Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:429

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
03-03-2021
Zaaknummer
201908658/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1879, heeft de Afdeling het college van burgemeester en wethouders van Haarlem opgedragen het geconstateerde gebrek in het besluit van 8 oktober 2019 te herstellen. In dat besluit heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 14 juni 2019 tot vaststelling van het plaatsingsplan waarop locaties in de wijk Ter Kleefkwartier zijn aangewezen voor afvalcontainers ongegrond verklaard. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de locatie bij Jan de Braystraat 10 geschikt is voor plaatsing van de gft-container en dat de alternatieve locaties die [appellant] heeft voorgesteld minder geschikt zijn. De Afdeling is op basis van de nadere motivering van het college en de zienswijze van [appellant] tot het oordeel gekomen dat het college niet in redelijkheid voor de locatie bij Jan de Braystraat 10 heeft kunnen kiezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908658/2/R1.

Datum uitspraak: 3 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Haarlem,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 5 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1879, heeft de Afdeling het college opgedragen het geconstateerde gebrek in het besluit van 8 oktober 2019 te herstellen. In dat besluit heeft het college het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 14 juni 2019 tot vaststelling van het plaatsingsplan waarop locaties in de wijk Ter Kleefkwartier zijn aangewezen voor afvalcontainers ongegrond verklaard.

Het college heeft een nadere motivering ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [appellant] een zienswijze naar voren gebracht over de nadere motivering van het college.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Conclusie van de Afdeling

1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de locatie bij Jan de Braystraat 10 geschikt is voor plaatsing van de gft-container en dat de alternatieve locaties die [appellant] heeft voorgesteld minder geschikt zijn. De Afdeling is op basis van de nadere motivering van het college en de zienswijze van [appellant] tot het oordeel gekomen dat het college niet in redelijkheid voor de locatie bij Jan de Braystraat 10 heeft kunnen kiezen. Het beroep van [appellant] is gegrond. De Afdeling zal hierna eerst uitleggen waarom zij tot dit oordeel is gekomen. Vervolgens zal de Afdeling ingaan op de gevolgen voor het besluit van 8 oktober 2019.

Motivering van het oordeel van de Afdeling

2.    Het college stelt zich in zijn nadere motivering op het standpunt dat de gft-container niet tot ernstige overlast voor [appellant] zal leiden. Het college erkent dat gft-containers in de hoogzomer wanneer het erg warm is tot overlast leiden als deze niet schoon zijn of intensief worden gebruikt. Dit probleem speelde in de afgelopen zomer in Haarlem bij meer gft-containers. Dat heeft volgens het college niet geleid tot het massaal verplaatsen van gft-containers maar tot een betere aanpak van de vervuiling waarmee overlast wordt tegengegaan.

    Volgens het college worden gft-containers alleen verplaatst als er een beter alternatief is voorgesteld door omwonenden. De locaties die [appellant] heeft voorgesteld zijn niet beter dan de gekozen locatie. Volgens het college is de stoep bij de eerste alternatieve locatie van [appellant] smaller dan bij de gekozen locatie. Bij de gekozen locatie is de stoep tussen 4,3 en 3,75 m breed. Bij de eerste alternatieve locatie is de stoep tussen 3 en 2,3 m breed. Bovendien staan op die locatie vaak auto’s met twee wielen op de stoep geparkeerd. Ook komt de gft-container verder weg te staan van een aantal bewoners voor wie deze is bedoeld indien deze op één van de alternatieve locaties wordt geplaatst. Deze bewoners zullen dan volgens het college minder geneigd zijn om de gft-container te gebruiken. Als het klopt dat deze bewoners de gft-container niet gebruiken, zullen zij nogmaals erop worden gewezen dat zij hun gft-afval gescheiden moeten aanbieden.

2.1.    Volgens [appellant] ondervindt hij niet alleen ernstige overlast van de gft-container in hoogzomer, maar ook op vaak voorkomende warme dagen met een temperatuur boven de 20 graden. Hij wijst erop dat de container op de gekozen locatie staat op het zuiden en in de volle zon. [appellant] betwist dat er geen gft-containers zijn verplaatst vanwege overlast. Volgens hem is de gft-container bij het kantoor van zijn gemachtigde verplaatst vanwege overlast. Verder is volgens [appellant] niet van belang wat de totale breedte van de stoep is, maar wat de breedte is van de stoep die overblijft voor voetgangers. Hij heeft met de foto’s die hij eerder in de procedure heeft overgelegd volgens hem afdoende aangetoond dat op de eerste alternatieve locatie voldoende ruimte overblijft voor voetgangers. Ook komt de gft-container op de eerste alternatieve locatie dichter te staan bij de bewoners die de container daadwerkelijk gebruiken. Bovendien is de precieze afstand tot een gft-container volgens [appellant] niet van doorslaggevend belang, omdat andere bewoners in de wijk een ruimere afstand naar een gft-container moeten lopen.

