Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2486

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2021
Datum publicatie
10-11-2021
Zaaknummer
202003113/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 maart 2020 heeft de raad van de gemeente Oldebroek het bestemmingsplan "Buitengebied, Heidehoek" vastgesteld. Het plan biedt het juridisch-planologisch kader om op het zuidwestelijke deel van het voormalige recreatiepark Heidehoek 38 logiesverblijven voor maximaal 150 personen en centrale voorzieningen ten behoeve van de logiesverblijven te realiseren. De raad beoogt hiermee te voorzien in tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten. De gronden zijn eigendom van Heidehoek B.V. De logiesverblijven zullen worden geëxploiteerd door HAM Nederland B.V. Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2007" had het recreatiepark de bestemming "Recreatie - 5". Op dit moment staan er 48 recreatiechalets in het plangebied. Het is de bedoeling dat elf daarvan worden verwijderd en de overige chalets worden gebruikt als logiesverblijf. [appellanten] wonen en exploiteren een bed & breakfast (hierna: B&B) aan de [locatie] te Wezep, ongeveer 200 m ten noorden van het plangebied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003113/1/R4.
Datum uitspraak: 10 november 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen: [appellanten], wonend te Wezep, gemeente Oldebroek,

en

de raad van de gemeente Oldebroek,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, Heidehoek" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2021, waar [appellanten], bijgestaan door mr. J.J. van Heijningen, advocaat te Zwolle, en de raad, vertegenwoordigd door I.L.E. Verhoeff, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Heidehoek B.V. en [bedrijf], beide vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. Het plan biedt het juridisch-planologisch kader om op het zuidwestelijke deel van het voormalige recreatiepark Heidehoek 38 logiesverblijven voor maximaal 150 personen en centrale voorzieningen ten behoeve van de logiesverblijven te realiseren. De raad beoogt hiermee te voorzien in tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten. De gronden zijn eigendom van Heidehoek B.V. De logiesverblijven zullen worden geëxploiteerd door HAM Nederland B.V. Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2007" had het recreatiepark de bestemming "Recreatie - 5". Op dit moment staan er 48 recreatiechalets in het plangebied. Het is de bedoeling dat elf daarvan worden verwijderd en de overige chalets worden gebruikt als logiesverblijf.

Voor het noordoostelijke deel van het voormalige recreatiepark heeft de raad bij besluit van 5 maart 2020 het bestemmingsplan "Zonnepark Heidehoeksweg" vastgesteld op grond waarvan een zonnepark van ongeveer 2,5 ha kan worden gerealiseerd.

[appellanten] wonen en exploiteren een bed & breakfast (hierna: B&B) aan de [locatie] te Wezep, ongeveer 200 m ten noorden van het plangebied. Hun perceel heeft op grond van het daar nog steeds geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2007" de bestemming "Recreatie - 5".

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Begrenzing bestemmingsplan

3. [ appellanten] betogen dat hun perceel ten onrechte niet in het bestemmingsplan is opgenomen. Zij voeren daartoe aan dat hun perceel en het voormalige recreatiepark op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2007" als geheel de bestemming "Recreatie - 5" hadden. Het was de bedoeling dat er een totaalplan voor het gehele gebied zou worden vastgesteld, maar in plaats daarvan zijn er afzonderlijke bestemmingsplannen vastgesteld voor de huisvesting van arbeidsmigranten en voor het zonnepark, en zijn de gronden van [appellanten] daarbuiten gelaten. Voor hun perceel geldt daarom nog steeds de bestemming "Recreatie - 5" op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 2007", terwijl die bestemming volgens [appellanten] niet meer wenselijk is. Verblijfsrecreatie op hun perceel is nu namelijk niet toegestaan, terwijl zij hun B&B willen uitbreiden met twee appartementen.

3.1. De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Gelet op wat [appellanten] hebben aangevoerd is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat er nog geen overeenstemming is bereikt over de planologische invulling van het perceel van [appellanten]. Het huidige bestemmingsplan is vastgesteld op initiatief van Heidehoek B.V. en dat initiatief omvatte niet het perceel van [appellanten]. De Afdeling acht verder van belang dat de huisvesting van arbeidsmigranten een wezenlijk andere activiteit is dan de verblijfsrecreatiebestemming die [appellanten] wensen voor hun perceel. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat er desalniettemin zodanige ruimtelijke samenhang bestaat tussen de gronden van het plangebied en hun perceel dat de raad hun perceel niet buiten het plan heeft kunnen laten.

Het betoog slaagt niet.

