] en [partij B] (hierna samen en in enkelvoud: [partij A]), [partij C], en [partij D] en [partij E] daartegen gemaakte bezwaren gegrond verklaard en het besluit van 11 januari 2018 herroepen en alsnog geweigerd de omgevingsvergunning aan [vergunninghouder] te verlenen.

Bij uitspraak van 19 december 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college, [partij A] en [partij C] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[partij F] heeft verzocht als partij in het geding te worden toegelaten.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 januari 2020, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.M. Breukers, rechtsbijstandverlener te Den Bosch, en het college, vertegenwoordigd door M. van Meegdenburg en M. Kronenburg, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       [vergunninghouder] woonde op het perceel [locatie 2] in Dieren. Zij was ten tijde van de besluiten eigenaar van het daarnaast gelegen perceel [locatie 1] (hierna: het perceel). Op het perceel staat vanaf ongeveer 1991 een tuinhuis. Vast staat dat voor het tuinhuis geen vergunning is verleend. [vergunninghouder] heeft het tuinhuis vanaf 2011 verhuurd aan [appellant], die het tuinhuis gebruikte als woning.

Op 25 september 2017 heeft [vergunninghouder] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een woning op het perceel. De aanvraag heeft als doel het legaliseren van het tuinhuis en om dit te mogen vergroten. Bij besluit van 29 juni 2018 heeft het college de door omwonenden gemaakte bezwaren tegen de op 11 januari 2018 bekendgemaakte van rechtswege gegeven omgevingsvergunning gegrond verklaard en het besluit herroepen en alsnog geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen. Het college heeft aan het besluit op bezwaar onder meer strijd met de Bouwverordening en met het bestemmingsplan ten grondslag gelegd. Bij uitspraak van 19 december 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] tegen het besluit op bezwaar ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] kan zich hiermee niet verenigen.

[vergunninghouder] is inmiddels geen eigenaar meer van het perceel. Het perceel is sinds 10 januari 2020 in eigendom bij [partij F].

Procesbelang

2.       [partij A] en [partij C] stellen zich in hun schriftelijke uiteenzettingen op het standpunt dat [appellant] geen procesbelang heeft bij een uitspraak op zijn hoger beroep.

2.1.    Procesbelang is het belang dat bestaat bij de uitkomst van de procedure, dus wat de rechtszoekende concreet met het hoger beroep wil of kan bereiken. Dit betreft niet de vraag of de rechtszoekende gelijk heeft. Het gaat erom dat de rechtszoekende een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als hij dat in de hoger beroepsprocedure zou krijgen. De vraag of er procesbelang is, wordt daarom beantwoord naar de stand van zaken op het moment van het beoordelen van het hoger beroep. Hiervoor verwijst de Afdeling naar haar uitspraak van 22 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1730.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, (zie op dit punt onder meer de uitspraak van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2862) kan ook belang bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep bestaan indien de betrokkene stelt dat hij schade heeft geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daarvoor is wel vereist dat de betrokken tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van het bestreden besluit. Indien de beweerdelijk geleden schade niet het gevolg kan zijn van het in het geding zijnde besluit, kan aan het stellen van die schade geen procesbelang worden ontleend.

2.2.    [appellant] heeft op de zitting te kennen gegeven dat omdat de omgevingsvergunning is geweigerd, de door hem gewenste koop van het tuinhuis van [vergunninghouder] niet door is gegaan. Om die reden moest hij vervangende woonruimte zoeken en verhuizen. Voor zijn nieuwe woonhuis betaalt hij een hogere huurprijs. Gelet hierop heeft hij schade geleden die hij vergoed wil zien, aldus [appellant].

2.3.    Naar het oordeel van de Afdeling kan de door [appellant] gestelde schade niet als een rechtstreeks gevolg van de weigering om aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning te verlenen, worden aangemerkt. Uit de stukken komt naar voren dat bewoning van het tuinhuis niet was toegestaan en dat het college bij besluit van 29 januari 2019 aan [appellant] daarom een last onder dwangsom heeft opgelegd om de bewoning te staken. Aan die last heeft [appellant] gevolg gegeven. Bovendien komt uit de stukken naar voren dat de woning in verband met faillissement openbaar is verkocht en dat de voorlopige koopovereenkomst geen ontbindende voorwaarde bevat op het punt van de gevraagde vergunning.

De Afdeling is daarom van oordeel dat in dit geval in de door [appellant] gestelde schade geen procesbelang is gelegen, zodat geen aanleiding bestaat om het hoger beroep inhoudelijk te behandelen.  

Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

3.       Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant] gegrond is. Nu het hoger beroep van [appellant], gelet op wat hiervoor is overwogen, dat niet is, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van het college vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan kan dus niet worden toegekomen.

Slotoverwegingen

4.       Het hoger beroep is vanwege het ontbreken van procesbelang

niet-ontvankelijk.

5.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2021

163-963.