Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2243

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
06-10-2021
Zaaknummer
202005211/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:7972, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2019 heeft de burgemeester van Rotterdam besloten om de huurwoning van [appellanten sub 2] aan de [locatie] voor zes maanden te sluiten. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I of lijst II, behorend bij de Opiumwet, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. De burgemeester heeft besloten de woning voor zes maanden te sluiten, omdat de politie op 30 oktober 2018 in de slaapkamer van een meerderjarige zoon 237,7 g cocaïne, een contant bedrag van € 7.000,00, een grammenweegschaal en een rol plastic zakjes heeft aangetroffen. [appellanten sub 2] en de burgemeester zijn het met elkaar eens dat de burgemeester bevoegd was om het pand te sluiten, maar verschillen van mening over de vraag of hij in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/452
JB 2021/204
AB 2022/47 met annotatie van J.G. Brouwer, L.M. Bruijn
Gst. 2022/23 met annotatie van S.K. Hooijer
BR 2022/36 met annotatie van R.J.H. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005211/1/A3.
Datum uitspraak: 6 oktober 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de burgemeester van Rotterdam,

2. [ appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Rotterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2020 in zaak nr. 19/2414 in het geding tussen:

[appellanten sub 2]

en

de burgemeester.

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2019 heeft de burgemeester besloten om de huurwoning van [appellanten sub 2] aan de [locatie] voor zes maanden te sluiten.

Bij besluit van 8 mei 2019 heeft de burgemeester het door [appellanten sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 augustus 2020 heeft de rechtbank het door [appellanten sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 mei 2019 vernietigd en bepaald dat de burgemeester opnieuw een besluit op het bezwaar moet nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de burgemeester hoger beroep ingesteld.

[appellanten sub 2] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een zienswijze naar voren gebracht.

Bij besluit van 2 december 2020 heeft de burgemeester het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

[appellanten sub 2] hebben gereageerd op het besluit van 2 december 2020.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2021, waar [appellant sub 2B], bijgestaan door mr. V.C.T. Verkroost, advocaat te Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.C. Auw Yang-Rolle en mr. S.B.H. Fijneman, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De burgemeester is op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang als in een woning een middel als bedoeld in lijst I of lijst II, behorend bij de Opiumwet, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. De burgemeester heeft bij besluit van 14 januari 2019 op grond van dit artikel besloten om de sociale huurwoning van [appellanten sub 2] voor zes maanden te sluiten, omdat de politie op 30 oktober 2018 in de slaapkamer van een meerderjarige zoon 237,7 g cocaïne, een contant bedrag van € 7.000,00, een grammenweegschaal en een rol plastic zakjes heeft aangetroffen. De sluiting van de woning is door toegewezen verzoeken om een voorlopige voorziening tijdens het bezwaar en beroep geschorst. [appellanten sub 2] en de burgemeester zijn het met elkaar eens dat de burgemeester bevoegd was om het pand te sluiten, maar verschillen van mening over de vraag of hij in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Hoewel de burgemeester ter zitting bij de rechtbank te kennen heeft gegeven dat hij vanwege het tijdsverloop het sluitingsbevel niet meer zal uitvoeren, is hij in hoger beroep gegaan omdat hij met het oog op toekomstige besluiten duidelijkheid wenst te krijgen over de vraag of hij tot sluiting van de woning mocht overgaan.

Aangevallen uitspraak

2. In 2016 is vanwege kanker een nier bij [appellant sub 2A] verwijderd. Hij heeft veel pijn en last van vermoeidheid en moet regelmatig het ziekenhuis bezoeken, waarvan hij in beroep een afsprakenkaart heeft overgelegd. Daarnaast heeft hij in beroep een brief van de huisarts overgelegd, waarin de huisarts verklaart: "Hiervoor wil ik verklaren dat de heer [appellant sub 2A] ernstig ziek is en dat hij in deze conditie onmogelijk op straat gezet mag worden." Deze verklaring laat volgens de rechtbank de mogelijkheid open dat vanuit medisch oogpunt een tijdelijke vervangende woonruimte aan bepaalde eisen moet voldoen. Het had op de weg van de burgemeester gelegen om [appellant sub 2A] hierover nader te bevragen en eventueel nader onderzoek te doen, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de burgemeester het besluit op bezwaar in strijd met artikel 3:2 en artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onzorgvuldig heeft voorbereid en niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft de burgemeester opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Het hoger beroep van de burgemeester

3. De burgemeester betoogt allereerst dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden, omdat door [appellanten sub 2] in de hele procedure niet kenbaar is gemaakt dat vervangende woonruimte aan specifieke eisen moet voldoen. Volgens de burgemeester hebben [appellanten sub 2] alleen te kennen gegeven dat zij niet zelf in vervangende huisvesting kunnen voorzien.

