Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:435

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
202003124/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Weesp een verzoek van [appellant] om zijn in de basisregistratie personen (hierna: de brp) opgenomen persoonsgegevens te wijzigen, afgewezen. [appellant] is in 2013 in de brp ingeschreven als: [naam A], geboren op [geboortedatum] 1980 te Koko (Nigeria), met onbekende nationaliteit. Deze gegevens zijn ontleend aan een op 12 juni 2013 door [appellant] bij de gemeente Landgraaf onder ede afgelegde verklaring. Bij brief van 8 november 2018 heeft [appellant] het college verzocht zijn in de brp geregistreerde gegevens te wijzigen naar: [naam B], geboren op [geboortedatum] 1972 te Benin City (Nigeria), met Nigeriaanse nationaliteit. Bij het besluit van 26 juni 2019 heeft het college het verzoek afgewezen, omdat met de overgelegde documenten niet is aangetoond dat [appellant] en [naam B] dezelfde persoon zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003124/1/A3.

Datum uitspraak: 3 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Weesp,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 8 april 2020 in zaak nr. 19/4727 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weesp.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2019 heeft het college een verzoek van [appellant] om zijn in de basisregistratie personen (hierna: de brp) opgenomen persoonsgegevens te wijzigen, afgewezen.

Bij besluit van 23 september 2019 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 april 2020 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant]  ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.J. Forder, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Lensink, zijn verschenen. Verder is als tolk H. Abdulla verschenen.

Overwegingen

1.    [appellant] is in 2013 in de brp ingeschreven als: [naam A], geboren op [geboortedatum] 1980 te Koko (Nigeria), met onbekende nationaliteit. Deze gegevens zijn ontleend aan een op 12 juni 2013 door [appellant] bij de gemeente Landgraaf onder ede afgelegde verklaring.

    Bij brief van 8 november 2018 heeft [appellant] het college verzocht zijn in de brp geregistreerde gegevens te wijzigen naar: [naam B], geboren op [geboortedatum] 1972 te Benin City (Nigeria), met Nigeriaanse nationaliteit. Daarbij heeft hij een hem op 27 februari 2014 door de Nigeriaanse ambassade te Den Haag verstrekt Nigeriaans paspoort op naam van [naam B] (hierna: het paspoort) overgelegd. Bij brief van 11 maart 2019 heeft hij verder een op 8 januari 2019 door de Registry van de High Court of Justice van Edo State afgegeven Statutory Declaration of Age met de gegevens van [naam B] (hierna: de leeftijdsverklaring) en een op 9 januari 2019 door de National Population Commission te Benin City afgegeven Attestation of Birth met de gegevens van [naam B] (hierna: het geboortebewijs) overgelegd. Bij het besluit van 26 juni 2019 heeft het college het verzoek afgewezen, omdat met de overgelegde documenten niet is aangetoond dat [appellant] en [naam B] dezelfde persoon zijn. Dit besluit heeft het college bij het besluit op bezwaar gehandhaafd.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college juist heeft geacht dat met het paspoort niet is aangetoond dat [appellant] en [naam B] dezelfde persoon zijn. Hij voert aan dat het college en de rechtbank te veel gewicht hebben toegekend aan de wijze waarop de Nigeriaanse ambassade zijn identiteit heeft vastgesteld. Volgens hem staat vast dat het paspoort authentiek is en het is niet aan de Nederlandse overheid om eisen te stellen aan de wijze waarop andere landen de identiteit van hun onderdanen vaststellen. Dat hij geen uitleg kan geven over de wijze waarop de ambassade zijn identiteit heeft vastgesteld, doet niet af aan de waarde van het paspoort, aldus [appellant].

2.1.    Zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 7 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2386) heeft overwogen, staat voorop dat de gegevens in de brp betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens moet, gelet op het systeem van de Wet brp, onomstotelijk vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn. Het bewijs daarvoor kan alleen maar worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Op de verzoeker rusten de bewijslast en het bewijsrisico om de onjuistheid van de in de brp opgenomen gegevens aan te tonen.