Verkeer

4. [ appellanten] betogen dat de raad de verkeersbewegingen als gevolg van het plan heeft onderschat. Zij voeren daartoe aan dat de raad voor het woon-werkverkeer niet had mogen uitgegaan van 2,5 personen per auto omdat arbeidsmigranten veel zouden carpoolen. Carpoolen kan namelijk niet worden afgedwongen. [appellanten] wijzen er verder op dat er volgens de planregels 2 parkeerplaatsen per logiesverblijf moeten zijn. De raad had volgens hen daarom ervan moeten uitgaan dat niet meer dan 2 personen van één auto gebruik zullen maken.

De overige verkeersbewegingen (niet-woon-werkverkeer) zijn volgens [appellanten] eveneens onderschat. De raad gaat uit van 2,3 verkeersbewegingen per logiesverblijf per dag, maar volgens hen moet ervan worden uitgegaan dat elke arbeidsmigrant minstens één keer per dag, naast het werk, ergens met de auto naartoe gaat. Verder is het verkeer ten behoeve van de bedrijfswoning, de centrale voorzieningen en het (bus)vervoer van en naar de landen van herkomst niet meegenomen, aldus [appellanten].

Ter zitting hebben [appellanten] het betoog dat de raad geen rekening heeft gehouden met de verkeersaantrekkende werking van de resterende gronden met recreatiebestemming, ingetrokken.

4.1. In de plantoelichting staat dat arbeidsmigranten veel carpoolen, zodat voor het woon-werkverkeer is uitgegaan van 2,5 personen per auto (in totaal 120 verkeersbewegingen per etmaal). Voor overige verkeersbewegingen zoals voor het doen van boodschappen zijn geen kengetallen beschikbaar en is de raad uitgegaan van de kengetallen voor recreatiebungalows, namelijk 2,3 verkeersbewegingen per logiesverblijf (in totaal 87 per etmaal). Omdat de arbeidsmigranten een groot deel van de dag aan het werk zijn, is aannemelijk dat het daadwerkelijke aantal verkeersbewegingen lager is. In totaal komt dit neer op 207 verkeersbewegingen van en naar het plangebied per etmaal. De omliggende infrastructuur heeft voldoende capaciteit hiervoor, aldus de raad.

In vergelijking met de situatie op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan - waarbij het gehele voormalige recreatiepark samen met de gronden van [appellanten] een recreatiebestemming had - is theoretisch gezien sprake van een toename van 445 naar 560 verkeersbewegingen per etmaal. Feitelijk is echter sprake van een afname van 445 naar 207 verkeersbewegingen per etmaal. Op het noordoostelijke deel van het voormalige recreatiepark komt namelijk een zonnepark, wat nauwelijks verkeer aantrekt. Het verkeer voor de recreatieve functies vervalt dus vrijwel geheel door het zonnepark en de logiesverblijven.

In het verweerschrift heeft de raad hieraan toegevoegd dat bij de recreatiebestemming al sprake was van verkeersbewegingen voor bevoorrading. Daarnaast zal verkeer van en naar het land van herkomst volgens de raad beperkt zijn aangezien de arbeidsmigranten voor langere tijd worden gehuisvest. De verblijfsduur van recreanten is over het algemeen korter en brengt daarom juist meer verkeersbewegingen met zich dan huisvesting van arbeidsmigranten, aldus de raad.

4.2. In wat [appellanten] aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het woon-werkverkeer is onderschat. Het is aannemelijk dat de arbeidsmigranten veelal bij een beperkt aantal bedrijven in de omgeving werken en dat een aanzienlijk deel van hen daarom zal carpoolen of met busjes wordt vervoerd naar hun werk. Dat carpoolen niet kan worden afgedwongen doet hieraan niet af. Overigens heeft de raad in dat verband ter zitting toegelicht dat 60% van de arbeidsmigranten in het plangebied bij één nabijgelegen bedrijf werkt. Een groot deel daarvan gaat bovendien te voet, aldus de raad. Dat uit artikel 3.4.1, onder b, van de planregels volgt dat er minstens 2 parkeerplaatsen per logiesverblijf beschikbaar moeten zijn, brengt evenmin met zich dat het door de raad gehanteerde uitgangspunt van 2,5 personen per auto onjuist is. De arbeidsmigranten kunnen immers een eigen auto hebben, maar toch met een ander meerijden naar werk.

