Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2264

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-10-2021
Datum publicatie
13-10-2021
Zaaknummer
202003993/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2020 heeft de raad van de gemeente Woudenberg het bestemmingsplan "Koningin Julianaplein 1" vastgesteld. Het plan voorziet in de herontwikkeling van het Koningin Julianaplein in de gemeente Woudenberg. Er stond hier een voormalig bibliotheekpand dat jaren leegstond. Het bibliotheekpand is inmiddels gesloopt. De huidige parkeervoorziening bij de bibliotheek zal verdwijnen. Het plan maakt het mogelijk dat op de locatie een appartementencomplex met maximaal 30 appartementen wordt gerealiseerd. [appellant] en anderen zijn omwonenden en zij kunnen zich niet verenigen met het plan. Zij vrezen met name voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van het plan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003993/1/R4

Datum uitspraak: 13 oktober 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Woudenberg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Woudenberg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Koningin Julianaplein 1" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2021, waar de raad, vertegenwoordigd door M. Valé, is verschenen. Voorts is ter zitting Koppelholding B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigden], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan voorziet in de herontwikkeling van het Koningin Julianaplein in de gemeente Woudenberg. Er stond hier een voormalig bibliotheekpand dat jaren leegstond. Ter zitting is gebleken dat het bibliotheekpand inmiddels is gesloopt. De huidige parkeervoorziening bij de bibliotheek zal verdwijnen. Het plan maakt het mogelijk dat op de locatie een appartementencomplex met maximaal 30 appartementen wordt gerealiseerd.

2.       [appellant] en anderen zijn omwonenden en zij kunnen zich niet verenigen met het plan. Zij vrezen met name voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van het plan.

Wijze van toetsen

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beroepsgronden

Procedure

4.       [appellant] en anderen voeren aan dat de procedure tot vaststelling van het bestemmingsplan niet correct is verlopen. Zij wijzen erop dat er onvoldoende informatie is verschaft door de raad en de projectontwikkelaar. Zo is er slechts één inspraakavond gehouden, waarbij niet genoeg omwonenden waren uitgenodigd en heeft een beloofde tweede inspraakavond niet plaatsgevonden, aldus [appellant] en anderen. Ter nadere toelichting van hun betoog wijzen zij in een nader stuk op het krantenartikel "Burgers meer horen", uit de Woudenberger van 28 juli 2020. Hierbij wijzen zij erop dat draagvlak voor het plan ontbreekt.

4.1.    Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. In overeenstemming met deze procedure zijn de omwonenden in dat kader in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. Niet in geschil is dat aan de wettelijke eisen voor de vaststelling van het bestemmingsplan is voldaan.

Dat [appellant] en anderen vinden dat er onvoldoende draagvlak is, betekent op zichzelf niet dat het plan niet in stand mag blijven. De Afdeling merkt hierbij op dat geen sprake is van een beleidsmatige randvoorwaarde op grond waarvan het plan niet zou mogen worden vastgesteld als maatschappelijk draagvlak ontbreekt.

Gebleken is dat de initiatiefnemer, mede met het oog op het verwerven van draagvlak, een informatieavond heeft georganiseerd met omwonenden. Een participatieverslag maakt deel uit van de bijlagen van de plantoelichting. Eventuele tekortkomingen in dat verslag of tekortkomingen tijdens de informatieavond hebben geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het bestemmingsplan.

De betogen slagen niet.

Structuurvisie Woudenberg 2030

5.       [appellant] en anderen voeren aan dat het bestemmingsplan in strijd is met de Structuurvisie Woudenberg 2030 (hierna: de structuurvisie), aangezien daarin is uitgegaan van een ontwikkeling van 15 woningen. In het plan zijn echter 30 woningen voorzien.

5.1.    De Afdeling stelt vast dat het Koningin Julianaplein in de Structuurvisie is opgenomen als ontwikkellocatie. Volgens de structuurvisie richt de opgave voor het Koningin Julianaplein zich onder meer op de bouw van circa 15 woningen en maatschappelijke voorzieningen.

