Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:320

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-02-2021
Datum publicatie
17-02-2021
Zaaknummer
202002853/1/R1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2020:2298, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 oktober 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Texel aan [vergunninghouder], handelend onder de naam [bedrijf], een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfsschuur op het perceel [locatie 1] te Oosterend. Omdat een deel van het dak van deze schuur een plat dak betreft en dit op grond van de planregels van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" niet is toegestaan, is eveneens vergunning verleend voor het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan. Het bedrijf van [vergunninghouder] ligt aan de [locatie 2]/[locatie 1]. [appellant] woont op het perceel [locatie 3] te Oosterend en is eigenaar van het perceel [locatie 4], welk perceel direct tegenover de nieuw te bouwen bedrijfsschuur ligt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002853/1/R1.

Datum uitspraak: 17 februari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Oosterend, gemeente Texel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 maart 2020 in zaak nr. 19/2063 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Texel.

Procesverloop

Bij besluit van 18 oktober 2018 heeft het college aan [vergunninghouder], handelend onder de naam [bedrijf], een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfsschuur op het perceel [locatie 1] te Oosterend.

Bij besluit van 8 april 2019 heeft het college het onder meer door

[appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 januari 2021, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H.P. Verheijen, advocaat te Den Burg, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Oosterdijk, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. E.A. Wentink-Quelle, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Bij besluit van 18 oktober 2018 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een bedrijfsschuur op het perceel [locatie 1] te Oosterend. Omdat een deel van het dak van deze schuur een plat dak betreft en dit op grond van de planregels van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" niet is toegestaan, is eveneens vergunning verleend voor het gebruiken van gronden in strijd met een bestemmingsplan.

    Het bedrijf van [vergunninghouder] ligt aan de [locatie 2]/[locatie 1]. [appellant] woont op het perceel [locatie 3] te Oosterend en is eigenaar van het perceel [locatie 4], welk perceel direct tegenover de nieuw te bouwen bedrijfsschuur ligt.

Beoordeling van het hoger beroep

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [vergunninghouder]  de te bouwen bedrijfsschuur in strijd met het bestemmingsplan zal gaan gebruiken, omdat deze schuur niet hoofdzakelijk voor agrarische activiteiten zal worden gebruikt maar voor loonwerkactiviteiten.

    [appellant] stelt allereerst dat [vergunninghouder] tot op heden nog geen of nauwelijks agrarische activiteiten uitoefent. Volgens hem heeft het college ten onrechte gewicht toegekend aan het door Flynth adviseurs en accountants opgestelde rapport "Bedrijfsplan [bedrijf]" van 4 oktober 2018 (hierna: het bedrijfsplan). [appellant] betwist de deskundigheid van de opsteller van het bedrijfsplan en stelt dat in dit plan niet met enige gegevens wordt onderbouwd dat de bedrijfsactiviteiten van [vergunninghouder] op dit moment daadwerkelijk al bestaan uit de teelt van gewassen, waaronder winterpeen, met een omvang van 5,68 hectare (hierna: ha). Hij wijst er hierbij onder verwijzing naar een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK) op dat de hoofdactiviteit van [vergunninghouder] op dit moment bestaat uit het uitoefenen van een loonwerkersbedrijf.

    Verder stelt [appellant] dat uit het bedrijfsplan volgt dat [vergunninghouder] van plan is om zijn loonwerkactiviteiten af te bouwen en de teeltactiviteiten van buxus uit te breiden, maar dat van een verdere concretisering van deze plannen tot op heden nog geen sprake is. Ook is volgens hem niet gebleken dat [vergunninghouder] in de toekomst daadwerkelijk meer gronden zal aankopen waarop de teelt van buxus kan gaan plaatsvinden. De rechtbank is volgens [appellant] dan ook ten onrechte uitgegaan van de enkele, niet onderbouwde stelling van het college en [vergunninghouder] dat de teeltopbrengst maar liefst 2/3 van de omzet zal gaan genereren en dat de loonwerkzaamheden dus als ondergeschikte activiteiten zullen plaatsvinden. Hierbij wijst hij erop dat [vergunninghouder] op dit moment slechts zeer beperkt buxus teelt en dat buxusteelt een specialistische vorm van teelt is die veel kennis en ervaring vereist waardoor het zeer onwaarschijnlijk is dat [vergunninghouder] met de teelt van buxus zo’n groot deel van zijn bedrijfsomzet zal behalen. [appellant] stelt dan ook dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat de te bouwen schuur hoofdzakelijk voor agrarische activiteiten zal worden gebruikt.

2.1.    Blijkens de verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" is aan het perceel [locatie 2]/[locatie 1] de bestemming "Agrarisch - Oude Land" toegekend. Aan een groot deel van deze gronden, ook de gronden ter plaatse van de te bouwen bedrijfsschuur, is eveneens onder meer de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

    Artikel 5.1 van de planregels luidt: "De voor ‘Agrarisch - Oude land’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

    a. agrarisch grondgebruik;

    b. een agrarisch grondgebonden bedrijf ter plaatse van de aanduiding 'Bouwvlak';

    […];

    met daaraan ondergeschikt:

    […];

    l. loonwerk;

    […]."

