Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2579

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2021
Datum publicatie
17-11-2021
Zaaknummer
202005652/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wijchen het wijzigingsplan "[locatie 1], Wijchen" vastgesteld. [appellant] exploiteert op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te Wijchen een agrarisch bedrijf voor akkerbouw, loon- en grondverzet en houdt paarden en rundvee. [partij] is eigenaar en bewoner van de woning [locatie 1]. Op deze percelen zijn twee woningen aanwezig die in het bestemmingsplan "Buitengebied en herziening 2014" zijn aangewezen als bedrijfswoningen. In het wijzigingsplan wordt de functieaanduiding "bedrijfswoning" voor de woning [locatie 1] veranderd in die van "plattelandswoning". [appellant] is bevreesd dat die wijziging van bedrijfswoning naar plattelandswoning leidt tot een belemmering van zijn bedrijfsactiviteiten. Sommige bedrijfsactiviteiten, zoals het stallen van vee, vinden op zeer korte afstand van de woning [locatie 1] plaats. Verder wijst hij erop dat [partij] van plan is om de woning binnen afzienbare tijd te verkopen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005652/1/R4.

Datum uitspraak: 17 november 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Wijchen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Wijchen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 september 2020 heeft het college het wijzigingsplan "[locatie 1], Wijchen" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[partij] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 oktober 2021, waar [appellant], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Schmidt, zijn verschenen. Voorts is [partij], bijgestaan door ing. M.M.W. Pijpers en [gemachtigde B], ter zitting gehoord.

Overwegingen

1.       Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2.       [appellant] exploiteert op de percelen [locatie 1] en [locatie 2] te Wijchen een agrarisch bedrijf voor akkerbouw, loon- en grondverzet en houdt paarden en rundvee. [partij] is eigenaar en bewoner van de woning [locatie 1]. Op deze percelen zijn twee woningen aanwezig die in het bestemmingsplan "Buitengebied en herziening 2014" zijn aangewezen als bedrijfswoningen. In het wijzigingsplan wordt de functieaanduiding "bedrijfswoning" voor de woning [locatie 1] veranderd in die van "plattelandswoning".

[appellant] is bevreesd dat die wijziging van bedrijfswoning naar plattelandswoning leidt tot een belemmering van zijn bedrijfsactiviteiten. Sommige bedrijfsactiviteiten, zoals het stallen van vee, vinden op zeer korte afstand van de woning [locatie 1] plaats. Verder wijst hij erop dat [partij] van plan is om de woning binnen afzienbare tijd te verkopen.

3.       Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid betrekking heeft, in beginsel als een gegeven worden beschouwd, indien is voldaan aan de bij het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt echter niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat aan de in een bestemmingsplan opgenomen wijzigingsvoorwaarden is voldaan, laat de plicht van het college van burgemeester en wethouders onverlet om in de besluitvorming omtrent de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming is gerechtvaardigd.

Beroep

4.       [appellant] betoogt dat de woning van [partij] dicht bij zijn bedrijfsperceel is gelegen en dat door hem op 8 november 2018 een melding is gedaan op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer waarin de huidige en toekomstige situatie van het bedrijf duidelijk is omschreven. Uit deze melding blijkt volgens [appellant] dat zijn bedrijfsactiviteiten kunnen leiden tot overlast bij de woning van [partij]. Volgens [appellant] verwijst het college ten onrechte naar een melding uit 2012 en zijn de huidige activiteiten dan ook onvoldoende meegewogen in het besluit van 8 september 2020. Volgens [appellant] heeft het college hierdoor niet aannemelijk gemaakt dat bij de woning van [partij], bij wijziging van de functie ervan van bedrijfswoning naar plattelandswoning, sprake zal zijn van een goed woon- en leefklimaat en daarmee ook niet dat er als gevolg van die wijziging geen belemmeringen voor zijn bedrijf kunnen ontstaan.

4.1.    In artikel 1.1a, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) wordt een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan door een derde bewoond mag worden, met betrekking tot die inrichting voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen beschouwd als onderdeel van die inrichting, tenzij bij of krachtens deze wet anders is bepaald.