2.2.    De rechtbank heeft aan haar oordeel terecht ten grondslag gelegd dat ten tijde van het besluit op bezwaar niet duidelijk was op basis van welke documenten [appellant] het paspoort heeft verkregen en hoe de ambassade heeft gecontroleerd dat [appellant] en [naam B] dezelfde persoon zijn. Daarbij heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat [appellant] ter zitting heeft toegelicht dat hij voor het verkrijgen van het paspoort online een vragenformulier heeft moeten invullen en dat hij op de ambassade een interview heeft gehad. Ook heeft de rechtbank terecht van belang geacht dat [appellant] te kennen heeft gegeven dat hij de Nigeriaanse autoriteiten geen enkel document heeft hoeven laten zien en dat hij geen inzicht heeft gegeven in wat er tijdens het interview precies is gevraagd en besproken. Omdat de wijze waarop de Nigeriaanse ambassade de identiteit van [appellant] heeft vastgesteld van belang is voor het antwoord op de vraag of [appellant] en [naam B] dezelfde persoon zijn, en derhalve voor het antwoord op de vraag of de in de brp opgenomen gegevens onjuist zijn, heeft de rechtbank de hiervoor vermelde omstandigheden terecht bij haar oordeel betrokken. Dat het paspoort authentiek is en op zichzelf bezien een sterke bewijskracht heeft, doet hieraan, gelet op het hiervoor in 2.1 weergegeven beoordelingskader, niet af. De ter zitting van de Afdeling door [appellant] gegeven toelichting, dat hij op de ambassade vragen heeft beantwoord over zijn herkomstplaats in Nigeria en zijn Nigeriaanse nationaliteit, doet aan de conclusie van de rechtbank evenmin af, omdat op basis van dergelijke informatie alleen niet met de vereiste zekerheid de identiteit van een persoon kan worden vastgesteld.        

    Het betoog faalt.

3.    [appellant] betoogt dat zowel de rechtbank als het college ten onrechte geen waarde aan de leeftijdsverklaring en het geboortebewijs hebben gehecht. Het overleggen van dergelijke documenten is volgens hem op grond van de Nigeriaanse voorschriften de aangewezen manier om een geboorte en geboortegegevens aan te tonen, zodat het gaat om documenten als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, van de Wet brp. Hierbij verwijst hij naar de publicatie ‘Nigeria: requirements and procedures an adult must fulfill to obtain a birth certificate, including for those who apply from within the country and abroad’ van de Immigration and Refugee Board of Canada van 8 november 2013. De Nigeriaanse voorschriften vereisen niet dat dergelijke documenten biometrische gegevens of een foto bevatten, aldus [appellant].

3.1.    Artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp luidt, voor zover thans van belang: "De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

[…]

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

[…]."

3.2.    In het in bezwaar gehandhaafde besluit van 26 juni 2019 heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat niet kan worden vastgesteld dat de overgelegde documenten betrekking hebben op [appellant]. De leeftijdsverklaring en het geboortebewijs vermelden immers gegevens van [naam B]. Die documenten bevatten geen biometrische gegevens of een foto, zodat daaruit niet kan worden opgemaakt dat [appellant] en [naam B] dezelfde persoon zijn. Dat de leeftijdsverklaring en het geboortebewijs documenten als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, van de Wet brp zijn, betekent niet dat het college voorbij had moeten gaan aan de vraag of de in die documenten vermelde gegevens over [naam B] aan de persoon [appellant] kunnen worden gekoppeld. De rechtbank heeft terecht niet anders geoordeeld.

    Het betoog faalt.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet is gebleken dat er geen andere mogelijkheden zijn om zijn identiteit aan te tonen. Het ligt volgens hem niet voor de hand dat hij een geboorteakte kan krijgen. Hierbij verwijst hij naar de hiervoor in 3 vermelde publicatie van de Immigration and Refugee Board of Canada. Het is verder niet duidelijk welk ander document hij zou kunnen krijgen, aldus [appellant].

4.1.    Ter zitting van de rechtbank heeft [appellant] te kennen gegeven bezig te zijn met pogingen om aan documenten te komen die zijn identiteit kunnen aantonen. De rechtbank heeft op basis hiervan terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat er geen andere mogelijkheden zijn om zijn identiteit aan te tonen. Dat die pogingen tot niets hebben geleid, maakt verder niet dat [appellant] inmiddels de onjuistheid van de geregistreerde gegevens heeft aangetoond.

    Het betoog faalt.  

