Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2266

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2021
Datum publicatie
13-10-2021
Zaaknummer
202100192/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:11782, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag een onderhoudskorting van € 2.965,00 toegepast op de ten behoeve van [appellant] vastgestelde subsidie van € 8.738,97. Bij besluit van 28 september 2000 heeft het college aan [appellant] een subsidie verleend voor niet-ingrijpende voorzieningen aan een pand, waarvan hij zelf de benedenverdieping bewoont, op grond van de Verordening woninggebonden subsidies 1995. Bij besluit van 12 juli 2006 heeft het college de subsidie vastgesteld op € 8.738,97. Het college heeft bij dit besluit te kennen gegeven dat een bedrag van € 1.571,23 direct wordt uitbetaald en dat het restant van de subsidie eind september 2018 wordt uitbetaald als het pand naar behoren is onderhouden. Omdat bij een controle bleek dat het pand waarvoor subsidie is verleend onvoldoende is onderhouden, heeft het college [appellant] in de gelegenheid gesteld het benodigde onderhoud alsnog uit te voeren en hiervan uiterlijk 30 augustus 2018 melding te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202100192/1/A2.

Datum uitspraak: 13 oktober 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2020 in zaak nr. 19/7120 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 4 oktober 2018 heeft het college een onderhoudskorting van € 2.965,00 toegepast op de ten behoeve van [appellant] vastgestelde subsidie van € 8.738,97.

Bij besluit van 30 september 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft verder de onderhoudskorting herzien vastgesteld op € 1.340,67.

Bij uitspraak van 20 november 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. F. Uzumcu, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. R.E. Wanning, advocaat te Berlicum, zijn verschenen.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1.       Bij besluit van 28 september 2000 heeft het college aan [appellant] een subsidie verleend voor niet-ingrijpende voorzieningen aan een pand, waarvan hij zelf de benedenverdieping bewoont, op grond van de Verordening woninggebonden subsidies 1995. Bij besluit van 12 juli 2006 heeft het college de subsidie vastgesteld op € 8.738,97. Het college heeft bij dit besluit te kennen gegeven dat een bedrag van € 1.571,23 direct wordt uitbetaald en dat het restant van de subsidie eind september 2018 wordt uitbetaald als het pand naar behoren is onderhouden.

Besluitvorming

2.       Bij het besluit van 4 oktober 2018 heeft het college een onderhoudskorting toegepast op het eerder door hem vastgestelde subsidiebedrag. Aan dit besluit heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Omdat bij een controle bleek dat het pand waarvoor subsidie is verleend onvoldoende is onderhouden, heeft het college [appellant] in de gelegenheid gesteld het benodigde onderhoud alsnog uit te voeren en hiervan uiterlijk 30 augustus 2018 melding te maken. Het college stelt hierop geen reactie van [appellant] te hebben ontvangen. Op 27 september 2018 is het pand opnieuw gecontroleerd. Tijdens de controle bleek dat de werkzaamheden nog steeds niet waren uitgevoerd. Omdat [appellant] de aan de subsidie verbonden voorwaarden onvoldoende is nagekomen, heeft het college bepaald dat op de vastgestelde subsidie een bedrag van € 2.965,00 in mindering wordt gebracht.

3.       Bij het besluit van 30 september 2019 heeft het college de onderhoudskorting herzien vastgesteld op € 1.340,67. Aan deze herziening heeft het college ten grondslag gelegd dat bij een nadere controle in januari 2019 is gebleken dat de achtergevel van het pand voldoende is onderhouden. Verder heeft het college in zijn besluit van 4 oktober 2018 ten onrechte een korting van € 375,00 per deur opgenomen, terwijl dit € 250,00 per deur had moeten zijn. Het college heeft aan [appellant] geen proceskostenvergoeding toegekend, omdat de herroeping niet het gevolg is van onrechtmatig handelen van het college.