Wat betreft de verkeersbewegingen voor de (bevoorrading van de) centrale voorzieningen en het (bus)vervoer van en naar de landen van herkomst van de arbeidsmigranten, heeft de raad toereikend gemotiveerd dat het plan niet leidt tot een relevante toename ten opzichte van de situatie ten tijde van het vorige bestemmingsplan. Wel kunnen naar het oordeel van de Afdeling kanttekeningen worden geplaatst bij het standpunt van de raad dat de logiesverblijven wat betreft de overige verkeersbewegingen vergelijkbaar zijn met de verkeersbewegingen bij een recreatiebungalow. Dat betekent echter niet dat het aantal verkeersbewegingen waarvan de raad uitgaat (2,3 per logiesverblijf) is onderschat. Daarbij komt dat de raad uiteen heeft gezet dat feitelijk sprake is van een forse afname van het aantal verkeersbewegingen ten opzichte van het vorige bestemmingsplan, namelijk van 445 naar 207 verkeersbewegingen per etmaal. Zelfs als de overige verkeersbewegingen enigszins zouden zijn onderschat, is dus niet aannemelijk dat dit tot een onaanvaardbare toename van het aantal verkeersbewegingen zal leiden.

Het betoog slaagt niet.

Stikstof

5. [ appellanten] betogen dat als gevolg van het plan een toename van de stikstofdepositie valt te verwachten op het nabijgelegen Natura 2000-gebied De Veluwe. Het rapport "Onderzoek stikstofdepositie Camping Heidehoek te Wezep" van 4 februari 2020 dat aan het plan ten grondslag is gelegd bevat volgens [appellanten] te gunstige uitgangspunten omdat de stikstofuitstoot als gevolg van het gasverbruik van de logiesverblijven en de centrale voorzieningen is onderschat. Verder is de raad uitgegaan van een te laag aantal verkeersbewegingen, en dus van een lagere stikstofuitstoot, aldus [appellanten].

5.1. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

5.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.

5.3. Het betoog strekt tot een beroep op de normen uit de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb). De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden.

Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan het Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen (zie de overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51-10.52). Ook de bedrijfseconomische belangen van een appellant kunnen zo verweven zijn met het algemeen belang van het behoud van een goede staat van instandhouding van het betrokken Natura 2000-gebied, een belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat er geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van deze appellant (zie de overzichtsuitspraak, onder 10.53).

Deze situatie doet zich hier niet voor. Het woonperceel van [appellanten] ligt op ongeveer 360 m afstand van het Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde recreatieperceel van hen ligt op ongeveer 270 m afstand van het Natura 2000-gebied. Daartussen liggen woningen, een weg en weilanden met agrarische bebouwing en voorzieningen. Het gebied bevat weinig bebossing. Vanaf de percelen van [appellanten] is geen zicht op het Natura 2000-gebied. Veder ligt op ongeveer 100 m vanaf de percelen een bedrijventerrein. Direct ten zuiden van hun percelen wordt een zonnepark gerealiseerd. Gelet hierop is er geen reden om aan te nemen dat eventuele effecten van het plan op het Natura 2000-gebied het woon- en leefklimaat van [appellanten] of hun bedrijfseconomische belangen als B&B-exploitanten aantasten. Overigens hebben [appellanten] ook niet aangevoerd dat eventuele effecten van het plan op het Natura 2000-gebied, leidt tot negatieve bedrijfseconomische gevolgen voor hun B&B. Het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste staat in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgrond. De Afdeling zal de beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.

Calamiteiten

6. [ appellanten] betogen dat het plan niet voorziet in een goed woon- en leefklimaat omdat het plangebied alleen wordt ontsloten op de Heidehoeksweg. Die enige ontsluiting is volgens hen ontoereikend als af- en aanvoerroute voor (hulpverlenings)voertuigen bij calamiteiten. Daarnaast is gebruik van het plangebied voor logiesverblijf volgens hen onveilig omdat er zich hoofdgasleidingen in de grond bevinden en nabij het plangebied transport van chemische vloeistoffen per trein plaatsvindt.

6.1. Het belang van [appellanten] is gelegen in de bescherming van hun woon- en leefklimaat en hun bedrijfseconomische belangen bij exploitatie van hun B&B. De beroepsgrond heeft betrekking op de bescherming van de belangen van de toekomstige gebruikers van de logiesverblijven. Om deze reden is de Afdeling van oordeel dat de beroepsgrond op grond van artikel 8:69a van de Awb niet kan leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.

