Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2334

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-10-2021
Datum publicatie
20-10-2021
Zaaknummer
201906444/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:4218, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 augustus 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag van [appellant] voor het jaar 2017 definitief vastgesteld op € 468,00 en bepaald dat hij het teveel ontvangen voorschot van € 1.580,00 moet terugbetalen. [appellant] heeft een nabetaling van zijn bijstandsuitkering en zijn maandelijkse bijdrage voor de collectieve zorgverzekering ontvangen. Deze nabetaling is meegenomen in het verzamelinkomen van [appellant] voor het jaar 2017 en daarmee van invloed geweest op de definitieve berekening van zijn zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2017. [appellant] is het hier niet mee eens. [appellant] betoogt dat zijn inkomen uit 2017 op grond van bijzondere omstandigheden gedeeltelijk moet worden toegerekend aan de jaren 2015 en 2016. De nabetaling heeft betrekking op de periode van december 2015 tot en met juni 2016 en is dus geen inkomen over 2017, maar over 2015 en 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906444/1/A2.

Datum uitspraak: 20 oktober 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Schijndel, gemeente Meierijstad,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 juli 2019 in zaken nrs. 18/2756 en 18/2757 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag van [appellant] voor het jaar 2017 definitief vastgesteld op € 468,00 en bepaald dat hij het teveel ontvangen voorschot van € 1.580,00 moet terugbetalen.

Bij besluit van 3 augustus 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het kindgebonden budget van [appellant] voor het jaar 2017 definitief vastgesteld op € 352,00 en bepaald dat hij het teveel ontvangen voorschot van € 792,00 moet terugbetalen.

Bij besluiten van 2 oktober 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juli 2019 heeft de rechtbank de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2021, waar [appellant B], bijgestaan door mr. H.M.A. van den Boogaard, advocaat te Uden, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken en drs. R.E. van Huisstede, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] heeft een nabetaling van zijn bijstandsuitkering en zijn maandelijkse bijdrage voor de collectieve zorgverzekering ontvangen. Deze nabetaling is meegenomen in het verzamelinkomen van [appellant] voor het jaar 2017 en daarmee van invloed geweest op de definitieve berekening van zijn zorgtoeslag en kindgebonden budget over 2017. [appellant] is het hier niet mee eens.

Wettelijk kader

2.       Het wettelijk kader wordt gevormd door de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr). De toepasselijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroep en beoordeling

3.       [appellant] betoogt dat zijn inkomen uit 2017 op grond van bijzondere omstandigheden gedeeltelijk moet worden toegerekend aan de jaren 2015 en 2016. De nabetaling heeft betrekking op de periode van december 2015 tot en met juni 2016 en is dus geen inkomen over 2017, maar over 2015 en 2016. [appellant] wil slechts een juiste toerekening van zijn inkomen aan het jaar waarover het is toegekend en geen inkomen buiten beschouwing laten, aldus [appellant].

3.1.    Tussen partijen is niet in geschil dat het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen over 2017 € 31.815,00 bedraagt. De rechtbank heeft overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag en het kindgebonden budget van [appellant] voor het jaar 2017 op basis van dit bedrag heeft berekend en dat de Wet op de zorgtoeslag, de Wet op het kindgebonden budget en de Awir geen grondslag bieden om bij de bepaling van de draagkracht voor respectievelijk de zorgtoeslag en het kindgebonden budget inkomensbestanddelen buiten beschouwing te laten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2628). De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Belastingdienst/Toeslagen het door de inspecteur vastgestelde verzamelinkomen terecht heeft gevolgd. In de door [appellant] gestelde bijzondere omstandigheden kan geen grond worden gevonden voor een ander oordeel.

3.2.    De Belastingdienst/Toeslagen heeft zich onder verwijzing naar het Verzamelbesluit Toeslagen (Stcrt. 2020, nr. 22720) op het standpunt mogen stellen dat de dienst in de financiële en medische omstandigheden die [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding had moeten zien om van terugvordering af te zien of het terug te vorderen bedrag te matigen. Hierbij is van belang dat de Belastingdienst/Toeslagen naar voren heeft gebracht dat [appellant], omdat niet is gebleken van enig opzet of grove schuld, een persoonlijke betalingsregeling kan aanvragen waarbij rekening wordt gehouden met zijn betalingscapaciteit. Een voorlopige inschatting door de Belastingdienst/Toeslagen van de financiële omstandigheden van [appellant] levert geen betalingscapaciteit op, wat zou betekenen dat er van hem dan geen betaling zou worden gevorderd. Hiertoe moet [appellant] een verzoek doen, waarna de dienst hierover een definitief besluit neemt.

3.3.    Het betoog slaagt niet.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.       De Belastingdienst/Toeslagen hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2021

480-949.

 

BIJLAGE

 

Wettelijk kader

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 2

"1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen, alsmede in inkomensafhankelijke regelingen, wordt verstaan onder:

[…]

o. inkomensgegeven: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, onderdeel e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

[…]"

Artikel 7

"1. Ter bepaling van de draagkracht voor de toepassing van een inkomensafhankelijke regeling wordt het toetsingsinkomen, bedoeld in artikel 8, van de belanghebbende en dat van zijn partner in aanmerking genomen.

[…]"

Artikel 8

"1. Toetsingsinkomen is: het op het berekeningsjaar betrekking hebbende inkomensgegeven.

[…]"

Artikel 20

"1. Indien na de toekenning van de tegemoetkoming uit een eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging van een inkomensgegeven of niet in Nederland belastbaar inkomen blijkt dat de tegemoetkoming tot een te hoog of te laag bedrag is toegekend, herziet de Belastingdienst/Toeslagen de tegemoetkoming met inachtneming van die eerste vaststelling, eerste bepaling of wijziging.

[…]"

Algemene wet inzake rijksbelastingen

Artikel 21

"[…]

c. verzamelinkomen: verzamelinkomen als bedoeld in artikel 2.18 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

[…]

e. inkomensgegeven:

1°. indien over een kalenderjaar een aanslag of navorderingsaanslag inkomstenbelasting is of wordt vastgesteld: het na afloop van dat kalenderjaar van betrokkene over dat kalenderjaar laatst bepaalde verzamelinkomen;

[…]"