Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2554

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2021
Datum publicatie
17-11-2021
Zaaknummer
202001533/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 december 2019 heeft de raad van de gemeente Wierden het bestemmingsplan "Buitengebied 2009, herziening Achteresweg 4" vastgesteld en voorts besloten om geen exploitatieplan vast te stellen. Op het perceel aan de Achteresweg 4 te Enter bevindt zich een voormalig agrarisch erf. Volgens paragraaf 1.1 van de plantoelichting wordt in het kader van de rood voor rood-regeling in totaal 5.980 m² aan voormalige agrarische bebouwing op het perceel gesloopt. Ter compensatie van de sloop mogen zeven woningen met bijgebouw worden gebouwd. Het plan voorziet in zes woningen en volgens de plantoelichting zal één van de zeven compensatiewoningen op een nader te bepalen locatie worden gerealiseerd. De voormalige bedrijfswoning heeft een woonbestemming gekregen. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het bouwen van vijf woningen op het perceel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/518
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001533/1/R3.

Datum uitspraak: 17 november 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Enter, gemeente Wierden, en anderen,

appellanten,

en

1.       de raad van de gemeente Wierden,

2.       het college van burgemeester en wethouders van Wierden,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 10 december 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied 2009, herziening Achteresweg 4" vastgesteld en voorts besloten om geen exploitatieplan vast te stellen.

Bij besluit van 10 december 2019 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van vijf woningen en het plaatsen van een tijdelijk bouwbord op het perceel aan de Achteresweg 4 te Enter.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro).

Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 augustus 2021, waar zijn verschenen:

- [appellant] en anderen, van wie [appellant A], bijgestaan door ing. M.H. Middelkamp, rechtsbijstandverlener te Almelo;

- de raad en het college, vertegenwoordigd door drs. G.J. Sluiskes en ing. G.J. Grievink.

Ook zijn ter zitting Achter de Es B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [partij] als partij gehoord. Beide partijen zijn bijgestaan door mr. I.C. Dunhof-Lampe, advocaat te Enschede.

Overwegingen

Inleiding

1.       Op het perceel aan de Achteresweg 4 te Enter (hierna: het perceel) bevindt zich een voormalig agrarisch erf. Volgens paragraaf 1.1 van de plantoelichting wordt in het kader van de rood voor rood-regeling in totaal 5.980 m² aan voormalige agrarische bebouwing op het perceel gesloopt. Ter compensatie van de sloop mogen zeven woningen met bijgebouw worden gebouwd. Het plan voorziet in zes woningen en volgens de plantoelichting zal één van de zeven compensatiewoningen op een nader te bepalen locatie worden gerealiseerd. De voormalige bedrijfswoning heeft een woonbestemming gekregen. Het college heeft een omgevingsvergunning verleend voor onder meer het bouwen van vijf woningen op het perceel.

2.       [appellant] en anderen bestaan uit natuurlijke personen en rechtspersonen die wonen en gevestigd zijn aan de [locatie 1] en [locatie 2] te Enter, en daarnaast uit Stichting Behoud Enterse Landbouw. Zij kunnen zich niet verenigen met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning en hebben daarom beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid

3.       De raad, Achter de Es B.V. en [partij] stellen dat het beroep van [appellant] en anderen voor zover ingesteld door [appellant A], Elstate B.V., [appellant B] en Stichting Behoud Enterse Landbouw op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Zij hebben namelijk geen zienswijzen over het ontwerpplan en het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning naar voren gebracht.

Achter de Es B.V. en [partij] voeren verder aan dat Stichting Behoud Enterse Landbouw niet als belanghebbende bij de bestreden besluiten kan worden aangemerkt, omdat zij geen feitelijke werkzaamheden als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb verricht.

3.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb staat dat onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter.

Het ontwerpplan en het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning hebben voor een duur van zes weken ter inzage gelegen en gedurende deze termijn konden zienswijzen naar voren worden gebracht. In artikel 6:13 van de Awb is bepaald dat belanghebbenden aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat zij geen zienswijzen naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit, geen beroep kunnen instellen bij de bestuursrechter.

3.2.    Het beroep van [appellant] en anderen is ingesteld door [appellant], [appellant C], [appellant A], [appellant D], Elstate B.V., [appellant B] en Stichting Behoud Enterse Landbouw.