Beroep

4.       De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid een korting van € 1.340,67 mocht toepassen op het vastgestelde subsidiebedrag van € 8.738,97. De rechtbank heeft hiertoe als volgt overwogen. Het college heeft in overeenstemming met zijn gebruikelijke handelwijze ongeveer vier maanden voor de peildatum, namelijk op 30 mei 2018, een eerste controle uitgevoerd. [appellant] was hierbij niet aanwezig, waardoor de achtergevel niet gecontroleerd kon worden. Volgens het college heeft aan de voorgevel geen onderhoud plaatsgevonden. Dit heeft hij op 9 juli 2018 aan [appellant] te kennen gegeven. Hij heeft [appellant] verder de gelegenheid geboden het achterstallig onderhoud alsnog te verrichten en om een hercontrole te verzoeken. [appellant] heeft niet gereageerd op het bericht van het college en niet om een hercontrole verzocht. Op 27 september 2018 heeft een definitieve controle plaatsgevonden. Bij deze controle is geconstateerd dat niet alsnog achterstallig onderhoud is verricht. Het college heeft de kosten voor het achterstallig onderhoud begroot op € 2.965,00, waarbij voor de achtergevel een stelpost is opgenomen. Op 29 januari 2019, na de peildatum, heeft opnieuw een controle plaatsgevonden. Hieruit bleek dat de achtergevel voldoende onderhouden was. Het college past daarom niet langer een korting toe vanwege gebrekkig onderhoud aan de achtergevel. Het college heeft verder de kosten voor het onderhoud aan de voordeur verlaagd, van € 375,00 naar € 250,00.

5.       De rechtbank acht een korting op de subsidie van € 1.340,67 ook redelijk omdat het de verantwoordelijkheid van de eigenaar is om het betreffende pand te onderhouden. Uit de Verordening woninggebonden subsidies 1995 vloeit geen verplichting voor het college voort om ruim voor de peildatum een eerste controle uit te voeren waarbij de eigenaar, indien daartoe aanleiding bestaat, in de gelegenheid wordt gesteld het achterstallig onderhoud alsnog te verrichten, zodat het toepassen van een korting op de resterende subsidie kan worden voorkomen. Door dit wel te doen en door na de peildatum het pand opnieuw te controleren is het college onverplicht tegemoetgekomen aan [appellant].

6.       De rechtbank volgt [appellant] niet in zijn standpunt dat de korting niet in verhouding staat tot de gebreken. Voor zover [appellant] dit heeft willen onderbouwen met de door hem in bezwaar overgelegde offerte overweegt de rechtbank dat de in de offerte opgenomen bedragen aanzienlijk hoger zijn dan de door het college toegepaste korting. Over de foto’s die [appellant] in bezwaar heeft overgelegd overweegt de rechtbank dat deze van na de peildatum en na de laatste controle van 21 januari 2019 zijn.

7.       De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het college het verzoek om vergoeding van proceskosten terecht heeft afgewezen. Hiertoe heeft zij overwogen dat de herroeping van het besluit van 4 oktober 2018 niet uitsluitend te wijten is aan het college, maar ook deels aan [appellant]. [appellant] heeft niet gereageerd op het bericht van het college van 9 juli 2018 en geen verzoek om hercontrole ingediend. Hierdoor zijn tijdens de definitieve controle mede door [appellant] zelf te hoge kosten begroot voor het achterstallig onderhoud. De rechtbank acht tot slot van belang dat de kosten die door toedoen van [appellant] te hoog zijn begroot (€ 1.500,00) aanzienlijk hoger liggen dan de kosten die door toedoen van het college te hoog zijn begroot (€ 125,00).

Hoger beroep

8.       [appellant] kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank en heeft hoger beroep ingesteld.

9.       [appellant] betoogt ten eerste dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de door het college toegepaste onderhoudskorting redelijk is. Volgens [appellant] staat deze korting niet in verhouding tot het geconstateerde achterstallig onderhoud. Omdat het schilderwerkzaamheden aan de buitenkant van het pand betreft, is na enige tijd niet meer te zien dat de werkzaamheden hebben plaatsgevonden. De controle van het pand was een momentopname en geeft geen inzicht in de werkzaamheden die [appellant] de jaren voorafgaand aan de controle heeft verricht. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat inmiddels schilderwerkzaamheden hebben plaatsgevonden aan de voorzijde van het pand. Omdat het het college erom gaat dat het pand goed wordt onderhouden en dat nu is gebeurd, zou het college alsnog het volledige subsidiebedrag uit moeten betalen. [appellant] wijst er verder op dat hij wordt benadeeld ten opzichte van wie ervoor kiest vlak voor een controle schilderwerkzaamheden te verrichten. Diegene heeft namelijk aanspraak op het volledige subsidiebedrag, terwijl [appellant] nu gekort wordt. De rechtbank is hieraan voorbijgegaan, aldus [appellant].

