Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:424

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-03-2021
Datum publicatie
10-03-2021
Zaaknummer
202004960/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004960/1/V1.

Datum uitspraak: 3 maart 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 augustus 2020 in zaak nr. 19/9966 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 12 december 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 augustus 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. Werner, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.       De vreemdeling beoogt verblijf in Nederland bij referent, zijn partner die in het bezit is van een EU vergunning duurzaam verblijf, en twee minderjarige kinderen, beide in het bezit van een verblijfsvergunning regulier. Hij heeft de Ghanese nationaliteit en is naar eigen zeggen in 2010 naar Nederland gekomen. Hij is nooit in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Een van de kinderen (hierna: het kind), niet zijnde zijn juridisch of biologisch kind, heeft het Prader-Willi-syndroom en behoeft hierdoor specialistische medische verzorging. Ook gaat hij naar het speciaal onderwijs. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen, omdat de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dat vereiste in verband met artikel 8 van het EVRM. Tussen de vreemdeling, referent en de kinderen bestaat gezinsleven, dat de vreemdeling is aangegaan en heeft geïntensiveerd tijdens onrechtmatig verblijf in Nederland.

2.       De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974, overwogen dat de staatssecretaris onderzoek moet doen naar twee scenario's: een scenario waarin het gezin met de vreemdeling meegaat naar Ghana en een scenario waarin het gezin in Nederland achterblijft. Hij moet alle van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar in de belangenafweging betrekken. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris dit voor beide scenario's niet deugdelijk heeft gedaan. De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat de staatssecretaris voor het scenario waarin het gezin in Nederland achterblijft onvoldoende heeft onderzocht of en op welke manier Nederlandse instellingen de zorg voor het kind kunnen overnemen en hoe de belangen van het gezin zich hiertoe verhouden. Voor het scenario waarin het gezin naar Ghana vertrekt, heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank ten onrechte volstaan met de vaststelling dat medicatie, behandeling en onderwijs in Ghana beschikbaar zijn. Hij had ook nader onderzoek moeten doen naar de implicaties voor het kind van een vertrek naar Ghana. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris nader onderzoek moet doen naar het scenario waarin het gezin in Nederland achterblijft en nader moet onderzoeken of het vertrek van het gezin naar Ghana een ‘certain degree of hardship’ zal veroorzaken.

3.       In de enige grief bestrijdt de staatssecretaris deze overwegingen van de rechtbank. Hij voert aan dat de rechtbank de belangenafweging ten onrechte niet enigszins terughoudend heeft getoetst. Ook voert hij aan dat de rechtbank een onjuiste invulling heeft gegeven aan het criterium ‘certain degree of hardship’ en de in dat kader geldende bewijslastverdeling. De rechtbank heeft ten onrechte een onderzoeksplicht opgelegd, aldus de staatssecretaris.

3.1.    Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (arrest van 28 juni 2011, Nunez tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709) en de Afdeling (uitspraak van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1503) moet de rechter vol toetsen of de staatssecretaris bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van familie- en gezinsleven alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar heeft betrokken. De rechter moet de uitkomst van de belangenafweging van de staatssecretaris enigszins terughoudend toetsen. Uit de arresten van het EHRM van 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, en 8 november 2016, El Ghatet tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD005697110, volgt verder dat bij alle besluiten over kinderen hun belangen een eerste overweging moeten vormen.

3.2.    De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij voor beide scenario's niet alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken. Hij heeft daarbij de specifieke belangen van de kinderen, met name die van het kind, kenbaar en gemotiveerd betrokken.

3.3.    Voor het scenario dat het gezin in Nederland blijft, heeft hij terecht in de belangenafweging betrokken dat de vreemdeling gezinsleven is gaan uitoefenen en heeft geïntensiveerd, terwijl hij wist dat hij onrechtmatig in Nederland verbleef. De staatssecretaris heeft onderkend dat het kind speciale zorgbehoeften heeft, en er daardoor belang bij heeft dat de vreemdeling in Nederland is. De staatssecretaris heeft terecht in de belangenafweging betrokken dat de vreemdeling niet heeft onderbouwd dat hij de hoofdverzorger van de kinderen is en de staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat referent dat is. In zoverre verschilt het voorliggende geval van het geval dat voorlag in de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2019. De vreemdeling woont niet samen met het gezin. De staatssecretaris heeft er daarom terecht op gewezen dat de woonsituatie van het gezin niet verandert als de vreemdeling naar Ghana vertrekt. Verder heeft de staatssecretaris er terecht op gewezen dat referent, indien zij de vreemdeling niet volgt naar Ghana, een beroep kan doen op Nederlandse zorginstellingen en noodzakelijke gezinshulp. De vreemdeling heeft niet gesteld dat die voorzieningen niet beschikbaar zijn. Hoewel uit diverse verklaringen van behandelaars van het kind blijkt dat de vreemdeling een ondersteunende rol vervult in het gezin en zijn vertrek voor het gezin en de kinderen in het bijzonder enige ‘hardship’ mee zal brengen, heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat hieraan geen doorslaggevend gewicht toekomt en zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ‘hardship’ een zodanige graad bereikt, dat deze in de weg staat aan vertrek.