3.3.    [appellant A], Elstate B.V., [appellant B] en Stichting Behoud Enterse Landbouw hebben geen zienswijze naar voren gebracht over de ontwerpbesluiten. Niet gebleken is dat hen dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet op artikel 6:13 van de Awb moet het beroep van [appellant] en anderen, voor zover ingesteld door de genoemde (rechts)personen en stichting, niet-ontvankelijk worden verklaard. De Afdeling heeft echter haar jurisprudentie over de ontvankelijkheid van beroepen tegen omgevingsrechtelijke besluiten die zijn voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb gewijzigd. Aanleiding daarvoor was het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7. Aan belanghebbenden wordt in omgevingsrechtelijke zaken niet langer tegengeworpen dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit (uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786). Voor niet-belanghebbenden geldt dat ook zij beroep kunnen instellen tegen omgevingsrechtelijke besluiten, mits zij een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht of ingeval hen niet kan worden verweten dat zij dat hebben nagelaten (uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953). Dit betekent dus dat bij omgevingsrechtelijke besluiten die zijn voorbereid met afdeling 3.4 van de Awb, artikel 6:13 van de Awb alleen nog wordt tegengeworpen aan niet-belanghebbenden die (verwijtbaar) geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit. Voor het antwoord op de vraag of de beroepen van de hiervoor genoemde (rechts)personen en stichting ontvankelijk zijn, is dus beslissend of deze (rechts)personen en stichting belanghebbenden zijn. Daarom zal de Afdeling dit hierna beoordelen.

[appellant A], Elstate B.V. en [appellant B]

3.4.    Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit.

[appellant A], Elstate B.V. en [appellant B] zijn belanghebbenden bij de bestreden besluiten. Het is niet uitgesloten dat zij feitelijke gevolgen zullen ondervinden van de mogelijk gemaakte ruimtelijke ontwikkeling. [appellant A] woont en Elstate B.V. en [appellant B] zijn gevestigd op een afstand van ongeveer 30 m van het plangebied.

Stichting Behoud Enterse Landbouw

3.5.    Voor het antwoord op de vraag of een rechtspersoon die opkomt voor een algemeen belang belanghebbende is bij een besluit, zijn de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden van die rechtspersoon bepalend.

Het belang dat Stichting Behoud Enterse Landbouw volgens haar statuten behartigt, is het behouden en versterken van duurzame agrarische activiteiten in Enter en omstreken, en het verrichten van al wat hiermee verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.

Ter zitting is toegelicht dat zij feitelijke werkzaamheden verricht die tot doel hebben een grotere belangstelling te laten ontstaan onder agrariërs voor duurzame landbouw, zoals het geven van voorlichting en het deelnemen aan evenementen. Verder is Stichting Behoud Enterse Landbouw actief op het terrein van de bescherming van de voor de duurzame landbouw relevante insecten. Voor de stelling dat de stichting geen feitelijke werkzaamheden verricht om haar statutaire doel te verwezenlijken, ziet de Afdeling dan ook  geen grond.

Omdat het plan en de verleende omgevingsvergunning vanwege de daarmee mogelijk gemaakte nieuwe bebouwing en geurgevoelige functies in het buitengebied van Enter gevolgen kunnen hebben voor de agrarische activiteiten in Enter, zijn gelet op de genoemde doelstelling en feitelijke werkzaamheden de belangen van Stichting Behoud Enterse Landbouw rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken en is zij daarom belanghebbende bij deze besluiten.

Conclusie

3.6.    Gezien het voorgaande is het beroep van [appellant] en anderen, ook voor zover ingesteld door [appellant A], Elstate B.V., [appellant B] en Stichting Behoud Enterse Landbouw, ontvankelijk.

Procedureel

4.       [appellant] en anderen betogen dat de bestreden besluiten in strijd met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: het Verdrag van Aarhus) tot stand zijn gekomen. Zij voeren daartoe aan dat voorafgaand aan deze besluiten geen gelegenheid tot inspraak is geboden en dat er geen hoorzitting is gehouden. Daarnaast was de wijze van bekendmaking op uitsluitend digitale wijze in de Staatscourant in strijd met het Verdrag van Aarhus niet laagdrempelig genoeg, zo stellen [appellant] en anderen.

4.1.    De Afdeling begrijpt de beroepsgrond van [appellant] en anderen over inspraak zo, dat zij zich in het bijzonder beroepen op artikel 6, vierde lid, van het Verdrag van Aarhus. In dat artikel is bepaald dat elke partij voorziet in vroegtijdige inspraak, wanneer alle opties open zijn en doeltreffende inspraak kan plaatsvinden.

Nog daargelaten het antwoord op de vraag of de bestreden besluiten binnen de werkingssfeer van artikel 6 van het verdrag vallen, overweegt de Afdeling dat zij in eerdere uitspraken heeft geoordeeld dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat de nationale regelgeving zoals neergelegd in de Wet milieubeheer, de Wro en de Awb op basis waarvan een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over het ontwerpplan en de ontwerpomgevingsvergunning, geen correcte implementatie vormt van het Verdrag van Aarhus (uitspraak van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2821). De Afdeling heeft overwogen dat op het moment dat een ieder zienswijzen naar voren kan brengen over een ontwerpbesluit, nog geen beslissing over dat besluit is genomen. Inspraak over een ontwerpbesluit betreft vroegtijdige inspraak op een moment dat alle opties nog open zijn en nog een doeltreffende inspraak kan plaatsvinden, zo heeft de Afdeling geoordeeld.