Als de rechtbank niet buiten de omvang van het geschil is getreden, dan betoogt de burgemeester dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij de medische conditie van [appellant sub 2A] en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de vervangende huisvesting onvoldoende in beeld heeft gebracht. Hij heeft [appellanten sub 2] in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze op zijn voorgenomen besluit tot sluiting van de woning te geven. [appellanten sub 2] hebben weliswaar aangegeven dat [appellant sub 2A] ziek is, maar niet dat de vervangende woonruimte gelet op zijn medische conditie aan bepaalde eisen moet voldoen. De burgemeester heeft uit de processtukken ook geen concrete aanwijzing kunnen of moeten destilleren dat de vervangende woonruimte wellicht aan bepaalde vereisten zou moeten voldoen. Hij heeft zijn besluit zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd, aldus de burgemeester.

Beoordeling van het hoger beroep

4. De bestuursrechter doet op grond van artikel 8:69 van de Awb uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld, is inherent aan een sluiting van een woning dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. Dat wordt anders als de betrokkene een bijzondere binding heeft met de woning, bijvoorbeeld om medische redenen. Daarbij gaat het niet om een binding met de omgeving van de woning, maar specifiek om een binding met de woning zelf. Daarbij is van belang in hoeverre de betrokkene zelf geschikte vervangende woonruimte kan regelen, maar is ook een rol weggelegd voor de burgemeester. Gelet op de vereiste evenredigheid van de sluiting dient de burgemeester te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912, onder 4.2.2.

4.2. [appellanten sub 2] hebben in hun zienswijze over het voornemen tot het besluit van 14 januari 2019 kenbaar gemaakt dat [appellant sub 2A] ziek is. Zij hebben te kennen gegeven dat hij kanker heeft gehad, een nier bij hem is verwijderd en hij als gevolg daarvan nog steeds veel pijn heeft en vaak moe is. In hun beroepschrift bij de rechtbank hebben zij als bewijs een afsprakenkaart van het ziekenhuis en een verklaring van de huisarts overgelegd. Zij hebben de burgemeester erop gewezen dat het vanwege de ziekte van [appellant sub 2A], de drukke baan van [appellant sub 2B] en twee schoolgaande kinderen erg lastig is om een ander tijdelijk onderkomen te vinden en dat het in dit geval daarom onevenredig is om de woning te sluiten.

4.3. Zoals uit 2 volgt, heeft de rechtbank geoordeeld dat het op de weg van de burgemeester had gelegen om [appellant sub 2A] nader te bevragen of de vervangende woonruimte gelet op zijn ziekte aan bepaalde eisen zou moeten voldoen. De burgemeester betoogt echter terecht dat [appellanten sub 2] niet kenbaar hebben gemaakt dat de vervangende woonruimte gelet op medische gronden aan bepaalde vereisten zou moeten voldoen. Zij hebben betoogd dat het onder andere gelet op de ziekte van [appellant sub 2A] onevenredig zou zijn om hun woning voor zes maanden te sluiten en dat de burgemeester mede gelet op hun minderjarige kinderen aanvullend onderzoek had moeten doen naar adequate woonruimte. Daarbij is van belang dat [appellanten sub 2] tijdens de hoorzitting in bezwaar hebben verklaard dat [appellant sub 2A] niet daadwerkelijk afhankelijk is van de woning, maar dat het wel van belang is dat hij daar blijft wonen omdat dit dicht bij het ziekenhuis is. Tijdens de zitting van de Afdeling hebben [appellanten sub 2] nogmaals bevestigd dat zij niet concreet naar voren hebben gebracht dat vervangende woonruimte aan bepaalde specifieke vereisten moet voldoen. Uit wat [appellanten sub 2] hebben aangevoerd, heeft de burgemeester daarom niet hoeven afleiden dat [appellant sub 2A] een bijzondere binding met de woning heeft vanwege medische redenen. Dat dit uit de verklaring van de huisarts afgeleid zou kunnen worden, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen, omdat [appellanten sub 2] de verklaring niet in het licht daarvan hebben overgelegd. Zij hebben de verklaring alleen overgelegd om aan te tonen dat het voor hen onevenredig is om de woning te sluiten. De rechtbank is dan ook buiten de omvang van het geschil getreden door te overwegen dat de burgemeester naar aanleiding van wat [appellanten sub 2] over de ziekte van [appellant sub 2A] kenbaar hebben gemaakt daarover door had moeten vragen en voor zover noodzakelijk nader onderzoek had moeten doen.

