Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:454

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
201908807/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 september 2019 heeft de raad van de gemeente Hardenberg het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening winterbed Vecht, deelgebieden Rheezermaten en Diffelen" vastgesteld. In 2007 is het programma Ruimte voor de Vecht gestart. Met dit programma wordt het Vechtdal ingericht tot een veilige, beleefbare en half natuurlijke rivier. In het tracé Hardenberg-Junne wordt ingezet op de ambitie om de Vecht om te vormen naar een halfnatuurlijke rivier. Om deze ambitie te bereiken zijn onder andere een aantal besluiten binnen de deelgebieden Rheezermaten en Karshoek-Stegeren vastgesteld. Deze besluiten zijn gecoördineerd behandeld. [appellant] en anderen wonen aan de Orionlaan, gelegen ten noorden van het gebied Rheezermaten. Zij komen op tegen het bestemmingsplan en het projectplan, voor zover deze plannen een wandelpad door de Rheezermaten en de kap van een deel van het bos in de Rheezermaten mogelijk maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908807/1/R3.

Datum uitspraak: 3 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Hardenberg,

appellanten,

en

1.       de raad van de gemeente Hardenberg,

2.       het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 24 september 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening winterbed Vecht, deelgebieden Rheezermaten en Diffelen" (hierna: het bestemmingsplan) vastgesteld.

Bij besluit van 15 oktober 2019 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen (hierna: het waterschap) het projectplan "Waterwet Rheezermaten, Vecht" (hierna: het projectplan) vastgesteld.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Het waterschap heeft een verweerschrift ingediend.

Het college van gedeputeerde staten van Overijssel heeft een nader stuk ingediend.

[appellant] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 27 januari 2021, waar de raad, vertegenwoordigd door I. Hulshof, is verschenen. Daarnaast heeft H. Heusinkveld namens de raad via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting. Verder hebben [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant] en [gemachtigde], het waterschap, vertegenwoordigd door M. Guijs, S. Fortkamp en G. Horst, en het college van gedeputeerde staten van Overijssel, vertegenwoordigd door R. Reurink en A. Lassche, via een videoverbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1.       In 2007 is het programma Ruimte voor de Vecht gestart. Met dit programma wordt het Vechtdal ingericht tot een veilige, beleefbare en half natuurlijke rivier. In het tracé Hardenberg-Junne wordt ingezet op de ambitie om de Vecht om te vormen naar een halfnatuurlijke rivier. Om deze ambitie te bereiken zijn onder andere een aantal besluiten binnen de deelgebieden Rheezermaten en Karshoek-Stegeren vastgesteld. Deze besluiten zijn gecoördineerd behandeld. Het gaat om de volgende besluiten:

- Het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening winterbed Vecht, deelgebieden Rheezermaten en Diffelen";

- Het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening winterbed Vecht, deelgebieden Karshoek-Stegeren";

- Ontgrondingenvergunning voor de herinrichting van het gebied Rheezermaten;

- Ontgrondingenvergunning voor de herinrichting van het gebied Karshoek-Stegeren;

- Het projectplan "Waterwet, Rheezermaten, Vecht";

- Het projectplan "Waterwet, Karshoek-Stegeren, Vecht".

2.       [appellant] en anderen hebben op de zitting bevestigd dat het beroep zich alleen richt tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening winterbed Vecht, deelgebieden Rheezermaten en Diffelen" en het besluit tot vaststelling van het projectplan "Waterwet, Rheezermaten, Vecht". [appellant] en anderen wonen aan de Orionlaan, gelegen ten noorden van het gebied Rheezermaten. Zij komen op tegen het bestemmingsplan en het projectplan, voor zover deze plannen een wandelpad door de Rheezermaten en de kap van een deel van het bos in de Rheezermaten mogelijk maken. [appellant] en anderen betogen onder meer dat het wandelpad en de kap van de bomen zal leiden tot aantasting van hun woon- en leefklimaat. Daarnaast leidt de realisatie van het wandelpad en de kap van een deel van het bos in de Rheezermaten volgens [appellant] en anderen tot verstoring van de in de Rheezermaten aanwezige flora en fauna, in het bijzonder het aanwezige buizerdnest.