Permanente bewoning

7. [ appellanten] betogen dat het plan ten onrechte niet waarborgt dat de logiesverblijven niet permanent worden bewoond. Weliswaar is permanente bewoning in de planregels verboden, maar volgens hen is niet controleerbaar of daarvan sprake is. Bovendien kan het bewoningsverbod worden omzeild door op gezette tijden een ander logiesverblijf te betrekken, aldus [appellanten].

7.1. Artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planregels luidt: "De voor "Wonen - Logiesverblijven" aangewezen gronden zijn bestemd voor de huisvesting van arbeidsmigranten in logiesverblijven".

Artikel 3.4.1, aanhef en onder a, luidt: "Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van de logiesverblijven voor permanente bewoning".

Artikel 1, aanhef luidt: "In deze regels wordt verstaan onder:

[…]

1.9 arbeidsmigrant: economisch actieve migrant wiens doel het is arbeid en inkomen te verwerven in een immigratieland voor een korte of middellange tijd of om zich daar permanent te vestigen;

[…]

1.42 hoofdwoonverblijf: de plaats waar een persoon gedurende een jaar de meeste nachten doorbrengt, in combinatie met de plaats waar hij of zij, zijn of haar sociaal/maatschappelijk leven heeft;

[…]

1.48 logies: het bedrijfsmatig aanbieden van tijdelijk (nacht)verblijf, aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben;

1.49 logiesverblijf: een gebouw dat specifiek is ingericht voor logies;

[…]

1.58 permanente bewoning: het hebben van een hoofdwoonverblijf in een logiesverblijf, een recreatieverblijf, in een stacaravan, in een toercaravan of in een ander kampeermiddel;

[…]"

7.2. In wat [appellanten] aanvoeren ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het verbod op permanente bewoning van de logiesverblijven niet handhaafbaar is. Bij een vermoeden van permanente bewoning kan in het kader van toezicht en handhaving onder meer aan de hand van verklaringen van bewoners en controles ter plaatse worden onderzocht of sprake is hoofdwoonverblijf in een logiesverblijf. Overigens heeft de raad toegelicht dat een convenant is gesloten met de exploitant van de logiesverblijven. Daarin staat onder meer dat de exploitant een nachtregister bijhoudt waarin per bewoner de dag van aankomst en vertrek is opgenomen. Ook aan de hand hiervan kan, bijvoorbeeld in het kader van toezicht en handhaving, dus worden nagegaan hoe lang een persoon in een logiesgebouw verblijft.

Verder kan weliswaar niet worden uitgesloten dat arbeidsmigranten het bewoningsverbod omzeilen door elk half jaar naar een ander logiesverblijf te verhuizen, maar dat maakt niet dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De raad heeft in dat verband toegelicht dat het plan voorziet in groepshuisvesting (4 personen per logiesverblijf), met gedeelde kook-, toilet- en douchevoorzieningen. Volgens artikel 3.2.1, aanhef en onder g, van de planregels, bedraagt het maximumoppervlakte per logiesverblijf 75 m2. Arbeidsmigranten die voor een korte tot middellange periode (0-24 maanden) in Nederland verblijven, maar buiten Nederland hoofdwoonverblijf hebben, vinden dit soort huisvesting vaak aanvaardbaar. Dat geldt echter niet voor arbeidsmigranten die zich permanent in Nederland vestigen, aldus de raad.

Gelet op deze toelichting heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het door [appellanten] gevreesde gebruik van het plangebied voor permanente bewoning, waarbij arbeidsmigranten elk half jaar van logiesverblijf wisselen, onaannemelijk is en daarom niet bij het opstellen van de planregels hoefde te worden betrokken.

Het betoog slaagt niet.

Kantine en winkel

8. [ appellanten] betogen dat de centrale voorzieningen onvoldoende zijn beperkt in het plan. Zij voeren daartoe aan dat het bebouwingsoppervlakte aan centrale voorzieningen fors toeneemt. Ook de gebruiksmogelijkheden zijn volgens hen te ruim. Op grond van het plan is namelijk onder meer een winkel en een kantine toegestaan. De ruimtelijke gevolgen van een kantine voor 150 arbeidsmigranten zijn volgens [appellanten] vergelijkbaar met de ruimtelijke gevolgen van een horecagelegenheid.

8.1. Artikel 1, onder 1.23 van de planregels luidt: "In deze regels wordt verstaan onder centrale voorzieningen: centrale voorzieningen ten behoeve van logiesgebouwen, zoals receptie, kantoor, leslokalen, winkel, kantine, wasruimte, fitnessruimte, recreatieruimte, stilteruimte, sanitaire voorzieningen, opslagruimte en daarmee naar aard gelijk te stellen voorzieningen".