Het betoog slaagt.

Het incidenteel hoger beroep van [appellanten sub 2]

5. [ appellanten sub 2] hebben incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door de burgemeester ingestelde hoger beroep gegrond is. Zoals uit 4.3 volgt, slaagt het betoog van de burgemeester, zodat de Afdeling het incidenteel hoger beroep zal beoordelen.

5.1. [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de sluiting van hun woning niet noodzakelijk en onevenredig is en dat de burgemeester had moeten volstaan met een waarschuwing. De rechtbank heeft ten onrechte volstaan met het oordeel dat de aangetroffen hoeveelheid drugs en drugsgerelateerde attributen en het feit dat de woning is gelegen in een veiligheidsrisicogebied voldoende zijn om over te gaan tot sluiting van de woning. De burgemeester heeft er onder andere geen rekening mee gehouden dat hun woning niet als drugspand bekendstond, dat er vanuit de woning geen drugshandel heeft plaatsgevonden en dat de verhuurder afhankelijk van de uitkomst van deze procedure alsnog kan overgaan tot het ontbinden van de huurovereenkomst en hen op een zwarte lijst kan plaatsen. Daarnaast is de aanwezigheid van minderjarige kinderen in samenhang bezien met de ziekte van [appellant sub 2A] en de onmogelijkheid om een vervangende woning te vinden een bijzondere omstandigheid op grond waarvan de burgemeester had moeten afzien van het sluiten van de woning. De rechtbank heeft dat niet onderkend, aldus [appellanten sub 2].

Beoordeling van het incidenteel hoger beroep

6. Zoals onder 1 overwogen, zal de burgemeester niet meer overgaan tot het sluiten van de woning. [appellanten sub 2] hebben desondanks belang bij de beoordeling van het incidenteel hoger beroep, omdat de verhuurder hun bij brief van 14 juli 2020 heeft laten weten dat hij afhankelijk van de uitkomst van deze procedure mogelijk alsnog overgaat tot ontbinding van de huurovereenkomst. Ondanks dat de burgemeester de woning niet meer zal sluiten, zal de Afdeling daarom beoordelen of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kon maken.

7. Gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, beschikt de burgemeester bij de uitoefening van de in die bepaling neergelegde bevoegdheid, over beleidsruimte. Dit betekent dat het aan de burgemeester is om de betrokken belangen af te wegen bij zijn besluit om deze bevoegdheid te gebruiken. Het is aan de bestuursrechter om te toetsen of de burgemeester na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.

7.1. Ter uitvoering van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet heeft de burgemeester de Beleidsregel artikel 13b Opiumwet inzake een woning of lokaal 2011 (hierna: de Beleidsregel; inmiddels vervangen door de Beleidslijn bestuurlijke handhaving artikel 13b Opiumwet Rotterdam 2019) vastgesteld. Volgens de Beleidsregel wordt een woning waarin voor de eerste maal een handelshoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen in beginsel gesloten, maar zal nadrukkelijk worden bezien of gelet op de feiten en omstandigheden met een waarschuwing kan worden volstaan. De Beleidsregel bevat een niet limitatieve opsomming van indicatoren die relevant zijn bij de zorgvuldige belangenafweging of sluiting noodzakelijk wordt geacht, dan wel dat kan worden volstaan met een waarschuwing. De Beleidsregel kent een sluitingstermijn van in beginsel zes maanden. Afhankelijk van de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden kan de sluiting worden bevolen voor maximaal twaalf maanden of worden beperkt tot drie maanden.

