Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2678

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-12-2021
Datum publicatie
01-12-2021
Zaaknummer
202100208/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2018 heeft de burgemeester van Heusden aan Dorpscafé De Steeg B.V. vergunning verleend voor het exploiteren van horecabedrijf ‘Dorpscafé De Steeg’ (hierna: De Steeg) aan de Meester Prinsenstraat 38 in Haarsteeg. Dorpscafé De Steeg B.V. heeft een vergunning aangevraagd voor de exploitatie van De Steeg. De Steeg ligt midden in een rustige woonomgeving, recht tegenover en op 12 m afstand van de woning van [appellant]. In het pand bevond zich vroeger Partycentrum De Hut. De burgemeester is van oordeel dat de exploitatie van De Steeg niet zoveel geluidsoverlast veroorzaakt, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving daardoor op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Daartoe heeft de burgemeester van belang geacht dat een horecabedrijf op grond van het bestemmingsplan is toegestaan en dat de activiteiten van De Steeg niet tot meer geluidsproductie, verkeersbewegingen en parkeerdruk leiden dan de activiteiten van De Hut.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202100208/1/A3.
Datum uitspraak: 1 december 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Haarsteeg, gemeente Heusden,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 24 november 2020 in zaak nr. 19/3212 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Heusden.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2018 heeft de burgemeester aan Dorpscafé De Steeg B.V. vergunning verleend voor het exploiteren van horecabedrijf ‘Dorpscafé De Steeg’ (hierna: De Steeg) aan de Meester Prinsenstraat 38 in Haarsteeg.

Bij besluit van 5 november 2019 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de verleende exploitatievergunning gewijzigd.

Bij uitspraak van 24 november 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 november 2021, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. F.A.J. Peutz, is verschenen.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Inleiding

2. Dorpscafé De Steeg B.V. heeft een vergunning aangevraagd voor de exploitatie van De Steeg. De Steeg ligt midden in een rustige woonomgeving, recht tegenover en op 12 m afstand van de woning van [appellant]. In het pand bevond zich vroeger Partycentrum De Hut (hierna: De Hut).

Besluitvorming

3. Bij het besluit van 5 november 2019 heeft de burgemeester, in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften, het door [appellant] gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de verleende exploitatievergunning gewijzigd. De gewijzigde exploitatievergunning heeft betrekking op de volgende activiteiten:

- het organiseren van maximaal 2 besloten feesten en partijen per week;

- het organiseren van maximaal 12 grote publieksevenementen per jaar, waarbij het maximum aantal toegestane bezoekers niet is gelimiteerd;

- het organiseren van maximaal 52 openbare activiteiten per jaar, die wat hun invloed op de woon- en leefomgeving betreft vergelijkbaar zijn met besloten feesten en partijen;

- het exploiteren van een bruin café waar maximaal 80 bezoekers op vrijdag, zaterdag en zondag mogen komen.

De burgemeester is van oordeel dat de exploitatie van De Steeg niet zoveel geluidsoverlast veroorzaakt, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving daardoor op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Daartoe heeft de burgemeester van belang geacht dat een horecabedrijf op grond van het bestemmingsplan is toegestaan en dat de activiteiten van De Steeg niet tot meer geluidsproductie, verkeersbewegingen en parkeerdruk leiden dan de activiteiten van De Hut.

Hoger beroep

4. [ appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte een aantal aspecten, zoals parkeerhinder en hinder van het komen en gaan van bezoekers niet heeft behandeld en verwijst daarvoor naar zijn beroepschrift van 10 december 2019. Verder betoogt hij dat de functie van het horecapand sinds de komst van De Steeg is gewijzigd en dat de milieuvergunning daarom opnieuw moet worden beoordeeld. Uit een ambtsbericht van 2 mei 1996 blijkt volgens hem dat een horecabedrijf waarin zoveel bezoekers zijn toegestaan, voor onevenredig nadeel in de directe leefomgeving zorgt. Verder wijst [appellant] erop dat de activiteiten in het horecapand inmiddels niet alleen zijn gewijzigd, maar ook zijn uitgebreid ten behoeve van een multicultureel dorpshuis, waarin 20 tot 25 verenigingen actief zijn. Daarom is volgens hem de indirecte hinder togenomen en zou de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak (hierna: de STAB) onderzoek moeten doen naar de invloed van het horecabedrijf op de leefomgeving. Hij voert verder aan dat een horecabedrijf met een capaciteit van 400 tot 1.050 bezoekers niet in een rustige woonwijk past. Hij stelt zich op het standpunt dat de verleende exploitatievergunning niet overeenstemt met de revisievergunning van 3 april 2001. Aan de revisievergunning waren maatwerkvoorschriften verbonden om een redelijk woon- en leefklimaat voor de omwonenden te waarborgen. De burgemeester had alleen een exploitatievergunning voor het organiseren van besloten feesten en partijen moeten verlenen.