2.2.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan niet alleen worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming van het perceel kan worden gebruikt, maar mede of het bouwwerk ook met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwwerk in strijd met de bestemming moet worden geoordeeld indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2779).

    De Afdeling stelt vast dat de te bouwen bedrijfsschuur op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" hoofdzakelijk ten behoeve van agrarische doeleinden dient te worden gebruikt. Daaraan ondergeschikt mag de bedrijfsschuur ook ten behoeve van loonwerk worden gebruikt.

2.3.    In de aanvraag staat dat de bedrijfsschuur zal worden gebruikt voor de opslag van materialen. Op één van de bij de aanvraag behorende tekeningen staat als gebruik van de schuur aangegeven: machineberging, kuubskistopslag, opslag van hooi, wortels en buxusbomen en incidenteel onderhoud aan machines. Bij brief van 27 augustus 2018 heeft het college [vergunninghouder] verzocht om de aanvraag aan te vullen, in die zin dat een toelichting dient te worden gegeven op het beoogde gebruik van de schuur en het bedrijfsperceel. Hiertoe heeft [vergunninghouder] het bedrijfsplan laten opstellen. In het bedrijfsplan staat dat de schuur zal worden gebruikt ten behoeve van de verwerking en opslag van geoogste producten, lege kisten, stalling van machines en een werkbank. Uit het bedrijfsplan volgt verder dat de bedrijfsactiviteiten van [vergunninghouder] op dit moment bestaan uit dienstverlening gericht op agrarisch loonwerk, reparatie en onderhoud van tractoren en landbouwwerktuigen met verkoop van materialen en de teelt van gewassen. [vergunninghouder] wil zijn activiteiten uit het loonwerk, reparatie en onderhoud afbouwen en de teeltactiviteiten uitbreiden. Als gevolg hiervan zullen de teeltactiviteiten de belangrijkste activiteit van het bedrijf vormen, aldus het bedrijfsplan. Ten tijde van het opstellen van het bedrijfsplan had de bedrijfslocatie een oppervlakte van 3.500 m² en bedroeg de bedrijfsoppervlakte teelt 5,68 ha, waarvan 4,99 ha voor winterpeen, 0,3 ha voor buxus en 0,39 ha tijdelijk grasland. [vergunninghouder] is van plan om zijn grondareaal uit te breiden met 6.500 m² aan naastgelegen gronden tot 10.000 m² en de buxusteelt te vergroten naar 0,7 ha (met een latere uitbreiding naar 0,9 ha), aldus het bedrijfsplan.

2.4.    Voor zover [appellant] stelt dat het college ten onrechte gewicht heeft toegekend aan het bedrijfsplan, overweegt de Afdeling dat het college dient te beslissen op de aanvraag, zoals deze door [vergunninghouder] is ingediend, en dat het bedrijfsplan deel uitmaakt van deze aanvraag. In wat [appellant] heeft gesteld ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet van de juistheid van het bedrijfsplan heeft kunnen uitgaan. [appellant] heeft de onjuistheid daarvan ook niet aannemelijk heeft gemaakt bijvoorbeeld door het overleggen van een tegenrapport van een deskundige. Verder ziet de Afdeling in de enkele stelling van [appellant] dat de opsteller niet deskundig is geen aanleiding voor het oordeel dat aan de deskundigheid van de opsteller van het bedrijfsplan moet worden getwijfeld.

2.5.    De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling in wat [appellant] heeft aangevoerd terecht geen aanknopingspunten gezien voor het oordeel dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de te bouwen bedrijfsschuur in hoofdzaak zal worden gebruikt voor de loonwerkactiviteiten van [vergunninghouder] en niet voor zijn agrarische activiteiten. Hierbij wordt allereerst in aanmerking genomen dat uit het bedrijfsplan volgt dat [vergunninghouder] op dit moment al agrarische activiteiten uitoefent en voor de teelt van gewassen 5,68 ha grond in gebruik heeft. Voor zover [appellant] dit betwist, overweegt de Afdeling dat als bijlage bij de brief van [vergunninghouder] van 15 februari 2019 een overzicht van ingevulde gegevens voor de Gecombineerde opgave 2018 bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland is overgelegd. Hieruit volgt dat [vergunninghouder] gewassen teelt met een oppervlakte van 5,68 ha, bestaande uit 4,99 ha voor winterpeen, 0,3 ha voor buxus en 0,39 ha voor tijdelijk grasland. [vergunninghouder] heeft op de zitting verder toegelicht dat een klein deel van deze gronden deel uitmaken van zijn bedrijfsperceel aan de [locatie 2]/[locatie 1] en dat hij voor de teelt van onder meer winterpeen gronden pacht die elders zijn gelegen, bijvoorbeeld aan de Postweg. Hiertoe heeft hij op de zitting verschillende overeenkomsten en facturen getoond waaruit volgt dat hij een vergoeding heeft betaald voor gepachte gronden. Voor zover [appellant] heeft verwezen naar het uittreksel van het KvK waaruit zou volgen dat [vergunninghouder] in hoofdzaak loonwerkactiviteiten uitoefent, overweegt de Afdeling dat in dit uittreksel als activiteiten ook de teelt van sierplanten en voedergewassen wordt vermeld en dat, als [vergunninghouder] in hoofdzaak al loonwerkactiviteiten uitvoerde, dit niet betekent dat [vergunninghouder] zijn agrarische activiteiten niet zou kunnen uitbreiden en zijn loonwerkactiviteiten zou kunnen afbouwen.