7.2. Op grond van artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, dient de burgemeester alle omstandigheden van het geval te betrekken in zijn beoordeling en te bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die maken dat het handelen overeenkomstig het beleid gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362, heeft overwogen, dient aan de voor bewoners mogelijk zeer ingrijpende gevolgen van de sluiting van een woning - die een inmenging in het in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) neergelegde recht kan vormen - een zwaar gewicht te worden toegekend bij de beoordeling van de vraag of de burgemeester in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken en, zo ja, of de wijze waarop de bevoegdheid is toegepast evenredig is.

7.3. [appellanten sub 2] betogen dat de burgemeester had moeten volstaan met een waarschuwing. De sluiting van hun woning is volgens hen niet noodzakelijk en evenredig.

Noodzakelijkheid

7.4. In de eerste plaats dient aan de hand van de ernst en omvang van de overtreding te worden beoordeeld in hoeverre sluiting van een woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat bij de woning en het herstel van de openbare orde.

7.5. De politie heeft in de woning 237,7 g cocaïne aangetroffen. Bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs in een woning, is het in beginsel aannemelijk dat de aangetroffen drugs deels of geheel bestemd waren voor verkoop, aflevering of verstrekking (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362). [appellanten sub 2] betwisten niet de ernst van de aangetroffen harddrugs en drugsgerelateerde attributen, maar zij stellen dat hun woning niet als drugspand bekendstond, dat er niet vanuit de woning werd gehandeld en dat op het moment van de besluitvorming de openbare orde al was hersteld. Er was daarom geen noodzaak om hun woning te sluiten, aldus [appellanten sub 2].

7.6. In verband met de ernst en omvang van de overtreding is mede van belang of de aangetroffen drugs feitelijk in of vanuit de woning werden verhandeld. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol speelt binnen de keten van drugshandel, wat op zichzelf al een belang bij sluiting oplevert, ook als ter plaatse geen overlast of feitelijke drugshandel is geconstateerd (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1435). Met een sluiting wordt de bekendheid van een pand als drugspand weggenomen en wordt de ‘loop’ naar het pand eruit gehaald, waarmee het pand aan het drugscircuit wordt onttrokken. Als blijkt dat de aangetroffen drugs niet in of vanuit de woning werden verhandeld, kan echter in mindere mate sprake zijn van een ‘loop’ naar de woning, wat de noodzaak om te sluiten gelet op het beoogde herstellende karakter van de maatregel minder groot kan maken (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 30 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2327, en 29 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3251). Feitelijke handel in of vanuit de woning kan worden aangenomen op grond van het in de woning aantreffen van attributen die te relateren zijn aan drugshandel, zoals een weegschaal, verpakkingsmaterialen, een grote hoeveelheid contant geld en wapens (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:148).

7.7. De politie heeft naast de grote handelshoeveelheid harddrugs ook een contant bedrag van € 7.000,00, een grammenweegschaal en een rol plastic zakjes aangetroffen. De burgemeester heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er in of vanuit de woning drugshandel heeft plaatsgevonden. Dat de woning van [appellanten sub 2] niet als drugspand bekendstond, betekent niet dat de burgemeester het in dit geval gelet op de grote handelshoeveelheid harddrugs en de aangetroffen drugsgerelateerde attributen niet in redelijkheid noodzakelijk kon achten om de woning te sluiten. Daarbij is ook van belang dat de woning in een veiligheidsrisicogebied ligt. De burgemeester heeft zich daarnaast in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de sluiting van de woning wordt beoogd de bekendheid van het pand in het criminele circuit teniet te doen en de kans op afrekeningen en ripdeals terug te dringen en dat dit doel niet was bereikt met de afwezigheid van de zoon van [appellanten sub 2]. De sluiting richt zich op de woning en is een zichtbaar signaal naar drugscriminelen en buurtbewoners met het oog op het voorkomen van overtredingen. Dat er volgens [appellanten sub 2] een lange periode zat tussen het aantreffen van de drugs en de besluitvorming door de burgemeester, doet niet af aan de noodzaak van de sluiting. Daarbij is van belang dat de burgemeester eerst een voornemen tot sluiting van de woning kenbaar heeft gemaakt waartegen [appellanten sub 2] een zienswijze hebben ingediend. Overigens gaat het om een periode van 2,5 maand tussen het in de woning aantreffen van de drugs op 30 oktober 2018 en het besluit van 14 januari 2019 om de woning te sluiten, zodat geen sprake is van een onredelijk lange periode.