De ontwerpbesluiten hebben met ingang van 4 juli 2019 gedurende zes weken ter inzage gelegen. De kennisgeving van de terinzagelegging heeft, anders dan [appellant] en anderen betogen en nog daargelaten de vraag of het Verdrag van Aarhus daartoe ook verplicht, niet uitsluitend op elektronische wijze in de Staatscourant plaatsgevonden, maar ook in een lokaal huis-aan-huisblad. In zoverre mist het betoog van [appellant] en anderen feitelijke grondslag. De ontwerpbesluiten en de daarop betrekking hebbende stukken konden in het gemeentehuis en op internet worden geraadpleegd. Een ieder heeft de mogelijkheid gekregen om, mondeling of schriftelijk, zienswijzen naar voren te brengen over de ontwerpbesluiten. Hiermee is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de kennisgeving van de terinzagelegging, zodat iedereen de mogelijkheid heeft gehad om door het indienen van een mondelinge of schriftelijke zienswijze een reactie op de ontwerpbesluiten te geven.

De conclusie is dat, daargelaten of de bestreden besluiten binnen het toepassingsbereik van artikel 6 van het verdrag vallen, de Afdeling het betoog van [appellant] en anderen dat geen goede inspraak heeft plaatsgevonden op een wijze die het verdrag voorschrijft, niet volgt.

4.2.    De betogen falen.

5.       [appellant] en anderen betogen ook dat in de kennisgeving van de ontwerpbesluiten een ander aantal woningen is vermeld dan waar het vastgestelde plan en de verleende omgevingsvergunning in voorzien. Gelet hierop hebben de genomen besluiten volgens hen niet in ontwerp ter inzage gelegen.

5.1.    Zoals hiervoor onder 1 is overwogen, voorziet het vastgestelde bestemmingsplan in de realisatie van zes nieuwe woningen en kent het plan daarnaast aan de voormalige bedrijfswoning in het plangebied een woonbestemming toe. De omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van vijf nieuwe woningen in het plangebied. Anders dan [appellant] en anderen betogen, zijn deze aantallen woningen vermeld in de kennisgeving van de ontwerpbesluiten. De Afdeling verwijst onder meer naar de kennisgeving in de Staatscourant van 3 juli 2019 (Str. 2019, 37079), waarin staat dat de huidige eigenaar van het perceel aan de Achteresweg 4 zes nieuwe woningen op zijn perceel wil bouwen en dat daarnaast de voormalige dienstwoning op het perceel blijft bestaan. Ook is in deze kennisgeving vermeld dat het ontwerp voor de omgevingsvergunning voorziet in de bouw van vijf nieuwe woningen op het perceel. Het betoog van [appellant] en anderen dat in de kennisgeving van de ontwerpbesluiten een onjuist aantal woningen zou zijn vermeld, mist dan ook feitelijke grondslag.

Het betoog faalt.

Bestemmingsplan

Toetsingskader

6.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Gemeentelijk beleid

7.       [appellant] en anderen betogen dat het plan niet in overeenstemming is met de rood voor rood-regeling die in mei 2011 door de raad is vastgesteld. Volgens hen wordt er te weinig agrarische bebouwing gesloopt voor de realisatie van zes nieuwe woningen op het perceel. Zij betogen ter onderbouwing dat in de rood voor rood-regeling uit 2011 voor de bebouwing die in aanmerking komt voor de toepassing van deze regeling de peildatum van 1 januari 2004 wordt gehanteerd. Omdat een gedeelte van de agrarische bebouwing in het plangebied is opgericht na de peildatum van 1 januari 2004, had deze bebouwing niet mogen worden meegerekend bij de toepassing van de rood voor rood-regeling, aldus [appellant] en anderen.

7.1.    De Afdeling stelt voorop dat [appellant] en anderen in hun betoog verwijzen naar de rood voor rood-regeling uit 2011, maar dat deze regeling niet het geldende beleid vormde ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. Sinds 2017 geldt de rood voor rood-regeling die is neergelegd in het beleidsstuk "Ruimte voor maatwerk" dat de raad op 6 juni 2017 heeft vastgesteld. In paragraaf 2.2 van het beleidsstuk "Ruimte voor maatwerk" is expliciet vermeld dat het voormalige rood voor rood-beleid alleen van toepassing was op bebouwing die was opgericht vóór de peildatum van 1 januari 2004, maar dat deze peildatum is vervallen. Dit betekent dat op grond van het geldende beleid ook de agrarische bebouwing die is opgericht na 1 januari 2004 bij de toepassing van de rood voor rood-regeling mag worden meegerekend. De Afdeling ziet om die reden geen aanleiding om in te gaan op de betogen van [appellant] en anderen die betrekking hebben op de vraag of alle voormalige agrarische bedrijfsgebouwen in het plangebied zijn opgericht voor 1 januari 2004.