Toetsingskader bestemmingsplan

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Procedureel

Inspraak

4.       [appellant] en anderen betogen dat de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan onzorgvuldig is geweest. Zij voeren aan dat aan de omwonenden te laat en te weinig mogelijkheid tot inspraak is gegeven. In dat kader merken [appellant] en anderen op dat de initiatiefnemers van het plan wel de recreatieondernemers van de nabijgelegen recreatieparken hebben benaderd, maar niet de omwonenden. [appellant] en anderen zijn van mening dat zij als omwonenden ook hadden moeten worden benaderd.

4.1.    De Afdeling stelt vast dat de bestemmingsplanprocedure volgens de regels in de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) en de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is verlopen. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wro en het Bro geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet.

Zienswijzeprocedure

5.       [appellant] en anderen voeren aan dat de procedure om tot vaststelling van het bestemmingsplan te komen onzorgvuldig is uitgevoerd. In dat kader wijzen [appellant] en anderen erop dat de raad in haar besluit niet heeft gemotiveerd waarom de naar voren gebrachte zienswijzen niet zijn gehonoreerd. Dit is in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Daarbij merken [appellant] en anderen op dat hun zienswijze weliswaar is besproken in de zienswijzennota, maar hierin is de zienswijze op onderdelen feitelijk onjuist en onvolledig weergegeven. Daarnaast is de zienswijze inhoudelijk niet of nauwelijks weerlegd. [appellant] en anderen hebben de raad hierop ook gewezen in een brief van 23 september 2018, maar zij hebben hierop geen reactie ontvangen.

5.1.    Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk wordt ingegaan. Niet is gebleken, ook niet uit de door [appellant] en anderen gestelde onjuistheden, dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog slaagt niet.

Bekendmaking bestemmingsplan

6.       [appellant] en anderen voeren aan dat de bekendmaking van het bestemmingsplan niet binnen de uit artikel 3.8, derde lid, van de Wro volgende wettelijke termijn van twee weken na de vaststelling heeft plaatsgevonden. Het bestemmingsplan is vastgesteld in de raadsvergadering van 24 september 2019. Publicatie van het besluit vond pas plaats op

24 oktober 2019.

6.1.    De door [appellant] en anderen genoemde mogelijke onregelmatigheid bij de bekendmaking van het vaststellingsbesluit, wat daar ook van zij, gaat over een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan alleen al daarom de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan geen reden zijn voor de vernietiging van het bestreden besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet.

Inhoudelijk

Belangenafweging bestemmingsplan

7.       [appellant] en anderen betogen dat de raad niet in redelijkheid in het bestemmingsplan heeft kunnen opnemen dat in de Rheezermaten het wandelpad mag worden aangelegd en dat de bomen mogen worden gekapt. De raad heeft hierbij de betrokken belangen onvoldoende afgewogen. Met betrekking tot de kap van de bomen wijzen [appellant] en anderen erop dat de kap indruist tegen de landelijke tendens om zo min mogelijk bos te kappen en dat de kap niet noodzakelijk is. Met betrekking tot het wandelpad betogen [appellant] en anderen dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd waarom het beschermde gebied, nadat dit jaren gesloten is geweest, nu beleefbaar moet worden gemaakt. De economische belangen die de recreatieondernemers in het gebied bij het wandelpad hebben, hebben ten onrechte geprevaleerd boven de belangen van de indieners van de zienswijzen, die met name zagen op bescherming van de flora en fauna. Dat de raad aan deze talrijke bezwaren is voorbijgegaan, vinden [appellant] en anderen onbegrijpelijk. De raad heeft de gevolgen van het wandelpad en de kap van de bomen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden ten onrechte niet meegewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan.

7.1.    De raad wijst er in het verweerschrift op dat het wandelpad in het plan is opgenomen in overleg met Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer ziet in dit natuurgebied mogelijkheden om het natuurgebied Rheezermaten beleefbaar te maken, en de raad heeft daarmee ingestemd. Ten aanzien van de economische belangen van recreatieondernemers merkt de raad op dat zij betwijfelt in hoeverre de aanwezigheid van het wandelpad bijdraagt aan de inkomsten van de recreatieondernemers, die zich op diverse manieren profileren.