Evenredigheid

7.8. Als sluiting van een woning in beginsel noodzakelijk wordt geacht, neemt dat niet weg dat de sluiting ook evenredig moet zijn. Voor de beoordeling van de evenredigheid zijn de hierna onder 7.9 tot en met 7.11 te bespreken omstandigheden van belang.

7.9. De vraag of de rechthebbende een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt, kan aan de orde komen in het kader van de beoordeling van de evenredigheid van de sluiting, zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2241. Het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding kan afzonderlijk of tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo kan bijvoorbeeld de betrokkene geen verwijt van de overtreding worden gemaakt, als hij niet op de hoogte was en evenmin redelijkerwijs op de hoogte kon zijn van de aanwezigheid van de aangetroffen drugs in zijn woning. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2116.

7.10. Inherent aan een sluiting van een woning is dat een bewoner de woning moet verlaten. Dit is op zichzelf dan ook geen bijzondere omstandigheid. De gevolgen van een woningsluiting kunnen echter bijzonder zwaar zijn indien de betrokkene niet kan terugkeren in de woning na de sluiting, bijvoorbeeld omdat door de sluiting zijn huurcontract wordt ontbonden. In dat kader dient ook betekenis te worden toegekend aan de vraag of de betrokkene door sluiting van de woning op een zogenoemde zwarte lijst komt te staan bij een woningbouwcorporatie als gevolg waarvan hij voor een bepaalde duur geen nieuwe sociale huurwoning kan huren in de regio (zie de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840). Dit hoeft zich echter niet zonder meer tegen sluiting te verzetten, bijvoorbeeld niet als de betrokkene een verwijt van de overtreding kan worden gemaakt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:719) of gezien de ernst van de overtreding (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1149).

7.11. De aanwezigheid van minderjarige kinderen in een woning is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de burgemeester van een sluiting moet afzien (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1174). Wel kan de aanwezigheid van minderjarige kinderen tezamen met andere omstandigheden maken dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Zo is het in het licht van artikel 8 van het EVRM en het Verdrag inzake de rechten van het kind wel van belang dat de burgemeester zich voldoende rekenschap geeft van het feit dat in een woning minderjarige kinderen wonen. In beginsel zijn de ouders van minderjarige kinderen zelf verantwoordelijk voor het vinden van vervangende woonruimte (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4046). De burgemeester moet zich echter informeren over geschikte opvang, waarbij hij moet bezien in hoeverre het kind of de betrokken ouders of verzorgers zelf in staat zijn om iets te regelen (vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 30 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3167 en van 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2562).

7.12. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat hij met inachtneming van de belangen van [appellanten sub 2] in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de sluiting van hun woning niet onevenredig is. Het gaat volgens hem immers om een grote hoeveelheid harddrugs, er is € 7.000,00 contant geld aangetroffen evenals drugsgerelateerde attributen die duiden op drugshandel, de woning ligt in een veiligheidsrisicogebied waar de drugsoverlast groot is en de zoon is eerder veroordeeld voor overtreding van de Wet wapens en munitie. Volgens de burgemeester moeten [appellanten sub 2] geacht worden zelf in staat te zijn om vervangende woonruimte te kunnen vinden, onder andere omdat zij al geruime tijd in Rotterdam wonen en [appellant sub 2B] een bloemenzaak exploiteert, waardoor zij volgens de burgemeester bekendheid in de buurt hebben en het niet aannemelijk is dat er absoluut geen opvangmogelijkheden zijn. Een tijdelijke verhuizing naar een aangrenzende gemeente kan volgens de burgemeester van hen gevergd worden. Voor het geval zij geen vervangende woonruimte kunnen vinden, heeft de burgemeester verwezen naar maatschappelijke opvang bij Centraal Onthaal.