2.2.    De Afdeling is van oordeel dat het college niet in redelijkheid voor de locatie bij Jan de Braystraat 10 heeft kunnen kiezen. Het college heeft in zijn nadere motivering niet inzichtelijk gemaakt dat de overlast die [appellant] van de container ondervindt aanvaardbaar is. Volgens het college kan de container alleen leiden tot overlast tijdens de hoogzomer wanneer het erg warm weer is, maar [appellant] betwist dat en het college heeft zijn stelling niet onderbouwd met bijvoorbeeld een onderzoek. Zonder onderbouwing kan niet worden uitgesloten dat [appellant] tijdens een significant deel van het jaar overlast ondervindt van de gft-container en wordt beperkt in het gebruik van zijn tuin. De container staat op de gekozen locatie in de zon en het is de verwachting dat Nederland in toenemende mate met warmere zomers te maken krijgt, zoals het college in zijn nadere motivering zegt. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat de maatregelen die het neemt om overlast van gft-containers tegen te gaan in dit geval soelaas bieden. Het college heeft gezegd dat gft-containers sneller worden verwisseld door een schone container, maar in de nadere motivering ontbreekt concrete informatie over deze maatregel. Het college heeft niet gezegd vanaf welke temperatuur deze maatregel wordt toegepast, hoe vaak een gft-container dan wordt verwisseld en of de maatregel ook in dit geval zal worden toegepast. Volgens het college wordt ook onderzoek gedaan naar mogelijkheden voor een regelmatig wasprogramma als het warm weer is. Maar het college kan geen rekening houden met deze maatregel, omdat het nog niet zeker is of deze zal worden ingevoerd.

    Het college heeft in zijn nadere motivering geen legitieme bezwaren aangevoerd tegen de alternatieve locaties die rechtvaardigen dat hij voor de locatie bij Jan de Braystraat 10 heeft gekozen ondanks de overlast die [appellant] van de container ondervindt. [appellant] wijst er terecht op dat niet de totale breedte van de stoep van belang is, maar de breedte van de stoep die overblijft voor voetgangers. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak geoordeeld dat [appellant] aannemelijk heeft gemaakt dat in ieder geval op één van de alternatieve locaties voldoende ruimte is voor de container. Uit foto’s die hij heeft overgelegd bleek namelijk dat als de container op die locatie wordt geplaatst, de breedte van de stoep ongeveer 1,9 m is, terwijl de breedte van de stoep bij de orac, de locatie die het college nu heeft gekozen, ongeveer 1,7 m is. Dat op de eerste alternatieve locatie vaak auto’s met twee wielen op de stoep staan geparkeerd is geen relevante omstandigheid, omdat het gemeentebestuur daartegen handhavend kan en zonodig moet optreden. Auto’s mogen op grond van artikel 10 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet op de stoep worden geparkeerd Bovendien is het aannemelijk dat ook als er auto’s met twee wielen op de stoep staan geparkeerd er voldoende ruimte overblijft voor voetgangers. [appellant] heeft in zijn zienswijze erop gewezen dat hij de afstand van 1,9 m heeft gemeten tot aan de schuine stoeprand van de inrit van het parkeerterrein achter de eerste alternatieve locatie. Auto’s staan geparkeerd langs de rechte stoeprand en uit een foto van [appellant] blijkt dat de afstand van de container tot aan die stoeprand enkele tientallen centimeters groter is dan 1,9 m. Verder heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat een aantal bewoners voor wie de container is bedoeld minder geneigd zullen zijn om de container te gebruiken als deze verder weg van hun woning komt te staan. Volgens [appellant] maken de bewoners van [locatie 1] en [locatie 2] sowieso geen gebruik van de container omdat zij een eigen gft-container hebben. Het college heeft niet onderzocht welke bewoners de container gebruiken en of de loopafstand tot de container daarbij van belang is. Bovendien vindt het college het in andere gevallen niet bezwaarlijk dat bewoners een ruimere afstand naar een gft-container moeten lopen. Zo moeten de bewoners van [locatie 3] een afstand van ongeveer 65 m naar gft-container G04 lopen en de bewoners van [locatie 4] moeten een afstand van 70-75 m naar gft-containers G14 en G08 lopen. Als de gft-container op de eerste alternatieve locatie wordt geplaatst, moeten de bewoners van [locatie 1] en [locatie 2] een afstand van 45-50 m naar de container lopen.

    Het betoog slaagt.

Gevolgen voor het besluit van 8 oktober 2019

3.    Het beroep is zoals gezegd onder 1 gegrond. Het besluit van 8 oktober 2019 moet worden vernietigd vanwege strijd met artikel 3:4 van de Awb (evenredigheid van de belangenafweging). De Afdeling zal het college opdragen om in het nieuwe besluit op bezwaar dat hij moet nemen het bezwaar van [appellant] gegrond te verklaren en het plaatsingsplan te wijzigen door een andere locatie voor de gft-container aan te wijzen. Artikel 7:9 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van het nieuwe besluit niet te worden toegepast, maar het college moet natuurlijk wel acht slaan op de belangen van anderen dan [appellant]. Het college moet het nieuwe besluit binnen een termijn van zes weken nemen.

4.    Het college zal op de hieronder vermelde wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem van 8 oktober 2019, kenmerk JZ/2019/606357;

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem op om binnen 6 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen waarin het bezwaar van [appellant A] en [appellant B] gegrond wordt verklaard en het plaatsingsplan wordt gewijzigd door een andere locatie voor de gft-container aan te wijzen. Het nieuwe besluit moet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend worden gemaakt;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.312,50 (zegge: dertienhonderdtwaalf euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlem aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Van Driel Kluit

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2021

703.