Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:440

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
202001694/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2020 heeft de burgemeester van Rotterdam aan [appellant] een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen. De burgemeester heeft het huisverbod opgelegd naar aanleiding van een melding van een geweldsincident in de woning van [appellant] en zijn partner, waarbij kinderen aanwezig waren. De burgemeester heeft het huisverbod gebaseerd op een door een medewerker van de politie ingevuld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld van 4 maart 2020. Hij heeft aan het huisverbod ten grondslag gelegd dat vaker sprake is geweest van geweld tussen [appellant] en zijn partner. de dag van het incident, 3 maart 2020, had de partner zich naar aanleiding van een woede-uitbarsting van [appellant] buitengesloten op het balkon omdat zij vreesde voor fysiek geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001694/1/A3.

Datum uitspraak: 3 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 6 maart 2020 in zaak nr. C/10/592591/ FA RK

20-1464 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2020 heeft de burgemeester aan [appellant] een huisverbod opgelegd voor de duur van tien dagen.

Bij mondelinge uitspraak van 6 maart 2020 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

1.       Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

2.       De burgemeester heeft het huisverbod opgelegd naar aanleiding van een melding van een geweldsincident in de woning van [appellant] en zijn partner, waarbij kinderen aanwezig waren. De burgemeester heeft het huisverbod gebaseerd op een door een medewerker van de politie ingevuld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld (hierna: RiHG) van 4 maart 2020. Hij heeft aan het huisverbod ten grondslag gelegd dat vaker sprake is geweest van geweld tussen [appellant] en zijn partner. de dag van het incident, 3 maart 2020, had de partner zich naar aanleiding van een woede-uitbarsting van [appellant] buitengesloten op het balkon omdat zij vreesde voor fysiek geweld. [appellant] heeft de ruit van de balkondeur met zijn hoofd kapot geslagen waarbij hijzelf, zijn partner en hun dochter gewond zijn geraakt door de glasscherven. Gelet hierop bestond een ernstig en onmiddellijk gevaar voor de veiligheid van de partner en kinderen van [appellant]. Het huisverbod is opgelegd om verdere escalatie te voorkomen.

3.       [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat de burgemeester onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake was van ernstig en onmiddellijk gevaar of een vermoeden daarvan. Daartoe voert hij aan dat het geweld van het kapotslaan van de ruit van de balkondeur niet gericht was tot zijn partner, wat zijn partner volgens hem ook heeft bevestigd. Ook is, aangezien niet eerder fysiek geweld heeft plaatsgevonden, de vrees van de partner voor verder fysiek geweld niet aannemelijk gemaakt. Van de bevoegdheid tot het opleggen van een huisverbod is daarom ten onrechte gebruikgemaakt. Voorts heeft de voorzieningenrechter te weinig gewicht toegekend aan de omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod. Ten tijde van de uitspraak was sprake van een reële aanvang van de hulpverlening, zodat het ernstige en onmiddellijke gevaar, of het vermoeden daarvan, was geweken. Verder is met het handhaven van het in het huisverbod neergelegde contactverbod in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK), aldus [appellant].

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraken van 22 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:749 en van 27 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3225), is het opleggen van een huisverbod een ingrijpend instrument waarvan de toepassing zeer grote gevolgen heeft voor het privéleven van betrokkenen. De bevoegdheid daartoe is beperkt tot situaties waarin voldoende grond aanwezig is om aan te nemen, althans ernstig te vermoeden, dat zich een ernstig en onmiddellijk gevaar voordoet voor de veiligheid van personen. Indien dat het geval is, moet de burgemeester zorgvuldig overwegen of aanwending van de bevoegdheid aangewezen is. De rechter beoordeelt of de aangevoerde omstandigheden van dien aard waren dat in het voorliggende geval een bevoegdheid tot oplegging van een huisverbod bestond. Indien dat het geval is, wordt de afweging van de burgemeester door de bestuursrechter terughoudend getoetst. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen, in haar uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1408, strekt het huisverbod blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: de Wth) ertoe in de gegeven noodsituatie escalatie te voorkomen en hulp te bieden. Het huisverbod moet worden gezien als een bestuurlijke maatregel, die ook kan worden ingezet wanneer zich geen strafbare feiten hebben voorgedaan, maar situaties zijn ontstaan waarbij acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om escalatie te voorkomen (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3, blz. 2).