Beoordeling

4.1.

Voor zover [appellant] zich op het standpunt stelt dat de revisievergunning van 3 april 2001 opnieuw moet worden beoordeeld, overweegt de Afdeling dat deze procedure niet gaat over de verlening van een revisievergunning, maar over de verlening van een exploitatievergunning. Dat wat [appellant] heeft aangevoerd over de revisievergunning, kan daarom niet tot het oordeel leiden dat de voor De Steeg verleende exploitatievergunning onrechtmatig is.

Het advies van Bureau Adviseur Beroepen Milieubeheer van 2 mei 1996 waar [appellant] naar verwijst, is in het kader van een procedure over de revisievergunning voor De Hut opgesteld. Aan dit advies komt in deze procedure daarom geen betekenis toe.

Verder gaat deze procedure ook niet over het gebruik van De Steeg als multicultureel dorpshuis. De exploitatievergunning ziet niet op dit gebruik. Voor het door [appellant] voorgestelde onderzoek door de STAB is ook om die reden geen aanleiding.

4.2.

De Afdeling begrijpt dat [appellant] terug zou willen naar de situatie zoals die in de periode was toen De Hut in het pand was gevestigd. In het beroepschrift van 10 december 2019 heeft [appellant] gemotiveerd te kennen gegeven dat De Hut bij een normale bedrijfsvoering 80 tot 300 bezoekers had voor besloten feesten. In de praktijk gebeurde dit gemiddeld 40 keer per jaar, waarbij de bezoekers rond 20.30 uur aankwamen en om 02.00 weer vertrokken. Deze feesten vonden alleen op de vrijdag, zaterdag en zondag plaats. Doordeweeks waren er nauwelijks activiteiten, afgezien van een aantal begrafenissen en vergaderingen per jaar.

4.3.

De burgemeester moet bij het nemen van een besluit op een aanvraag om een exploitatievergunning op grond van artikel 2:28, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Heusden 2016 (hierna: de APV) beoordelen of de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Ingevolge het vierde lid moet de burgemeester daarbij rekening houden met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf, de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie en de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant van het horecabedrijf.

4.4.

De burgemeester heeft bij haar oordeel dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van De Steeg niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed de bij besluit van 3 april 2001 krachtens het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer vastgestelde maatwerkvoorschriften van belang geacht. De burgemeester stelt dat een ondernemer volgens deze maatwerkvoorschriften het horecapand zeven dagen per week mag exploiteren voor besloten feesten en partijen, voor maximaal 550 bezoekers per keer, en dat eens per week meer dan 550 bezoekers zijn toegestaan. De burgemeester stelt verder dat de aan De Steeg vergunde activiteiten voor het exploiteren van een bruin café en het organiseren van 52 openbare activiteiten per jaar een uitbreiding is van de aan De Hut vergunde activiteiten. Daartegenover staat een vermindering van het volgens de maatwerkvoorschriften maximum aantal toegestane bezoekers, van 550 naar 400, een beperking van het maximum aantal toegestane besloten feesten per week, van zeven naar twee, en het schrappen van de cafetariafunctie. De burgemeester is daarom van oordeel dat de aan De Steeg vergunde activiteiten niet tot meer geluidsproductie, verkeersbewegingen en parkeerdruk leiden dan daarvoor en dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van De Steeg daarom niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. De rechtbank heeft dit oordeel van de burgemeester gevolgd.

4.5.

Niet valt in te zien waarom een vermindering van het volgens de maatwerkvoorschriften maximum aantal toegestane bezoekers, van 550 naar 400, een vermindering van hinder betekent ten opzichte van de situatie zoals die daarvoor was. [appellant] heeft onbestreden gesteld dat De Hut bij een normale bedrijfsvoering slechts 80 tot 300 bezoekers had, waarbij de besloten feesten alleen op vrijdag, zaterdag of zondag plaatsvonden. Ook valt niet in te zien waarom een vermindering van het aantal toegestane besloten feesten, van zeven naar twee per week, een vermindering van hinder betekent ten opzichte van de situatie zoals die daarvoor was.