7.2.    In de rood voor rood-regeling die is neergelegd in het beleidsstuk "Ruimte voor maatwerk" staat dat bij de bouw van een compensatiewoning op een slooplocatie geldt dat er minimaal 850 m² aan voormalige agrarische bebouwing moet worden gesloopt. Volgens paragrafen 1.1, 3.1 en 4.3.2 van de plantoelichting wordt in totaal 5.980 m² aan voormalige agrarische bebouwing in het plangebied gesloopt en mogen gelet hierop (5.980 m² / 850 m² =) 7,04 woningen worden teruggebouwd. [appellant] en anderen hebben zich op de zitting gericht tegen de juistheid van deze berekende oppervlakte. Volgens hen is het aantal vierkante meters van de te slopen agrarische bebouwing niet inzichtelijk gemaakt en onjuist berekend.

De Afdeling wijst er op dit punt op dat in paragraaf 3.1 van de plantoelichting het aantal te slopen m2 in het plangebied aan de hand van een luchtfoto met daarop de oppervlaktes van de te slopen gebouwen inzichtelijk is gemaakt. Pas op de zitting hebben [appellant] en anderen gesteld dat deze oppervlaktes onjuist zouden zijn berekend. De Afdeling beschikt in het dossier echter niet over stukken van [appellant] en anderen waarin dit nader is onderbouwd. De Afdeling ziet daarom op basis van de door [appellant] en anderen naar voren gebrachte gegevens geen aanleiding om aan de juistheid van de in de plantoelichting vermelde oppervlaktes van de te slopen bebouwing te twijfelen.

7.3.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet in overeenstemming is met de rood voor rood-regeling, zoals die is neergelegd in het beleidsstuk "Ruimte voor maatwerk".

Het betoog faalt.

Belemmeringen nabijgelegen agrarisch bedrijf van [appellant] en anderen

8.       [appellant] en anderen betogen dat met de toevoeging van zes woningen geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Door de toevoeging van deze woningen kunnen zij met hun melkveehouderij op het gebied van geluid en geur niet langer aan de toepasselijke normen voldoen, waardoor er geen goede ontwikkelingsmogelijkheden voor hun agrarische bedrijfsvoering worden geboden als bedoeld in de Structuurvisie Wierden. De voorziene woningen hadden daarom volgens hen op een afstand van minimaal 100 m van hun bedrijfslocatie moeten worden geprojecteerd. Wat betreft het aspect geluid, wijzen [appellant] en anderen erop dat het vrachtverkeer van en naar hun bedrijf zal leiden tot overlast ter plaatse van de dichtstbijzijnde nieuwe woning die volgens hen op een afstand van 12 m tot de openbare weg zal komen te liggen. In het bijzonder wijzen zij op de avond- en nachttransporten.

8.1.    In paragraaf 5.2.2.3 van de plantoelichting is beschreven dat de gronden van het plangebied zijn gelegen buiten de bebouwde kom, waardoor op grond van de Wet geurhinder en veehouderij een vaste afstand van 50 m tussen veehouderijen en de voorziene woningen wordt aangehouden. Dit is als zodanig door [appellant] en anderen niet bestreden.

Aan de gronden die binnen 50 m van het agrarische bedrijf van [appellant] en anderen zijn gelegen, is op de verbeelding de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" toegekend. Uit artikel 3.1 van de planregels blijkt dat de gronden met deze bestemming zijn bestemd voor onder meer de uitoefening van het agrarische bedrijf. In artikel 3.2 van de planregels staat dat de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap" uitsluitend mogen worden bebouwd met bouwwerken, geen gebouw zijnde, ten dienste van de bestemming. Hiermee is naar het oordeel van de Afdeling geborgd dat geen woningen kunnen worden opgericht binnen een straal van 50 m van het agrarische bedrijf van [appellant] en anderen. In de niet nader onderbouwde stelling van [appellant] en anderen dat een afstand van minimaal 100 m tussen hun agrarische bedrijf en de voorziene woningen had moeten worden aangehouden, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om de vaste afstand van 50 m niet aan te houden.