    In het bedrijfsplan staat verder dat de bedrijfsschuur zal worden gebruikt ten behoeve van de verwerking van opslag van geoogste producten, lege kisten, stalling van machines en een werkbank. [vergunninghouder] heeft toegelicht dat de bedrijfsschuur in hoofdzaak zal worden gebruikt voor de opslag van de door hem geteelde winterpeen en buxusplanten. Ook is hij van plan op termijn meer grond te pachten voor zijn akkerbouw ten behoeve waarvan kan hij de schuur gaan gebruiken. Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat het zeer onwaarschijnlijk is dat [vergunninghouder] met de buxusteelt maar liefst 2/3 van de bedrijfsomzet zal gaan genereren, overweegt de Afdeling als volgt. In het verweerschrift hangende bezwaar heeft het college te kennen gegeven dat uit de in het bedrijfsplan opgenomen bedrijfsexploitatie volgt dat van de totale opbrengsten van het bedrijf 9,6% zal worden toegerekend aan het loonwerk, 23,1% aan service en onderhoud en 69% aan de teelt. Door [vergunninghouder] is bij brief van 15 februari 2019 bevestigd dat de teeltopbrengst van winterpeen en buxus ongeveer 2/3 van de omzet zal genereren en het resterende deel van de omzet wordt bepaald door het agrarisch loonwerk, reparatie en onderhoud van landbouwvoertuigen. Om een dergelijke omzet te behalen heeft [vergunninghouder] onder verwijzing naar het bedrijfsplan toegelicht dat hij van plan is de buxusteelt uit te breiden naar eerst 0,7 ha en daarna 0,9 ha. Hiervoor zal hij  ongeveer 6.500 m² grond naast zijn bedrijfsperceel gaan pachten. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college hier niet van mocht uitgaan. [vergunninghouder] heeft verder bevestigd dat de kweek van buxus lastig is, maar dat hij zich om die reden laat bijstaan door een buxuskweker uit Brabant. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen is het ook niet noodzakelijk dat de teelt slaagt voor de vraag of de schuur ten behoeve van agrarische activiteiten zal worden gebruikt.

2.6.    Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat geen aanleiding wordt gezien om aan te nemen dat het beoogde gebruik van de bedrijfsschuur uitsluitend of mede betrekking heeft op andere doeleinden dan waarin de bestemming voorziet. Mocht blijken dat [vergunninghouder] de bedrijfsschuur uiteindelijk toch niet in hoofdzaak voor agrarische activiteiten gebruikt, dan zal daartegen handhavend kunnen worden opgetreden.

    Het betoog faalt.

3.    Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat er op het perceel [locatie 2]/[locatie 1] geen sprake is van een agrarisch grondgebonden bedrijf, omdat de meeste gronden die [vergunninghouder] op dit moment en in de toekomst zal gebruiken voor de agrarische activiteiten, niet in de directe omgeving van dit perceel liggen. Hierbij wijst hij onder meer op de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2729. Omdat de te bouwen bedrijfsschuur dus niet ten behoeve van een agrarisch grondgebonden bedrijf zal worden gebruikt, is volgens hem ook om die reden sprake van gebruik in strijd met het bestemmingsplan.

3.1.    Blijkens de verbeelding is aan het perceel [locatie 2]/[locatie 1] de bestemming "Agrarisch - Oude Land" toegekend en aan een groot deel van deze gronden, ook de gronden ter plaatse van de te bouwen bedrijfsschuur, eveneens onder meer de aanduiding "bouwvlak".

    De Afdeling stelt vast dat - anders dan [appellant] veronderstelt -  uit artikel 5.1 van de planregels behorende bij het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013" niet volgt dat gronden waaraan de bestemming "Agrarisch - Oude Land" met de aanduiding "bouwvlak" is toegekend uitsluitend mogen worden gebruikt ten behoeve van een agrarisch grondgebonden bedrijf, maar dat deze gronden ook ten behoeve van onder meer agrarisch grondgebruik mogen worden gebruikt. Nu de te bouwen bedrijfsschuur, zoals hiervoor in 2.5 is overwogen, in hoofdzaak zal worden gebruikt voor de opslag van de door [vergunninghouder] geteelde winterpeen en buxusplanten, is de Afdeling van oordeel dat - daargelaten de vraag of dit gebruik is ten behoeve van een agrarisch grondgebonden bedrijf - daarmee in ieder geval sprake is van gebruik ten behoeve van agrarisch grondgebruik. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het gebruik van de te bouwen bedrijfsschuur ook in zoverre niet in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied Texel 2013".

    Het betoog faalt.

Conclusie

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. E.J. Daalder en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2021

634.