[appellant] heeft onbestreden gesteld dat De Hut gemiddeld 40 feesten per jaar organiseerde, dus minder dan één keer per week. Voorts had De Hut, anders dan de burgemeester stelt, geen cafetariafunctie. De burgemeester heeft zich bij de gemaakte vergelijking tussen de activiteiten van De Steeg en die van De Hut onvoldoende rekenschap gegeven van de feitelijke bedrijfsvoering van De Hut. Verder betekent het oordeel van de burgemeester dat er niet meer hinder is dan voorheen, niet zonder meer dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van De Steeg daarom niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. De burgemeester moet zich daarover, na afweging van alle betrokken belangen, een zelfstandig oordeel vormen. Dat heeft de burgemeester niet gedaan. [appellant] betoogt daarom terecht dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de door hem gestelde hinder van het komen en gaan van bezoekers en de daarmee gepaard gaande parkeerproblemen.

4.6. [

appellant] betoogt ook terecht dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn stelling dat een horecabedrijf met zulke grote aantallen bezoekers als volgens de vergunning toegestaan, niet in een rustige woonwijk past. De Steeg ligt, zoals de burgemeester ter zitting heeft bevestigd, midden in een rustige woonwijk, recht tegenover en op 12 m afstand van de woning van [appellant]. De burgemeester heeft aan haar oordeel, dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van De Steeg niet op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, ten grondslag gelegd dat het op 31 maart 2015 vastgestelde bestemmingsplan ‘Haarsteeg’ ter plaatse voorziet in een bestemming voor horeca tot en met categorie 3. De burgemeester heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de stelling van [appellant], dat de vergunde activiteiten niet thuishoren in een rustige woonwijk, van planologische aard is en daarom buiten de beoordeling van de verleende exploitatievergunning valt. De burgemeester moet bij het oordeel of de woon- en leefsituatie in de omgeving van De Steeg op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed, op grond van artikel 2:28, vierde lid, van de APV, rekening houden met het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen. Dat heeft de burgemeester niet gedaan. Dat een horecabedrijf op grond van het bestemmingsplan op de betrokken locatie is toegestaan, betekent niet dat de burgemeester voor het verlenen van de aangevraagde exploitatievergunning niet moet toetsen, of het horecabedrijf geen ontoelaatbare nadelige invloed heeft op het woon- en leefklimaat. De burgemeester had daarbij dus rekening moeten houden met het feitelijke karakter van de straat en de wijk waarin De Steeg is gelegen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

4.7.

De betogen slagen.

Slotsom

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] gegrond verklaren en het besluit van 5 november 2019 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht vernietigen. De burgemeester moet een nieuw besluit op het bezwaar van [appellant] nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij zal de burgemeester, voor zover zij naar aanleiding van de stellingen van [appellant] een vergelijking wil maken tussen de hinder van De Steeg en die van De Hut, moeten uitgaan van de feitelijke bedrijfsvoering van De Hut. Los daarvan zal zij, na afweging van alle daarbij betrokken belangen, een zelfstandig oordeel moeten vormen over de vraag, of de woon- en leefsituatie in de omgeving van De Steeg op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Daarbij moet de burgemeester rekening houden met het feitelijk karakter van de straat en de wijk waarin

De Steeg is gelegen. Het ligt daarbij in de rede dat passende voorschriften worden opgenomen over bezoekersaantallen, dagen en tijdstippen.

6. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

7. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden, omdat geen sprake is van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost­Brabant van 24 november 2020 in zaak nr. 19/3212;

III. verklaart het beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van 5 november 2019 van de burgemeester van Heusden, kenmerk 00550537;

V. bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit op bezwaar alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI. gelast dat de burgemeester van Heusden aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 444,00 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2021

978

BIJLAGE

Algemene Plaatselijke Verordening Heusden 2016

Artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf

1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

2. De burgemeester weigert de vergunning:

a. geheel of gedeeltelijk, voor zover de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit;

b. indien de exploitant niet voldoet aan het vereiste dat hij niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

3. In afwijking van artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

4. Bij de toepassing van de in het derde lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin het horecabedrijf is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van het horecabedrijf, de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie en de wijze van bedrijfsvoering door de exploitant van het horecabedrijf.