8.2.    Ten aanzien van het betoog dat het vrachtverkeer van en naar het agrarische bedrijf van [appellant] en anderen zal leiden tot geluidsoverlast, overweegt de Afdeling het volgende. Uit het rapport "Akoestisch onderzoek plan 6 woningen Achteresweg te Enter" van 28 april 2018 volgt dat de geluidbelasting op de voorziene woningen maximaal 42 dB(A) bedraagt. Dit betekent dat de uit artikel 82 van de Wet geluidhinder voortvloeiende voorkeursgrenswaarde van 48 dB(A) niet wordt overschreden. Daarmee is volgens de raad voor deze woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat. [appellant] en anderen hebben geen concrete argumenten aangevoerd waaruit kan worden geconcludeerd dat de raad zich niet op dit rapport heeft kunnen baseren.

8.3.    Voor zover [appellant] en anderen nog stellen dat zij op het gebied van geluid en geur niet langer aan de toepasselijke normen kunnen voldoen, stelt de Afdeling vast dat [appellant] en anderen deze stelling niet nader hebben geadstrueerd. [appellant] en anderen stellen weliswaar dat hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast nu zij hun bedrijfsvoering zouden willen wijzigen, maar de Afdeling stelt vast dat geen sprake was van een concreet initiatief waarmee de raad ten tijde van de vaststelling van het plan rekening behoefde te houden.

8.4.    De conclusie is dat de Afdeling het betoog van [appellant] en anderen dat met de toevoeging van zes woningen geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening gelet op hun nabijgelegen agrarisch bedrijf niet volgt.

De betogen falen.

Inpassing van de nieuwe bebouwing in de omgeving

9.       [appellant] en anderen betogen dat in artikel 6.5.3 van de planregels, welk artikel betrekking heeft op de inpassing van de nieuwe bebouwing in de omgeving, ten onrechte uitsluitend is verwezen naar het bij de planregels gevoegde Ruimtelijk kwaliteitsplan en niet ook naar het bij de plantoelichting gevoegde Beeldkwaliteitsplan. Zij vrezen dat gelet hierop geen uitvoering wordt gegeven aan het Beeldkwaliteitsplan.

9.1.    Het Ruimtelijk kwaliteitsplan bevat een kaart met de wijze waarop de nieuwe bebouwing door middel van verschillende groenelementen in het landschap wordt ingepast. De realisatie van deze landschapsmaatregelen is geborgd in artikel 6.5.3 van de planregels, op welk artikel in de hiernavolgende overweging nog nader wordt ingegaan. Het Beeldkwaliteitsplan dat bij de plantoelichting is gevoegd ziet op de vormgeving en materialisatie van de nieuwe bebouwing, zoals het gebruikte materiaal en de kleur en de wijze van uitvoering van de daken en gevels. Het Beeldkwaliteitsplan heeft de raad in zijn besluit van 10 december 2019 vastgesteld. In de kennisgeving over de vaststelling van dit Beeldkwaliteitsplan staat dat het fungeert als beoordelingskader voor de gewenste beeldkwaliteit van het plan "Achteresweg 4", het toetsingskader is voor de welstandsbeoordeling van de nieuwbouwplannen voor de woningen en de gebiedsvoorschriften van de huidige welstandsnota heeft vervangen. In de Welstandsnota 2014 van de gemeente Wierden wordt ook naar de beeldkwaliteitsplannen verwezen die voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals in dit geval, kunnen worden vastgesteld en fungeren als toetsingskader voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen.

Omdat aan het bij de plantoelichting gevoegde Beeldkwaliteitsplan over de vormgeving en materialisatie van de nieuwe bebouwing wordt getoetst in het kader van de welstandscriteria bij de verlening van de omgevingsvergunning voor bouwen, ziet de Afdeling op basis van wat is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat in de planregels ook een verwijzing naar dit Beeldkwaliteitsplan had moeten worden opgenomen.

Het betoog faalt.

10.     Daarnaast betogen [appellant] en anderen dat artikel 6.5.3 van de planregels onduidelijk en daarmee niet handhaafbaar is. Zij wijzen er onder meer op dat in artikel 6.5.3, onder a, van de planregels geen datum is opgenomen, zodat onduidelijk is wanneer de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd. Ook vragen zij zich af hoe de passages "minimaal gelijk", "gelijk beschermingsniveau" en "andere landschapsmaatregelen" in sub b van deze bepaling dienen te worden opgevat. Verder hebben zij gewezen op de volgens hen rechtsonzekere passage "afgeronde sloop" in sub c van artikel 6.5.3 van de planregels.

10.1.  Artikel 6.5.3 van de planregels luidt als volgt:

"a. tot een met de bestemming strijdig gebruik in elk geval wordt gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe bouwwerken overeenkomstig de in 'Wonen' en 'Groen' opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen conform het in Bijlage 2 opgenomen Ruimtelijk kwaliteitsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing;

b. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder a indien in plaats van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het Ruimtelijk kwaliteitsplan andere landschapsmaatregelen worden getroffen, met dien verstande dat:

- de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het Ruimtelijk kwaliteitsplan opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald;

- er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden.

c. tot een met de bestemming strijdig gebruik in elk geval wordt gerekend de bouw/het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe bouwwerken overeenkomstig de in 'Wonen' en 'Groen' opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de afgeronde sloop van de gebouwen conform de in Bijlage 3 opgenomen Sloopopgave, waarbij binnen 12 maanden na onherroepelijk worden van dit plan de gebouwen conform in de Bijlage 3 opgenomen Sloopopgave zijn gesloopt."