Artikel 3.1, aanhef en onder c, van de planregels luidt: "De voor "Wonen - Logiesverblijven" aangewezen gronden zijn bestemd voor centrale voorzieningen ten behoeve van de logiesverblijven".

Artikel 3.2.2 luidt: "Voor het bouwen van centrale voorzieningen gelden de volgende regels:

[…]

c. de maatvoering van de centrale voorzieningen dient te voldoen aan de eisen die in de onderstaande tabel zijn gesteld:

Artikel 3.4.1 luidt: "Tot een gebruik strijdig met deze bestemming, zoals bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wordt in ieder geval gerekend:

[…]

c. het gebruik van de gebouwen voor centrale voorzieningen voor horeca, met dien verstande dat een kantine die behoort tot de centrale voorzieningen wel is toegestaan;

d. het gebruik van het terrein en de gebouwen voor verkoop- en/of handelsdoeleinden, met dien verstande dat een winkel die behoort tot de centrale voorzieningen wel is toegestaan;

[…]

8.2. Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2007" maximaal 1.600 m2 aan overige gebouwen (centrale voorzieningen) mocht worden gebouwd. Het huidige plan leidt dus tot een toename van de bebouwing van maximaal 400 m2. Gelet op de verhouding daarvan tot de omvang van het plangebied - ongeveer 5 ha - heeft de raad zich in dit geval in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan geen onevenredige toename van het bebouwingsoppervlakte in het algemeen of de oppervlakte aan centrale voorzieningen in het bijzonder met zich brengt. Daarbij komt dat in artikel 3.4.2 van de planregels een voorwaardelijke verplichting is opgenomen die - kort gezegd - inhoudt dat 11 van de 48 bestaande chalets moeten worden verwijderd.

De Afdeling overweegt verder dat uit de planregels volgt dat de centrale voorzieningen, waaronder een kantine en winkel, slechts ten behoeve van de logiesverblijven mogen zijn. Dat betekent dat een eventuele kantine of winkel uitsluitend mag zijn gericht op de gebruikers van de logiesverblijven. Zelfstandige horeca of detailhandel is dus niet toegestaan en in voorkomend geval kan daarop worden gehandhaafd. Gelet op deze beperking en op het feit dat de afstand tussen een eventuele kantine of winkel en het perceel van [appellanten] minstens 200 m zal bedragen, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een kantine of winkel geen onaanvaardbare ruimtelijke gevolgen voor hen zal hebben.

Het betoog slaagt niet.

Locatiekeuze

9. [ appellanten] betogen dat het plan niet voldoet aan het uitgangspunt in de Beleidsnotitie flexibele huisvesting arbeidsmigranten van de raad uit december 2013 (hierna: de Beleidsnotitie) dat er bij voorkeur niet meer dan 50 arbeidsmigranten op één locatie worden gehuisvest. Het plan voorziet juist in grootschalige huisvesting van arbeidsmigranten, terwijl niet is gebleken dat de raad onderzoek heeft gedaan naar alternatieve locaties die wel aan de Beleidsnotitie voldoen, aldus [appellanten].

9.1. De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van eventuele alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.

In de Beleidsnotitie staat dat het toegestane aantal arbeidsmigranten voor locaties buiten een dorpskern wordt bepaald op basis van de omvang en omgeving van de locatie. De Afdeling stelt vast dat het plangebied buiten de dorpskern ligt. Dat het plan voorziet in huisvesting van maximaal 150 in plaats van 50 arbeidsmigranten is dus niet in strijd met de Beleidsnotitie.

Over de locatiekeuze en mogelijke alternatieven heeft de raad toegelicht dat de omvang en omgeving van de gekozen locatie zijn betrokken bij de beoordeling van het aantal arbeidsmigranten dat kan worden gehuisvest. Volgens de raad doet het plan geen afbreuk aan het woon- en leefklimaat in de omgeving. Weliswaar is sprake van een grootschalige huisvestingslocatie, maar de locatie heeft als voordeel ten opzichte van andere locaties dat de arbeidsmigranten in bestaande bebouwing kunnen worden gehuisvest. Verder worden er al jaren arbeidsmigranten in het plangebied gehuisvest, en zijn er weinig klachten over dat gebruik bekend, aldus de raad.

Gelet hierop heeft de raad deugdelijk gemotiveerd waarom voor de huidige locatie is gekozen.

Het betoog slaagt niet.

Slotoverwegingen

10. Het beroep is ongegrond.

11. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2021

912