Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2833

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-12-2021
Datum publicatie
16-12-2021
Zaaknummer
201909075/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1100 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad van de gemeente Montferland opgedragen om binnen 16 weken na de verzending daarvan de gebreken in het besluit van 10 oktober 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Emmerikseweg 1-5 ‘s-Heerenberg" te herstellen. De Afdeling heeft onder overweging 4.2 van de tussenuitspraak overwogen dat de in het plan opgenomen termijn, waarna de uitsterfregeling geen gelding meer heeft, alleen in het geval van verbouwingswerkzaamheden onredelijk kort kan zijn. De termijn van 3 maanden, met een verlengingsmogelijkheid die gebonden is aan een maximale termijn van 12 maanden en welke verlengingsmogelijkheid alleen in één situatie in beeld komt, achtte de Afdeling te grofmazig en onvoldoende afgestemd op andere situaties, waarin een termijn van langer dan 3 maanden ook gerechtvaardigd zou kunnen zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201909075/2/R4.

Datum uitspraak: 15 december 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Lidl Nederland GmbH (hierna: Lidl), gevestigd te Huizen,

appellante,

en

de raad van de gemeente Montferland,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 26 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1100 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na de verzending daarvan de gebreken in het besluit van 10 oktober 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Emmerikseweg 1-5 ‘s-Heerenberg" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 9 september 2021 (hierna: het herstelbesluit) heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Emmerikseweg 1-5 ‘s-Heerenberg" opnieuw, gewijzigd vastgesteld.

Lidl is in de gelegenheid gesteld om hierover een zienswijze naar voren te brengen. Zij heeft van deze mogelijkheid gebruikgemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Tussenuitspraak

1.       De Afdeling heeft onder overweging 4.2 van de tussenuitspraak overwogen dat de in het plan opgenomen termijn, waarna de uitsterfregeling geen gelding meer heeft, alleen in het geval van verbouwingswerkzaamheden onredelijk kort kan zijn. De termijn van 3 maanden, met een verlengingsmogelijkheid die gebonden is aan een maximale termijn van 12 maanden en welke verlengingsmogelijkheid alleen in één situatie in beeld komt, achtte de Afdeling te grofmazig en onvoldoende afgestemd op andere situaties, waarin een termijn van langer dan 3 maanden ook gerechtvaardigd zou kunnen zijn. Vervolgens heeft de Afdeling in de tussenuitspraak geoordeeld dat het plan op dit punt in strijd is met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

2.       Het voorgaande betekent dat het beroep van Lidl tegen het besluit van 10 oktober 2019 gegrond is. Dit besluit moet worden vernietigd, voor zover dat besluit ziet op de vaststelling van de artikelen 3.3.2 en 4.3.2 van de planregels.

Het herstelbesluit

3.       De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de raad opgedragen om het geconstateerde gebrek in het besluit van 10 oktober 2019 te herstellen met inachtneming van wat daarover in de tussenuitspraak is overwogen. Om aan de opdracht in de tussenuitspraak te voldoen heeft de raad bij het herstelbesluit het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. De wijziging houdt in dat de termijn, waarna de uitsterfregeling geen gelding meer heeft, is aangepast naar 12 maanden.

4.       Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

5.       Lidl heeft in haar zienswijze te kennen gegeven dat zij zich met het herstelbesluit kan verenigen. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog moet worden beslist.

Proceskosten

6.       De raad moet de proceskosten vergoeden.

6.1.    Over de door Lidl in beroep opgevoerde deskundigenkosten wordt het volgende overwogen.

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:380) komen de kosten van een deskundige op de voet van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van dat geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing. Onder bepaalde omstandigheden bestaat er echter aanleiding hierop een uitzondering te maken. In dat kader heeft de raad gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2505.

In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat omstandigheden, die aanleiding kunnen zijn voor het maken van een uitzondering, zich in het bijzonder voordoen in zaken in het omgevingsrecht. In die zaken kan het voorkomen dat beroepsgronden zijn gericht tegen zeer verschillende aspecten van hetzelfde besluit. Zo kunnen in beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan of tot verlening van een omgevingsvergunning gronden worden aangevoerd over aspecten zoals geluid, geur, luchtkwaliteit, stikstof, natuur, landschap, externe veiligheid en/of de volksgezondheid. Wanneer ter onderbouwing van een beroepsgrond over bijvoorbeeld het aspect geluid een rapport door een deskundige wordt opgesteld en de Afdeling komt na een inhoudelijke bespreking tot de slotsom dat die beroepsgrond niet slaagt, dan komen de kosten in verband met het geluidsrapport niet voor vergoeding in aanmerking. Dat is ook niet in het geval het bestreden besluit om andere redenen voor vernietiging in aanmerking komt, bijvoorbeeld vanwege een ambtshalve te toetsen aspect of vanwege een andere beroepsgrond over een ander aspect van het bestreden besluit, bijvoorbeeld over geurhinder, en die beroepsgrond wel slaagt.

In deze zaak zijn door Lidl kosten gemaakt voor het laten opstellen van een rapport door bureau BRO. De beroepsgronden van Lidl richten zich uitsluitend tegen de in het plan opgenomen uitsterfregeling. In dat kader heeft Lidl aan BRO opdracht gegeven een deskundigenrapport op te stellen. De beroepsgrond van Lidl die slaagt en die leidt tot gegrondverklaring van haar beroep, heeft betrekking op de termijn die aan de uitsterfregeling is gekoppeld. Onder die omstandigheden ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat die beroepsgrond geen verband houdt met het deskundigenrapport van BRO. Dat betekent dat de kosten voor dat rapport door de raad moeten worden vergoed. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Montferland van 10 oktober 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Emmerikseweg 1-5 ’s-Heerenberg" gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Montferland van 10 oktober 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Emmerikseweg 1-5 ’s-Heerenberg", voor zover dat besluit ziet op de vaststelling van de artikelen 3.3.2 en 4.3.2 van de planregels;

III.      veroordeelt de raad van de gemeente Montferland tot vergoeding van bij Lidl Nederland GmbH in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 6.196,00, waarvan € 1.496,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 4.700,00 kosten van deskundigen betreft; dit laatste bedrag moet worden vermeerderd met de daarover verschuldigde omzetbelasting;

IV.      gelast dat de raad van de gemeente Montferland aan Lidl Nederland GmbH het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 december 2021

418-971