10.2.  In sub a van artikel 6.5.3 van de planregels is geregeld dat tot een met de woonbestemming strijdig gebruik wordt gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van nieuwe bouwwerken overeenkomstig de bij de bestemmingen "Wonen" en "Groen" opgenomen bestemmingsomschrijvingen, zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen als bedoeld in het Ruimtelijk kwaliteitsplan. Hoewel in sub a van artikel 6.5.3 van de planregels geen datum is opgenomen, overweegt de Afdeling dat uit deze bepaling volgt dat de landschappelijke inpassing moet zijn gerealiseerd vóór het in gebruik nemen van de nieuwe woningen. Ook wanneer, zoals [appellant] en anderen stellen, niet alle woningen maar slechts één of enkele woningen in het plangebied worden gerealiseerd, geldt de verplichting dat de landschapsmaatregelen voor de ingebruikname van deze nieuwe woning(en) dienen te zijn gerealiseerd.

Verder is in sub b van artikel 6.5.3 van de planregels bepaald dat bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a indien in plaats van de landschapsmaatregelen uit het Ruimtelijk kwaliteitsplan andere landschapsmaatregelen worden getroffen. Die andere landschapsmaatregelen dienen onder meer minimaal gelijk te zijn aan de landschapsmaatregelen in het Ruimtelijk kwaliteitsplan. Die andere landschapsmaatregelen dienen ook te voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor in het Ruimtelijk kwaliteitsplan de landschapsmaatregelen zijn getroffen. De Afdeling volgt [appellant] en anderen niet in hun betoog dat de in dit artikellid opgenomen passages "minimaal gelijk", "gelijk beschermingsniveau" en "andere landschapsmaatregelen" onduidelijk en daarmee rechtsonzeker zijn. Uit artikel 6.5.3, sub b, van de planregels kan worden afgeleid dat het gaat om een minimaal gelijk beschermingsniveau van de te beschermen landschappelijke waarden. Daarbij wijst de Afdeling erop dat indien zich de situatie voordoet dat wordt gekozen voor de realisatie van andere landschapsmaatregelen dan die zijn opgenomen in het Ruimtelijk kwaliteitsplan, artikel 6.5.3, sub b, van de planregels vereist dat een omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan wordt verleend. In het kader van de verlening van deze vergunning en de daartegen openstaande rechtsbeschermingsmogelijkheden kan worden getoetst of de andere landschapsmaatregelen voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau.

Tot slot volgt de Afdeling [appellant] en anderen niet in hun betoog dat onduidelijk is wat moet worden verstaan onder "afgeronde sloop" in artikel 6.5.3, sub c, van de planregels. Dit betreft, zoals de raad ook ter zitting heeft toegelicht, de volledige sloop van de gebouwen opgenomen in de in als bijlage 3 bij de planregels gevoegde sloopopgave.

De betogen falen.

11.     [appellant] en anderen voeren verder in algemene zin aan dat door het plan de horizon en het landschap te veel worden aangetast, zodat van een goede landschappelijke inpassing geen sprake is. Er ontbreken volgens hen planregels om tot een goede landschappelijke inpassing te komen.

11.1.  De Afdeling overweegt dat - zoals hiervoor is gebleken onder 7.2 - 5.980 m² aan voormalige agrarische bebouwing zal worden gesloopt. Hiervoor zullen in totaal 6 woningen worden teruggebouwd die op grond van artikel 6.2.2, aanhef en onder b, elk een inhoud mogen hebben van maximaal 750 m³. Dit betekent dat de totale bebouwing op het perceel zal afnemen. De nieuwe woningen dienen gelet op de hiervoor onder 10.1 weergegeven planregels in het landschap te worden ingepast. Het betoog dat door het plan de horizon en het landschap te veel worden aangetast en dat van een goede landschappelijke inpassing geen sprake is, volgt de Afdeling daarom niet.

Het betoog faalt.

12.     Volgens [appellant] en anderen lijkt artikel 9.1.1 van de planregels verder in strijd te zijn met de eis om tot een goede landschappelijke inpassing te komen.

12.1.  Artikel 9.1.1 van de planregels waarborgt uitsluitend dat voldoende parkeervoorzieningen worden gerealiseerd en heeft als zodanig geen betrekking op de landschappelijke inpassing daarvan.

Het betoog faalt.