9.1.    Het college heeft aan [appellant] een subsidie verstrekt onder de voorwaarde dat hij zijn pand gedurende twaalf jaar voldoende zou onderhouden. Het was bekend dat het college het pand na ommekomst van die twaalf jaar zou inspecteren, om zo vast te kunnen stellen of [appellant] het pand overeenkomstig de verplichting die hij was aangegaan had onderhouden. [appellant] gaat er met zijn standpunt dat hij in de loop van de twaalf jaar schilderwerkzaamheden heeft verricht, maar dat hiervan op de peildatum niets meer te zien was, aan voorbij dat op hem de verplichting rustte het pand de volledige twaalf jaar voldoende te onderhouden. [appellant] bestrijdt niet dat de voorzijde van het pand op de peildatum onvoldoende onderhouden was. Ter zitting heeft [appellant] desgevraagd toegelicht dat de door hem overgelegde foto’s na de peildatum zijn genomen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college dan ook terecht een korting toegepast op de eerder door hem vastgestelde subsidie. Dat [appellant] nadat hij er na de eerste controle op 30 mei 2018 door het college op was geattendeerd dat het pand onvoldoende was onderhouden niet direct medewerking kreeg van de eigenaars van de bovenste etage van het pand om werkzaamheden te verrichten, zoals hij ter zitting naar voren heeft gebracht, is een omstandigheid die voor rekening van [appellant] komt. [appellant] was immers jegens het college de verplichting aangegaan het pand te onderhouden. Ter zitting heeft [appellant] nog aangevoerd dat sommige buren niet gekort zijn op de aan hen verleende subsidie voor niet-ingrijpende voorzieningen. Daargelaten dat [appellant] dit argument voor het eerst in hoger beroep heeft aangevoerd, heeft hij hiervoor geen bewijs aangedragen, zodat dit hem niet kan baten.

Het betoog faalt.

10.     [appellant] betoogt ten tweede dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zijn verzoek om vergoeding van proceskosten terecht heeft afgewezen. De rechtbank is er volgens [appellant] aan voorbijgegaan dat de gebreken die aan het besluit van 4 oktober 2018 kleefden niet waren hersteld als hij geen bezwaar had gemaakt. Daarbij heeft het college in dit besluit niet inzichtelijk gemaakt hoe het tot het bedrag van de onderhoudskorting is gekomen. Pas in bezwaar is [appellant] duidelijk geworden hoe de korting is opgebouwd. Het besluit van 4 oktober 2018 is daarom in strijd met het motiveringsbeginsel, wat de rechtbank niet heeft onderkend, aldus [appellant].

10.1.  Niet in geschil is dat het college in zijn besluit van 4 oktober 2018 een te hoge korting heeft toegepast op de aan [appellant] verleende subsidie voor onderhoud dat had moeten plaatsvinden aan de deuren van het pand. Dit betekent dat er een onrechtmatigheid aan het besluit van 4 oktober 2018 kleefde die alleen aan het college kan worden toegerekend. Het college had alleen al om die reden een proceskostenvergoeding aan [appellant] moeten toekennen. Dat de onjuistheden in het besluit van 4 oktober 2018 die aan het college te wijten zijn van een beperktere omvang zijn dan de onjuistheden die aan [appellant] te wijten zijn, zoals de rechtbank heeft overwogen, doet hier niet aan af. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte nagelaten het college op te dragen deze kosten alsnog te vergoeden.

Het betoog slaagt.

Slotsom

11.     Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het college [appellant] terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. De Afdeling zal het door [appellant] tegen het besluit van 30 september 2019 ingestelde beroep gegrond verklaren voor zover dat ziet op de in bezwaar gemaakte proceskosten, zij zal dit besluit vernietigen voor zover daarbij niet ook een proceskostenvergoeding is toegekend en zij zal die vergoeding alsnog toekennen en bepalen dat haar uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

12.     Het college moet de proceskosten van [appellant] vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep [appellant] gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 november 2020 in zaak nr. 19/7120, voor zover daarbij is geoordeeld dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend aan I [appellant];

III.      bevestigt deze uitspraak voor het overige;

IV.      verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 30 september 2019 gegrond;

V.       vernietigt dit besluit voor zover het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] geen proceskostenvergoeding heeft toegekend;

VI.      bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders aan I [appellant] een vergoeding toekennen voor de in bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00 en dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.     veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij I [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.136,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan I [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 voor de behandeling van het beroep en € 270,00 voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

w.g. Steendijk

lid van de enkelvoudige kamer     

w.g. Dijkshoorn

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2021