Artikel 5.8.6 van de planregels van het bestemmingsplan "Geconsolideerde versie Buitengebied en herziening 2014"luidt:

"Burgemeester en wethouders kunnen ten behoeve van de aanwijzing van een plattelandswoning het bestemmingsplan wijzigen, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. er dient sprake te zijn van een goed woon- en leefmilieu. Deze dient in ieder geval niet minder te zijn dan die van reguliere burgerwoningen in het buitengebied. Van een goed woon- en leefklimaat is in ieder geval sprake indien:

1. de geurbelasting lager is dan 8 odeureenheden in geval van intensieve agrarische bedrijven;

2.de afstand tot de agrarische bedrijfsactiviteiten groter is dan 50 m in geval van overige agrarische bedrijven;

3. een maximale geluidsbelasting van 50 dB (A) (etmaalwaarde) van bedrijfslawaai;

b. het achterblijvende bedrijf dient een economisch levensvatbaar bedrijf te zijn, hetzij zelfstandig, hetzij als onderdeel van een ander agrarisch bedrijf;

c. er dient sprake te zijn van een zorgvuldige inpassing van zowel de plattelandswoning als van het bedrijfsperceel;

d. de aanwijzing mag niet leiden tot aanvraag van nieuwe 1e, 2e of 3e bedrijfswoning op enige termijn. De plattelandswoning behoudt zijn agrarische bestemming;

e. indien bedrijfsbeëindiging meer voor de hand ligt dan aanwijzing van een plattelandswoning, moet er gebruik gemaakt worden van de wijzigingsbevoegdheid in de bestemming Wonen."

Artikel 1.4 van het wijzigingsplan:

"plattelandswoning: een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorende tot een landbouwinrichting, die bewoond mag worden door derden, wiens huisvesting daar gelet op de bedrijfsvoering niet noodzakelijk moet worden geacht."

4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1159), volgt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet plattelandswoningen dat met de figuur van de plattelandswoning is beoogd om niet het feitelijk gebruik van een (voormalige) agrarische bedrijfswoning, maar de planologische status ervan bepalend te laten zijn voor de bescherming van de bewoners ervan tegen milieuhinder. Indien een (voormalige) agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als plattelandswoning maakt deze in planologisch opzicht nog steeds deel uit van de betreffende agrarische  inrichting en wordt deze niet beschermd tegen de milieuemissie ervan. De exploitatie van de inrichting wordt op deze manier niet belemmerd door het gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning als reguliere woning. Dat betekent echter niet zonder meer dat ter plaatse van de woning sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.3.    De Afdeling is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht of bij de planologische aanwijzing van de woning van [partij] als plattelandswoning, aldaar sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefmilieu. Bij de vaststelling van het plan heeft het college rekening gehouden met de door [appellant] in 2012 gedane melding, terwijl door [appellant] op 8 november 2018 een nieuwe melding is gedaan waarbij andere activiteiten zijn genoemd, zoals het opslaan van drijfmest en digestaat en het houden van landbouwhuisdieren bij een type B bedrijf (45 stuks jongvee en 8 volwassen paarden). Verder is van belang dat het bestemmingsplan ter plaatse ook nog in andere vormen van gebruik mogelijk maakt. Het college had daarom aan de hand van een representatieve invulling van wat ter plaatse planologisch maximaal is toegestaan, moeten onderzoeken of bij de woning van [partij] sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, in het bijzonder ook, maar niet uitsluitend vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit.

Het betoog slaagt.

Slot en conclusie

5.       Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze tussenuitspraak alsnog met inachtneming van wat is overwogen onder 4.3 te beoordelen en toereikend te motiveren of ter plaatse van de plattelandswoning, mede gelet op de gevolgen van de door [appellant] gemelde agrarische bedrijfsactiviteiten en de planologische mogelijkheden, sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen. Daarbij draagt de Afdeling het college ook op de Afdeling en de andere partijen de uitkomst daarvan mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

6.       In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeester en wethouders van Wijchen op:

- om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met

inachtneming van hetgeen hierin is overwogen het besluit van 8 september 2020 te herstellen;

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst hiervan mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2021

700