De Afdeling stelt verder vast dat de raad met het voorliggende plan, dat in 30 woningen voorziet, is afgeweken van het aantal van 15 woningen uit de Structuurvisie. De raad heeft dat evenwel aanvaardbaar gevonden en daarbij toegelicht dat in het vorige bestemmingsplan "Bebouwde Kom" al was voorzien in een wijzigingsbevoegdheid op grond waarvan woningbouw op het Koningin Julianaplein, via een wijzigingsplan, mogelijk had kunnen worden gemaakt. Die wijzigingsbevoegdheid bevatte niet een beperking tot een aantal van circa 15 woningen, aldus de raad. De raad heeft er verder ter zitting op gewezen dat het initiatief voor het appartementencomplex slechts op een ondergeschikt punt (ter hoogte van de parkeerkelder) niet paste in de mogelijkheden die de wijzigingsbevoegdheid bood en dat daarom is voorzien in het voorliggende bestemmingsplan. Ter zitting heeft de raad er verder op gewezen dat de wijzigingsbevoegdheid mede voorzag in bebouwing ten behoeve van maatschappelijke voorzieningen. Die maatschappelijke voorzieningen zijn inmiddels elders in de gemeente gerealiseerd. Omdat er om die reden geen maatschappelijke voorzieningen meer in het voorliggende plan zijn opgenomen, heeft de raad aanleiding gezien om het aantal van 15 woningen te vergroten naar 30. Voor de bereidheid tot die vergroting van het aantal woningen heeft de raad ook van belang geacht dat in de huidige situatie sprake is van een grotere woningbouwbehoefte dan voorheen.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, gezien de bovenstaande toelichting, afdoende gemotiveerd waarom in dit geval met het toestaan van het appartementencomplex met maximaal 30 appartementen in redelijkheid kon worden afgeweken van het uitgangspunt van een complex van circa 15 woningen. Hierbij betrekt de Afdeling ook dat (mede gezien hetgeen hierna in de overwegingen 6 tot en met 10.1 wordt overwogen) de ruimtelijke gevolgen voor de omgeving van de ontwikkeling van

30 appartementen, in vergelijking met een invulling met circa 15 woningen, niet onaanvaardbaar zijn.

Het betoog slaagt niet.

Passend in de omgeving?

6.       [appellant] en anderen voeren aan dat de in het plan voorziene ontwikkeling, naar omvang en hoogte, stedenbouwkundig niet passend is in de omgeving. Het plan levert geen kwaliteitsimpuls aan het Koningin Julianaplein, aldus [appellant] en anderen.

6.1.    De raad heeft toegelicht dat de nokhoogte van omliggende woningen 9 meter bedraagt. Weliswaar mag het appartementencomplex iets hoger worden, maar het verschil is niet groot, aldus de raad.

Gelet op deze toelichting ziet de Afdeling in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening passend is in de omgeving. Hierbij merkt de Afdeling op dat ook het voorgaande plan, via de wijzigingsbevoegdheid, ruimte bood voor bebouwing in omvang die vergelijkbaar was met de omvang van het huidige plan.

Het betoog slaagt niet.

Woon- en leefklimaat

7.       [appellant] en anderen vrezen als gevolg van het plan voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij wijzen hierbij op een verlies van groen. Zij wijzen hierbij ook op een aantasting van hun privacy.

7.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad bij de afweging van belangen in redelijkheid een groter gewicht kunnen toekennen aan het algemeen belang dat is gediend met de voorziene woningbouw dan aan de individuele belangen van [appellant] en anderen bij het behoud van de bestaande situatie. De Afdeling merkt hierbij op dat het plangebied in de bestaande situatie weinig groen bevatte. Voor zover het plan al tot enig verlies van groen mocht leiden, heeft de raad dat niet onaanvaardbaar hoeven vinden. Hierbij is ook van belang dat het voorliggende plan in een groenbestemming voorziet, waarmee in een groene invulling is voorzien.

De Afdeling neemt wat betreft de privacy het volgende in ogenschouw. Het is niet uitgesloten dat de privacy van [appellant] en anderen als gevolg van het plan in enige mate wordt aangetast. De raad heeft zich, naar het oordeel van de Afdeling, evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een onevenredige aantasting geen sprake is. Hierbij is van belang dat de afstand van de dichtstbij staande woning van [appellant] en anderen tot het bouwvlak van het appartementen-complex ten minste 20 meter bedraagt, hetgeen in een stedelijke omgeving niet gering is. Ook merkt de Afdeling hierbij op dat in een stedelijk gebied een woonsituatie vrij van enige inkijk niet kan worden gegarandeerd.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de vaststelling van het plan niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is.

De betogen slagen niet.

Verkeersveiligheid

8.       [appellant] en anderen betogen verder dat het plan tot een verkeersonveilige situatie leidt. De uitrit voor het appartementencomplex zal volgens hen worden gesitueerd bij een al gevaarlijke bocht tussen de Prinses Christinastraat en het Koningin Julianaplein. Hierbij wijzen [appellant] en anderen ook op de gevolgen voor kinderen die naar een speelplaats gaan.

8.1.    In de plantoelichting staat dat de gemiddelde verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling ongeveer 138 verkeersbewegingen per etmaal bedraagt. In de plantoelichting staat dat de omliggende wegen over voldoende capaciteit beschikken om deze verkeersbewegingen op te vangen. De raad heeft verder toegelicht dat in de bedoelde bocht niet hard wordt gereden. De raad heeft er hierbij ook op gewezen dat op de wegen rondom het Koningin Julianaplein maximaal 30 km per uur mag worden gereden. Ter zitting heeft de raad verder toegelicht dat ter plaatse van de bocht juist een goed zicht bestaat bij het uitrijden van het parkeerterrein. De uitrit van de parkeergarage zelf is gelegen aan het einde van een doodlopend deel van de route over het parkeerterrein, zodat van een verkeersonveilige situatie bij de bocht door deze uitrit geen sprake is. Verder heeft de raad in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat er een van het parkeerterrein afgescheiden voetpad zal worden aangelegd vanaf de Prinses Christinastraat naar de speelplek voor de kinderen, wat planologisch ook mogelijk is, gezien de verkeersbestemming die aan de bedoelde gronden is toegekend. Hiermee is er sprake van een veilige verbinding naar de speelvoorziening, aldus de raad. De Afdeling ziet in de stukken die [appellant] en anderen hebben ingebracht geen aanknopingspunten om aan de juistheid van de door de raad gegeven toelichting te twijfelen.