Parkeren

13.     [appellant] en anderen voeren aan dat de gronden met de bestemmingen "Verkeer - 4", "Wonen", "Groen" en "Agrarisch met waarden - Landschap" ten onrechte als parkeergelegenheid mogen worden ingericht.

13.1.  De parkeervoorzieningen zijn - anders dan [appellant] en anderen betogen - op grond van artikel 3.1 van de planregels niet toegestaan op de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden - Landschap". De parkeervoorzieningen zijn op grond van de artikelen 4.1, aanhef en onder e, 5.1, aanhef en onder a, en 6.1 van de planregels wel toegestaan op de gronden met de bestemmingen "Verkeer - 4", "Wonen" en "Groen". De Afdeling ziet evenwel geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit niet aanvaardbaar heeft kunnen achten. Daarbij acht de Afdeling van belang dat op grond van artikel 6.5.3, sub a, van de planregels en het daarbij behorende Ruimtelijk kwaliteitsplan hagen rondom de percelen van de voorziene woningen dienen te worden gerealiseerd, waardoor eventueel buiten het volume van de bebouwing geparkeerde auto’s aan het zicht zullen worden onttrokken.

Het betoog faalt.

Natura 2000-gebieden

14.     [appellant] en anderen betogen dat het plan leidt tot significante negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, nu de kritische depositiewaarde van stikstofgevoelige natuur wordt overgeschreven. Een passende beoordeling als bedoeld in de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) had daarom niet mogen ontbreken. Daarnaast hadden maatregelen moeten worden getroffen, omdat de huidige beheermaatregelen niet voldoende zijn om de negatieve gevolgen van het plan weg te nemen.

14.1.  Uit artikel 2.8 van de Wnb, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als het plan significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die ten opzichte van de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie ten tijde van de vaststelling van het plan leidt tot een toename van stikstofdepositie op overbelaste stikstofgevoelige natuurwaarden in een Natura 2000-gebied, is een plan dat significante gevolgen kan hebben en dat passend beoordeeld moet worden.

14.2.  In paragraaf 5.2.7.1.1 van de plantoelichting staat dat het plangebied op een afstand van 2,7 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen. De raad heeft een stikstofberekening laten uitvoeren om inzichtelijk te krijgen of de aanleg- en gebruiksfase passen binnen de geldende wet- en regelgeving over stikstofdepositie. Dit onderzoek heeft geleid tot het door BJZ.nu opgestelde rapport "AERIUS Berekening. Achteresweg 4, Enter" van oktober 2019. De stikstofberekening is met behulp van het rekeninstrument AERIUS Calculator 2019 uitgevoerd. De uitkomst daarvan is dat in de aanleg- en gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr. Op grond hiervan heeft de raad gesteld dat de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt geen significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied.

[appellant] en anderen hebben geen argumenten aangevoerd waaruit kan worden geconcludeerd dat de berekening zodanige gebreken bevat dat de raad zich daarop niet heeft kunnen baseren. Voor zover [appellant] en anderen hebben gesteld dat niet alle mogelijke werkzaamheden ter uitvoering van de mogelijk gemaakte ontwikkeling en gebruiksmogelijkheden van het bestemmingsplan in de berekening zijn betrokken, zoals heiwerkzaamheden en het gebruik van openhaarden en houtkachels in de nieuwe woningen, hebben zij dit pas voor het eerst ter zitting gesteld. Niet valt in te zien dat dit niet eerder had gekund. De Afdeling ziet gelet op de technische aard van deze stelling en de belemmering voor andere partijen om hier nog goed op te kunnen reageren, aanleiding om deze stelling wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

Gelet op het voorgaande mocht de raad zich op het standpunt stellen dat de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt geen significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied. De raad mocht dan ook afzien van het maken van een passende beoordeling.

14.3.  Voor zover [appellant] en anderen betogen dat maatregelen moeten worden getroffen nu de huidige beheermaatregelen niet voldoende zijn om de negatieve gevolgen van het plan weg te nemen, kan dit betoog niet slagen, omdat gelet op de uitkomst van de stikstofberekening de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt niet leidt tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, zodat geen (mitigerende) maatregelen nodig zijn.

14.4.  De betogen falen.

14.5.  Ten aanzien van deze beroepsgronden heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 8:69a van de Awb aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg zou hebben gestaan.

Waterhuishouding en energietransitie

15.     [appellant] en anderen voeren aan dat een deugdelijke watertoets ontbreekt en dat de aanleg van de waterberging niet in het plan is geborgd. Volgens hen is ook een sloot op het perceel illegaal gedempt. Daarnaast betogen zij dat in dit bestemmingsplan de energietransitie onvoldoende tot uitdrukking komt.