Met betrekking tot het woon- en leefklimaat van [appellant] en anderen merkt de raad op dat het gaat om een wandelpad op een afstand van ongeveer 80 m en verder van de woningen van onder andere [appellant] en anderen. In de winter is het beoogde wandelpad grotendeels alleen met laarzen begaanbaar, in de zomer is het grotendeels alleen als pad herkenbaar vanwege maaibeheer. Het wandelpad ligt beduidend lager dan de woningen aan de Orionlaan. De aanwezigheid van wandelaars op een afstand van 80 m en verder van de woningen levert volgens de raad geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden op.

7.2.    De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan aan het gebied Rheezermaten waarbinnen de aanleg van het wandelpad en de kap van de bomen zijn voorzien de bestemming "Natuur - Beekdallandschap" toekent. Op grond van artikel 4.4.2 van de planregels is voor werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd overeenkomstig het inrichtingsplan zoals opgenomen in Bijlage 1 en Bijlage 2 bij het bestemmingsplan geen omgevingsvergunning nodig. Het Inrichtingsplan Rheezermaten (hierna: het inrichtingsplan) is als Bijlage 1 bij het bestemmingsplan gevoegd.

7.3.    Ten aanzien van de kap van het bos stelt de Afdeling vast dat dit is opgenomen in het inrichtingsplan. Anders dan waar [appellant] en anderen vanuit lijken te gaan, betekent dit niet dat het kappen van de bomen ook mogelijk wordt gemaakt op grond van het bestemmingsplan. Artikel 4.4.2 van de planregels regelt, voor zover hier van belang, slechts dat de werken en werkzaamheden die worden uitgevoerd overeenkomstig het inrichtingsplan niet langer vergunningplichtig zijn. Naar het oordeel van de Afdeling kan het kappen van bos niet worden aangemerkt als werk of werkzaamheden in de zin van het bestemmingsplan. Dit betekent dat het bestemmingsplan niet regelt dat het bos mag worden gekapt. De Afdeling kan in deze procedure waar het bestemmingsplan ter toetsing voorligt, hierover dan ook geen uitspraak doen.

7.4.    In wat [appellant] en anderen hier naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een wandelpad in de Rheezermaten mag worden voorzien. De raad heeft, zoals is toegelicht in het verweerschrift, het woon- en leefklimaat van de omwonenden meegewogen bij de beoordeling of een wandelpad als in het inrichtingsplan is voorzien aanvaardbaar kan worden geacht. Hierbij is in aanmerking genomen dat artikel 4.1, aanhef en onder i, van de planregels bepaalt dat het gebruik van het wandelpad zich beperkt tot extensieve openluchtrecreatie, voor zover de onder a en b bedoelde waarden niet onevenredig worden aangetast. Gelet hierop en in aanmerking genomen de afstanden tussen de woningen en het voorziene wandelpad, acht de Afdeling het niet onredelijk dat de raad een zwaarder gewicht heeft toegekend aan de wens het gebied beleefbaar te maken, dan aan de wens van [appellant] en anderen om wat betreft het wandelpad geen wijziging te brengen in de bestaande planologische situatie.

Het betoog slaagt niet.

Uitvoerbaarheid bestemmingsplan

8.       [appellant] en anderen betogen dat de raad bij het vaststellen van het bestemmingsplan onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van het voorziene wandelpad voor de in het gebied aanwezige flora en fauna. Dit terwijl het wandelpad volgens hen leidt tot aantasting van flora en fauna en tot verstoring van de biodiversiteit. Onder meer reeën en buizerds zullen verdwijnen. Het ten behoeve van het bestemmingsplan opgestelde milieueffectrapport bevestigt zelfs dat de buizerds zullen gaan verdwijnen. Dit is volgens hen in strijd met het kennisdocument Buizerd Buteo van de provincie Overijssel (hierna: het kennisdocument), dat juist uitgaat van bescherming van buizerds en eisen stelt aan plannen om te voorkomen dat buizerds verdwijnen. Verder wijzen [appellant] en anderen erop dat de realisatie van het wandelpad en de kap van een deel van het bos in de Rheezermaten leiden tot verstoring van het in de Rheezermaten aanwezige buizerdnest en dat dit ook in strijd is met het kennisdocument. Het kennisdocument stelt namelijk als eis dat een verstoringsafstand van 75 m wordt gehanteerd ten opzichte van een buizerdnest. Deze afstand ziet zowel op de aanleg van het wandelpad, als het gebruik van dit pad. Aangezien de afstand in dit geval kleiner is dan 75 m, had volgens hen een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) moeten worden aangevraagd.