De Afdeling ziet onder deze omstandigheden geen grond voor het oordeel dat het plan uit een oogpunt van verkeersveiligheid niet in stand kan blijven. Het betoog slaagt niet.

Parkeren

9.       [appellant] en anderen vrezen dat het plan zal leiden tot een tekort aan parkeerplaatsen. Zij wijzen erop dat er in de huidige situatie ruimte is voor ongeveer 46 auto’s. Na de verwezenlijking van het plan zullen minder parkeerplaatsen overblijven, zodat parkeeroverlast dreigt, aldus [appellant] en anderen.

9.1.    In de plantoelichting is toegelicht dat de voorziene woningbouw een parkeerbehoefte van 44 parkeerplaatsen genereert. De Afdeling stelt vast dat [appellant] en anderen die parkeerbehoefte in de door hen ingebrachte stukken niet hebben bestreden.

In de plantoelichting is verder toegelicht dat onder het appartementencomplex zal worden voorzien in een ondergrondse parkeergarage met 32 parkeerplaatsen. Op het maaiveld, ten noorden van het appartementencomplex, zullen 26 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, aldus de raad. Op het maaiveld, ten westen van het appartementencomplex zullen 20 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De Afdeling stelt vast dat [appellant] en anderen deze aantallen in de door hun ingebrachte stukken evenmin hebben betwist. Dit betekent dat ervan uit kan worden gegaan dat in totaal 78 parkeerplaatsen worden gerealiseerd, waarvan 44 parkeerplaatsen bedoeld zijn voor de bewoners en bezoekers van het appartementencomplex. Zodoende resteren nog 34 parkeerplaatsen voor openbaar gebruik, ter vervanging van het huidige parkeerterrein op het Koningin Julianaplein. In de plantoelichting is toegelicht dat dit aantal van 34 parkeerplaatsen ruimschoots voldoende is, aangezien uit een parkeeronderzoek van Datacount B.V. uit oktober 2018 blijkt dat er steeds maximaal 10 geparkeerde auto’s gelijktijdig zijn waargenomen op het parkeerterrein bij de voormalige bibliotheek.

De Afdeling merkt op dat [appellant] en anderen weliswaar terecht hebben gesteld dat de capaciteit van het parkeerterrein bij de voormalige bibliotheek (voor 46 auto’s) groter is dan de toekomstige bovengrondse parkeergelegenheid (met 34 parkeerplaatsen), maar dat zij niet hebben gesteld of onderbouwd dat de capaciteit in het verleden in zijn geheel of grotendeels werd benut. Hierbij tekent de Afdeling aan dat, zoals de raad heeft gesteld, de beschikbare parkeercapaciteit in het verleden ook bedoeld was voor de inmiddels gesloopte bibliotheek. Omdat de parkeerbehoefte voor die functie door de sloop is weggevallen, bestond er geen reden voor de raad om in de gehele parkeercapaciteit van 46 te voorzien. De Afdeling ziet onder deze omstandigheden geen aanknopingspunten dat in het plan in onvoldoende parkeergelegenheid is voorzien.

De betogen slagen niet.

Zaterdagmarkt

10.     [appellant] en anderen hebben verder in beroep, zonder nadere toelichting, aangevoerd dat de zaterdagmarkt nu is verplaatst naar een nieuwe locatie in het dorp Woudenberg met beperkte ruimte.

10.1.  De raad heeft toegelicht dat voorheen op het Koningin Julianaplein een zaterdagmarkt aanwezig was, maar dat het college een nieuwe locatie in het centrum heeft aangewezen voor de standplaatshouders hiervan. Volgens de raad vinden de standplaatshouders dit een passende oplossing. De raad heeft een groter gewicht toegekend aan het algemeen belang dat is gediend met de voorziene woningen, dan aan het belang van het behoud van een zaterdagmarkt op het Koningin Julianaplein.

De vraag of de verplaatsing van de zaterdagmarkt [appellant] en anderen zodanig in hun belangen raakt dat zij daartegen een beroepsgrond kunnen richten, laat de Afdeling rusten. De Afdeling ziet geen redenen het plan, vanwege de verplaatsing van de zaterdagmarkt naar een nieuwe locatie onrechtmatig te achten. Het betoog slaagt niet.

Conclusie

11.     Het beroep is ongegrond.

12.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2021

418.