3.4.    Voor het scenario dat het gezin met de vreemdeling meegaat naar Ghana heeft de staatssecretaris terecht in de belangenafweging betrokken dat alle leden van het gezin de Ghanese nationaliteit hebben, de vreemdeling en referent in Ghana zijn opgegroeid en daar familie hebben. Ook heeft hij terecht gewezen op de jonge leeftijd van de kinderen. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat de staatssecretaris met de landeninformatie van het Bureau Medische Advisering (hierna: BMA) en de scholeninformatie heeft onderbouwd dat medicatie, behandeling en scholing in Ghana beschikbaar zijn voor het kind. De staatssecretaris voert in dit kader terecht aan dat de aanwezigheid van die ondersteunende voorzieningen ook een rol speelt bij de beoordeling of uitoefening van gezinsleven in Ghana leidt tot een ’certain degree of hardship’. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2056, onder 3.3. De vreemdeling heeft hierbij niet aannemelijk gemaakt dat familie in Ghana de ondersteuning niet kan overnemen. De staatssecretaris stelt zich, naar aanleiding van het oordeel van de rechtbank dat hij nader medisch onderzoek moet verrichten naar de implicaties voor het kind bij een vertrek naar Ghana, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1383, onder 3.3, ook terecht op het standpunt dat de diverse verklaringen van behandelaars van het kind geen aanleiding geven om medisch advies te vragen bij het BMA. Immers, de verklaringen bevatten voornamelijk een waardeoordeel en dienen geen behandeldoel. Voor zover de verklaringen medische gegevens bevatten, zoals de diagnose en een beschrijving van de behandeling, heeft de staatssecretaris ook hierin terecht geen aanleiding gezien om bij het BMA medisch advies te vragen. De diagnose en het behandelplan maken op zichzelf immers nog niet dat er voor het kind geen behandelmogelijkheden zijn in Ghana en de vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat die er niet zijn. Ook voor het scenario waarin het gezin meegaat naar Ghana heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich een ‘certain degree of hardship’ zal voordoen die in dit geval aan vertrek in de weg staat.

3.5.    Het beroep dat de vreemdeling in dit verband heeft gedaan op het arrest van het EHRM van 24 juli 2014, Kaplan tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2014:0724JUD003250411, maakt wat de Afdeling heeft overwogen onder 3.3 en 3.4 niet anders. Op zichzelf heeft de vreemdeling terecht aangevoerd dat de dochter van de vreemdeling in die zaak speciale zorgbehoeftes had vanwege haar chronische en ernstige vorm van autisme. Ook heeft hij terecht aangevoerd dat het EHRM uitzetting van die vreemdeling in strijd heeft geacht met artikel 8 van het EVRM, ofschoon de dochter nog een jonge leeftijd heeft en in het land van herkomst noodzakelijke zorg voor haar aanwezig is. Echter, anders dan in deze zaak, was de vreemdeling in die zaak al gezinsleven met zijn partner aangegaan in het land van herkomst. Ook nam hij de dagelijkse verzorging van de dochter op zich, omdat zijn partner uitgeput was en hierdoor nauwelijks kon functioneren. De dochter raakte daardoor in het bijzonder aan hem gehecht. De vreemdeling in deze zaak heeft niet aannemelijk gemaakt dat het kind zozeer van zijn hulp afhankelijk is dat het daarom niet zonder hem kan.

3.6.    Omdat de staatssecretaris de belangenafweging deugdelijk gemotiveerd en niet ten onrechte in het nadeel van de vreemdeling heeft laten uitvallen, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris nader onderzoek moet verrichten. De grief slaagt.

4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 13 augustus 2020 in zaak nr. 19/9966;

III.      verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2021

282-954.