8.1.    De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

8.2.    Uit hoofdstuk 5.7. van de toelichting bij het bestemmingsplan blijkt dat voor het gebied de Rheezermaten een voortoets gebiedsbescherming (Toets gebiedsbescherming Ruimte voor de Vecht: plangebied Rheezermaten, Ecogroen, 7 september 2018), een soortbeschermingstoets (Flora- en faunaonderzoek Ruimte voor de Vecht: traject Junne - Hardenberg, Ecogroen, 6 december 2017) en een natuurtoets (Natuurtoets herinrichting Vecht Junne - Hardenberg, Arcadis, 15 januari 2018) zijn uitgevoerd. Daarnaast is er nog een aanvulling (Aanvullende informatie ontheffingsaanvraag project 'Ruimte voor de Vecht - deelgebied Rheezermaten' met zaaknummer Z-HZ WNB-2018-002984, Ecogroen, 30 oktober 2018) geschreven. Deze onderzoeken vormden de basis voor de ten behoeve van het bestemmingsplan opgestelde effectbeoordeling in het MER Herinrichting Rheezermaten, Royal HaskoningDHV, 6 maart 2019 (hierna: de MER).

8.3.    De Afdeling stelt vast dat in het MER en de daaraan ten grondslag liggende onderzoeken staat dat de effecten op beschermde soorten zonder het nemen van mitigerende maatregelen als negatief worden beoordeeld. Tijdens de aanlegfase van de herinrichtingsmaatregelen is er mogelijk sprake van verstoring van verschillende soorten en nesten. Het nemen van mitigerende maatregelen is dus noodzakelijk. Het effect op beschermde soorten na de herinrichting is, zo staat in het MER zeer positief, omdat het leefgebied zal verbeteren. Een ontheffing is, zo staat in het rapport, alleen aan de orde voor het verwijderen van leefgebied van de poelkikker, knoflookpad en waterspitsmuis. Deze ontheffing is te verkrijgen in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna en de instandhouding van de natuurlijke habitats. Ten aanzien van de jaarrond beschermde nesten van de buizerd staat in de Natuurtoets herinrichting Vecht Junne dat geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd, omdat mitigatie voldoende is. Voor zover, gelet op de afstand van het door [appellant] en anderen bedoelde buizerdnest tot het voorziene wandelpad, alsnog een ontheffing nodig zou blijken te zijn, merkt de Afdeling op dat [appellant] en anderen geen feiten of omstandigheden hebben aangevoerd op grond waarvan moet worden aangenomen dat een dergelijke ontheffing niet kan worden verleend.

De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op grond van evengenoemde onderzoeken niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Wnb niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat.

Het betoog slaagt niet.

Projectplan

9.       Gelet op wat [appellant] en anderen op de zitting hebben meegedeeld, stelt de Afdeling vast dat de bezwaren van [appellant] en anderen zich slechts richten tot het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, tegen welke achtergrond het projectplan is vastgesteld. Het projectplan strekt zich uit tot de beoordeling van de waterkundige aspecten bij de omvorming van de Vecht naar een halfnatuurlijke rivier voor het deelgebied Rheezermaten. [appellant] en anderen hebben geen concrete gronden aangevoerd die zien op het vastgestelde projectplan en de bijbehorende afwegingen. De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen naar voren hebben gebracht dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het projectplan in zoverre onrechtmatig is.

Conclusie

10.     Het beroep is ongegrond.

11.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2021

159-952.