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de afwijzing van zijn wijzigingsverzoek geen schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) oplevert. Onder verwijzing naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 11 juli 2002, Goodwin tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 28957/95, voert [appellant] aan dat zijn zaak onder de reikwijdte valt van zijn door artikel 8 beschermde recht op privéleven en dat een belangenafweging moet worden gemaakt. Daarbij moet het belang van de samenleving bij de betrouwbaarheid van brp-gegevens worden afgewogen tegen zijn belang bij wijziging van die gegevens. Hij wijst daarbij op de bijzondere omstandigheden van zijn geval: dat hij slachtoffer van mensenhandel is geweest en bij aankomst in Frankrijk in 2005 door de mensenhandelaars is gedwongen aan de Franse autoriteiten de hem niet toebehorende gegevens van [appellant] op te geven; dat hij jarenlang gedwongen is geweest zich te prostitueren; dat hij al in 2010 bij zijn eerste contact met de Nederlandse politie, en later in 2013 en 2015, heeft verteld dat hij met een vals paspoort heeft gereisd en dat hij niet [appellant], maar [naam B] is; dat zijn poging om in januari 2013 aan de Nederlandse autoriteiten bekend te maken dat hij [naam B] is, werd gefrustreerd door de aanwezigheid in het Eurodac-systeem van zijn in 2005 in Frankrijk afgenomen, aan de gegevens van [appellant] gekoppelde vingerafdrukken; dat hij de verhouding tussen de politie en de gemeente bij de vaststelling van zijn persoonsgegevens niet begreep, waardoor hij de politie en de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) wel, maar de gemeente Landgraaf niet vertelde dat hij eigenlijk [naam B] is; dat er tijdens het afleggen van de verklaring onder ede op 12 juni 2013 bij de gemeente Landgraaf geen tolk aanwezig was en hij ter identificatie uitsluitend een verblijfspasje met de gegevens van [appellant] beschikbaar had. Het gaat om omstandigheden waarop hij geen invloed had en die hem niet zijn toe te rekenen, terwijl hij intens lijdt onder de registratie in de brp van de hem niet toebehorende persoonsgegevens, aldus [appellant].

5.1.    Artikel 8, eerste lid, van het EVRM luidt: "Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie."

    Het tweede lid luidt: "Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."

5.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college niet in strijd met artikel 8 van het EVRM heeft gehandeld door het wijzigingsverzoek van [appellant] af te wijzen. Hierbij is van belang dat hij destijds bij de gemeente Landgraaf ongeclausuleerd en onder ede heeft verklaard [appellant] te zijn. Omdat hij niet beschikte over brondocumenten om zijn identiteit aan te tonen is hem, in zijn belang, deze mogelijkheid van een eigen verklaring onder ede geboden, zodat hij, ondanks het ontbreken van stukken, alsnog in de brp kon worden opgenomen. In zijn hogerberoepschrift noch ter zitting van de Afdeling heeft hij er een bevredigende verklaring voor kunnen geven dat hij onder ede zonder enig voorbehoud heeft verklaard [appellant] te zijn, terwijl hij eigenlijk [naam B] was. Dit, terwijl hij heeft aangegeven dat bij zijn contact met de politie en de IND steeds wel te hebben benadrukt. De Afdeling acht niet aannemelijk dat hem op geen enkel moment voorafgaand aan het afleggen van de verklaring onder ede is uitgelegd dat hij verplicht is de waarheid te spreken. Dat [appellant] de relatie tussen politie, gemeente en IND niet goed zou hebben begrepen, zoals hij tijdens de zitting van de Afdeling heeft toegelicht, is geen afdoende verklaring. Ook zonder kennis van de Nederlandse overheidsorganisatie had [appellant] kunnen en moeten begrijpen dat hij de waarheid moest spreken. Dat is immers geen specifiek Nederlandse, maar een universele norm. Verder is van belang dat de door hem aangevoerde bijzondere omstandigheden, in samenhang bezien met het paspoort en de overige overgelegde stukken, zijn stelling dat hij [naam B] is weliswaar in zekere mate ondersteunen, maar dat deze, gelet op hetgeen hiervoor in 2.2, 3.2 en 4.1 is overwogen, niet tot de conclusie leiden dat de geregistreerde gegevens onjuist zijn. Het college hoefde er dus niet vanuit te gaan dat [appellant] en [naam B] dezelfde persoon zijn. Uit het arrest Goodwin, in welke zaak de identiteit van de betrokken persoon vaststond en waarbij de wijziging plaatsvond na de eerste registratie, volgt niet dat het college verplicht is in een geval als dit de in de brp geregistreerde gegevens te wijzigen als niet met de ingevolge de Wet brp vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat die geregistreerde gegevens onjuist zijn. Gelet hierop is het college terecht niet toegekomen aan het maken van de door [appellant] bedoelde belangafweging.

    Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2021

620.