15.1.  In paragraaf 5.2.9.2 van de plantoelichting zijn de resultaten van de ten behoeve van het plan verrichte watertoets beschreven. Vermeld is dat het plan in 2018 is voorgelegd aan het waterschap Vechtstromen. Uit het in mei 2018 door het waterschap uitgebrachte advies blijkt dat regenwater, mede vanwege de afname aan verharding als gevolg van de sloop van de voormalige agrarische bebouwing in het plangebied, in de bodem kan infiltreren en dat schoon regenwater van de daken kan worden opgevangen in het oppervlaktewater. Daarnaast is voor de noodzakelijke waterhuishoudkundige aanpassingen in het plangebied, betreffende het vergraven van een waterloop en het aanleggen van duikers, uitwateringsbuizen en een loopbrug, door het waterschap op 8 april 2019 al voor de planvaststelling een watervergunning verleend. Gelet hierop en op de omstandigheid dat [appellant] en anderen op geen enkele wijze hebben onderbouwd waarom de watertoets niet deugdelijk zou zijn, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan op gebied van de waterhuishouding in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid zou zijn vastgesteld.

15.2.  [appellant] en anderen betogen verder weliswaar dat een sloot op het perceel illegaal is gedempt, maar de Afdeling overweegt dat dit een kwestie van handhaving betreft die in deze procedure niet aan de orde is.

15.3.  Voor zover [appellant] en anderen nog hebben betoogd dat de energietransitie onvoldoende tot uitdrukking komt in het bestemmingsplan, stelt de Afdeling vast dat [appellant] en anderen deze stelling niet nader hebben geadstrueerd.

15.4.  Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de besluitvorming van de raad wat betreft de aspecten waterhuishouding en energietransitie gebrekkig zou zijn.

De betogen falen.

Niet vaststellen exploitatieplan

16.     [appellant] en anderen betogen dat ten onrechte geen exploitatieplan is vastgesteld.

16.1.  De Afdeling overweegt dat het beroep van [appellant] en anderen is gericht tegen het niet vaststellen van het financiële deel van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6:13, eerste lid, en artikel 6:18 van de Wro. Indien de raad in dit geval een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zouden [appellant] en anderen niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij dit onderdeel van het exploitatieplan. Daartoe is van belang dat [appellant] en anderen geen eigenaar zijn van gronden in het exploitatiegebied en evenmin een grondexploitatieovereenkomst als bedoeld in artikel 8.2, vierde lid, van de Wro hebben gesloten met betrekking tot gronden in het exploitatiegebied. Gelet hierop en nu ook anderszins niet is gebleken van belangen van [appellant] en anderen die rechtstreeks betrokken zouden zijn bij de vaststelling van dit onderdeel van een exploitatieplan, kunnen zij evenmin worden aangemerkt als belanghebbenden bij het niet vaststellen van dit onderdeel van een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, en artikel 6.18 van de Wro. Het beroep is daarom in zoverre niet-ontvankelijk.

Omgevingsvergunning

17.     [appellant] en anderen betogen dat de aanvraag voor de omgevingsvergunning ten onrechte onvoldoende informatie bevatte. Toegelicht is dat zij hiermee bedoelen dat zij deze aanvraag niet hebben kunnen inzien.          

17.1.  De Afdeling stelt vast dat in de kennisgeving van de terinzagelegging van de ontwerpbesluiten is vermeld dat de ontwerp-omgevingsvergunning met bijbehorende stukken vanaf 4 juli 2019 ter inzage heeft gelegen in het gemeentehuis van de gemeente Wierden. [appellant] en anderen hebben dit niet betwist. Wel hebben zij gesteld dat de omgevingsvergunning niet op ruimtelijkeplannen.nl ter inzage was gelegd. De Afdeling stelt vast dat de kennisgeving vermeldt dat alleen het ontwerpbestemmingsplan en het -beeldkwaliteitsplan op ruimtelijkeplannen.nl raadpleegbaar waren. Het college heeft ter zitting nog medegedeeld dat [appellant] en anderen de aanvraag voor de omgevingsvergunning ook hadden kunnen inzien via de website van de gemeente Wierden.

Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat alle ontwerpbesluiten niet alleen fysiek maar ook digitaal ter inzage lagen.

Het betoog faalt.

Conclusie

18.     Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

19.     De raad en het college hoeven geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep van [appellant] en anderen, voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Wierden van 10 december 2019 tot het niet vaststellen van een exploitatieplan, niet-ontvankelijk;

II.       verklaart het beroep van [appellant] en anderen, voor zover gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Wierden van 10 december 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009, herziening Achteresweg 4", ongegrond;

III.      verklaart het beroep van [appellant] en anderen, voor zover gericht tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Wierden van 10 december 2019 tot verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van vijf woningen en het plaatsen van een tijdelijk bouwbord, ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J.TH. Drop en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.

w.g. Van Diepenbeek

voorzitter      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2021

810-926