3.2.    Gelet op de aard van een huisverbod, dat altijd in spoedeisende situaties wordt opgelegd, is niet vereist dat de juistheid van de aan het huisverbod ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden onomstotelijk vaststaat. Voldoende is dat aannemelijk is dat die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan en een ernstig en onmiddellijk gevaar, dan wel een ernstig vermoeden van een dergelijk gevaar, voor de in het besluit genoemde personen opleveren.

3.3.    Uit het RiHG en het proces-verbaal kan worden afgeleid dat de aanleiding voor het opleggen van het huisverbod is gelegen in het incident van 3 maart 2020. Niet in geschil is dat [appellant] met zijn hoofd de ruit in de balkondeur kapot heeft geslagen en dat hijzelf, zijn partner en hun dochter daardoor verwondingen hebben opgelopen. Aangezien deze feiten en omstandigheden vaststaan, staat tevens vast dat ten tijde van het opleggen van het huisverbod sprake was van een acute en dringende behoefte aan het creëren van een afkoelingsperiode om verdere escalatie te voorkomen. Dat [appellant], naar hij stelt, het geweld niet op zijn partner heeft gericht en volgens hem niet aannemelijk is gemaakt dat zijn partner voor verder fysiek geweld vreesde, maakt het voorgaande niet anders. Derhalve was de burgemeester bevoegd tot het opleggen van een tijdelijk huisverbod.

3.4.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 22 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA0678), volgt uit het stelsel van de Wth dat de rechter, als het huisverbod nog geldt op de dag waarop hij zijn uitspraak doet, op grond van artikel 6, tweede lid, van de Wth dient te bezien of zich na de oplegging van het huisverbod feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waaruit blijkt dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan zich ten tijde van de beoordeling door de rechter niet langer voordoet, zodat het niet gerechtvaardigd is het huisverbod te laten voortduren. Zoals de Afdeling eveneens eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraak van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2384), blijkt uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6 van de Wth (Kamerstukken II 2005/06, 30 657, nr. 3, blz. 25) dat als de uithuisgeplaatste na de oplegging of verlenging van het huisverbod een aanbod tot hulpverlening heeft aanvaard, dit een indicatie is dat de dreiging van gevaar of het vermoeden daarvan mogelijk niet langer bestaat. Bij de beoordeling of die dreiging of het vermoeden daarvan daadwerkelijk niet langer bestaat, is van belang of de uithuisgeplaatste inmiddels een reële aanvang met de hulpverlening heeft gemaakt en de verwachting gerechtvaardigd is dat hij aan de hulpverlening blijft meewerken.

3.5.    Het enkele feit dat hulpverlening was gestart, was onvoldoende aanleiding om het huisverbod op te heffen. Zoals de rechtbank ook heeft overwogen had nog geen partnergesprek plaatsgevonden en waren nog geen veiligheidsafspraken gemaakt. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat ten tijde van de uitspraak van de voorzieningenrechter metterdaad een aanvang was gemaakt met de hulpverlening. De feiten en omstandigheden die hebben plaatsgevonden na het opleggen van het huisverbod gaven onvoldoende grond voor het oordeel dat het gevaar of het vermoeden daarvan voor de huisgenoten van [appellant] niet langer zou bestaan. De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om het huisverbod vanaf dat moment op te heffen.

3.6.    De enkele stelling dat het handhaven van het in het huisverbod neergelegde contactverbod in strijd is met artikel 8 van het EVRM en het IVRK, is door [appellant] niet nader toegelicht. Reeds hierom kan het betoog niet slagen.

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2021

195.

 

BIJLAGE

 

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Wet tijdelijk huisverbod

Artikel 2

1. De burgemeester kan een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat. Het verbod geldt voor een periode van tien dagen, behoudens verlenging overeenkomstig artikel 9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de aard van de feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om een huisverbod op te leggen.

[…]

Artikel 6

[…]

2. De rechter betrekt bij de beoordeling van het huisverbod tevens de feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het opleggen van het huisverbod.

[…]