Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:442

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
201908757/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 mei 2017 heeft de burgemeester van Uithoorn een verzoek van [appellant] om een aantal documenten openbaar te maken, afgewezen. Op 28 april 2013 heeft [appellant] een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur ingediend tot afgifte van een onderzoeksrapport van Deloitte Forensic & Dispute Services en alle bijbehorende correspondentie en overige stukken. Bij besluit van 6 mei 2013 heeft de burgemeester dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt. Op 6 oktober 2015 heeft [appellant] weer een Wob-verzoek ingediend om dezelfde stukken te verkrijgen. Op 1 februari 2017 heeft [appellant] de burgemeester weer verzocht om afgifte van het onderzoeksrapport en alle bijbehorende correspondentie. De burgemeester heeft dit verzoek weer afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908757/1/A3.

Datum uitspraak: 3 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2019 in zaak nr. 18/7240 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Uithoorn.

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2017 heeft de burgemeester een verzoek van [appellant] om een aantal documenten openbaar te maken, afgewezen.

Bij besluit van 31 oktober 2018 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 oktober 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Met toestemming van partijen is een onderzoek ter zitting achterwege gelaten, waarna de Afdeling het onderzoek krachtens artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op 28 april 2013 heeft [appellant] een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) ingediend tot afgifte van een onderzoeksrapport van Deloitte Forensic & Dispute Services en alle bijbehorende correspondentie en overige stukken. Bij besluit van 6 mei 2013 heeft de burgemeester dit verzoek afgewezen. Hiertegen heeft [appellant] geen bezwaar gemaakt.

                   Op 6 oktober 2015 heeft [appellant] weer een Wob-verzoek ingediend om dezelfde stukken te verkrijgen. Bij besluit van 22 december 2015 heeft de burgemeester dit verzoek, met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, afgewezen, onder verwijzing naar zijn besluit van 6 mei 2013. Volgens de burgemeester had [appellant] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden vermeld. Het tegen deze afwijzing door [appellant] gemaakte bezwaar, heeft de burgemeester ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep heeft de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 1 mei 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:4412, ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] geen hoger beroep ingesteld.

Het verzoek en de besluiten waar het in deze procedure over gaat

2.       Op 1 februari 2017 heeft [appellant] de burgemeester weer verzocht om afgifte van het onderzoeksrapport en alle bijbehorende correspondentie. Dit verzoek heeft hij gebaseerd op artikel 10 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: het EVRM).

3.       De burgemeester heeft dit verzoek weer afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat het verzoek moet worden aangemerkt als een Wob-verzoek en [appellant] weer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Zelfs als het verzoek niet als een Wob-verzoek aangemerkt zou moeten worden, zou dit geen verschil maken. In het geval van [appellant] vloeit uit artikel 10 van het EVRM namelijk geen plicht voort om de door hem gevraagde stukken te verstrekken, aldus de burgemeester.

Oordeel rechtbank

4.       De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester het verzoek van [appellant] terecht als een Wob-verzoek heeft aangemerkt. Zij heeft daartoe verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2883. De rechtbank heeft uit deze uitspraak afgeleid dat een zelfstandig verzoek om dezelfde informatie op grond van artikel 10 van het EVRM dat direct en uitsluitend aan dat artikel wordt getoetst, zonder eerst aan de Wob te toetsen, niet mogelijk is. De burgemeester heeft daarom terecht beoordeeld of [appellant] nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Het standpunt van de burgemeester, dat [appellant] dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden niet heeft vermeld, heeft [appellant] volgens de rechtbank niet bestreden. Ook heeft hij geen feiten of omstandigheden gesteld die aanleiding zouden kunnen geven voor de conclusie dat het bestreden besluit evident onredelijk is. De rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard.

Hoger beroep

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester zijn verzoek terecht als een Wob-verzoek heeft aangemerkt. Daarmee heeft de rechtbank een verkeerde uitleg gegeven aan de door haar aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 25 oktober 2017.

5.1.    In de uitspraak van 25 oktober 2017 heeft de Afdeling overwogen dat artikel 10 van het EVRM niet vereist dat alle informatie verstrekt wordt of openbaar wordt gemaakt en dat deze bepaling staten die partij zijn bij het verdrag de mogelijkheid biedt bij wet beperkingen te verbinden aan het verstrekken dan wel openbaar maken van gegevens en documenten. Met de bepalingen betreffende de weigeringsgronden in de Wob is inmenging in het in artikel 10, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht om inlichtingen te ontvangen bij wet voorzien. In het algemeen mag er van worden uitgegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de artikelen 10 en 11 van de Wob heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Wob strekken ter bescherming van een of meer van deze belangen. Dit uitgangspunt staat er evenwel niet aan in de weg dat een verzoeker aangeeft dat en waarom in zijn concrete situatie aan dit uitgangspunt niet kan worden vastgehouden. Het ligt dan op de weg van de verzoeker om zeer bijzondere omstandigheden te stellen en aannemelijk te maken die zouden meebrengen dat de verzoeker, ondanks toepassing van de Wob, in de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd zonder dat dit op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM is gerechtvaardigd. Indien wordt aangenomen dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich voordoen en een weigering om inlichtingen te verstrekken niet op grond van artikel 10, tweede lid, van het EVRM kan worden gerechtvaardigd, zal een weigering in strijd zijn met artikel 10 van het EVRM. In het geval een absolute weigeringsgrond aan de weigering ten grondslag is gelegd, wordt dan de desbetreffende bepaling van de Wob ingevolge artikel 94 van de Grondwet buiten toepassing gelaten. Indien een relatieve weigeringsgrond aan de weigering ten grondslag is gelegd, zal het ontbreken van een rechtvaardiging als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM in beginsel tot uitdrukking kunnen komen bij uitleg en toepassing van de bepalingen van de Wob waarin de relatieve weigeringsgrond is neergelegd.

5.2.    Uit deze uitspraak volgt dat de beoordeling of artikel 10 van het EVRM in een concreet geval aanspraak geeft op de verstrekking van stukken zoals door [appellant] gevraagd, wordt verricht in het kader van de beoordeling van een Wob-verzoek. De burgemeester heeft het verzoek van 1 februari 2017 daarom, anders dan [appellant] betoogt, terecht aangemerkt als een Wob-verzoek.

                   Het betoog faalt.

6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen beroepsgronden heeft gericht tegen het standpunt van de burgemeester, dat [appellant] geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld. Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat hij geen feiten of omstandigheden heeft gesteld die aanleiding zouden kunnen geven voor de conclusie dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

6.1.    [appellant] heeft in zijn gronden van beroep van 7 december 2018, noch in zijn aanvulling van 26 september 2019, noch ter zitting bij de rechtbank, betoogd dat sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Ook heeft hij niet betoogd dat het onredelijk is gebruik te maken van de in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid. De door hem gestelde feiten en omstandigheden geven ook geen grond om tot dat oordeel te komen.

                   Het betoog faalt.

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2021

753.