7.13. [appellanten sub 2] betogen dat de burgemeester niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de sluiting van hun woning evenredig is. Zij erkennen dat de aanwezigheid van kinderen op zichzelf geen bijzondere omstandigheid is op grond waarvan de burgemeester zou moeten afzien van sluiting van de woning, maar de aanwezigheid van hun twee minderjarige en schoolgaande kinderen tezamen met andere omstandigheden leidt er volgens hen toe dat de sluiting onevenredig is. Ter onderbouwing hebben zij op het volgende gewezen.

De rechtbank heeft geoordeeld dat aangenomen mag worden dat [appellanten sub 2] geen weet hadden van de aanwezigheid van de harddrugs en de drugsgerelateerde attributen, zodat van persoonlijke verwijtbaarheid geen sprake is.

Daarnaast kunnen zij zelf niet voorzien in vervangende huisvesting, aldus [appellanten sub 2]. Zij hebben een aanvraag tot toegang tot de maatschappelijke opvang van Centraal Onthaal gedaan. Centraal Onthaal heeft echter te kennen gegeven dat [appellanten sub 2] niet aan de voorwaarden voor maatschappelijke opvang voldoen, omdat uit onderzoek is gebleken dat zij in staat moeten worden geacht om op eigen kracht en met behulp van hun netwerk tijdelijke huisvesting te regelen. Alleen als [appellanten sub 2] daadwerkelijk op straat komen te staan, zou Centraal Onthaal iets voor hen kunnen betekenen. [appellanten sub 2] hebben echter een verklaring van een andere meerderjarige zoon uit Rotterdam en twee verklaringen van familieleden uit Amsterdam overgelegd, waaruit blijkt dat deze zoon en de familieleden het gezin van [appellanten sub 2] geen onderdak kunnen bieden, omdat hun woningen daarvoor te klein zijn. [appellanten sub 2] voeren verder aan dat hun financiële middelen ontoereikend zijn om naast de doorlopende huur van hun woning op de particuliere woningmarkt een andere woning te huren of te kopen. Ter onderbouwing hebben zij inzage gegeven in hun inkomsten, waaruit volgens hen blijkt dat hun financiële draagkracht beperkt is. [appellanten sub 2] hebben ook op de sociale woningmarkt gezocht naar vervangende woonruimte, maar door hun beperkte inschrijvingstijd eindigen zij bij reacties op huurwoningen op een laag plaatsingsnummer. Het is daardoor volgens [appellanten sub 2] vrijwel onmogelijk om binnen afzienbare tijd een tijdelijke sociale huurwoning te bemachtigen.

Sluiting van de woning zou volgens [appellanten sub 2] extra zwaar voor hen zijn, omdat [appellant sub 2A] ziek is. Zoals uit rechtsoverweging 2 blijkt, is in 2016 vanwege kanker een nier bij hem verwijderd. Hij heeft veel pijn en last van vermoeidheid en moet regelmatig het ziekenhuis bezoeken. Ter onderbouwing heeft hij een afsprakenkaart van het ziekenhuis en een brief van de huisarts overgelegd, waarin de huisarts verklaart dat [appellant sub 2A] ernstig ziek is en onmogelijk op straat gezet mag worden.

Tot slot hebben [appellanten sub 2] erop gewezen dat ten tijde van het besluit op bezwaar de mogelijkheid nog openstond dat woningcorporatie Havensteder zou overgaan tot het ontbinden van hun huurovereenkomst en hen op een zwarte lijst zou plaatsen. Dat zou betekenen dat zij niet voor een andere sociale huurwoning in aanmerking zouden kunnen komen.

7.14. De burgemeester heeft in hoger beroep niet betwist dat [appellanten sub 2] geen verwijt van de overtreding gemaakt kan worden, zodat van het oordeel van de rechtbank daarover mag worden uitgegaan. De burgemeester heeft ook onderkend dat [appellant sub 2A] ziek is en dat [appellanten sub 2] twee minderjarige en schoolgaande kinderen hebben. Hoewel de door [appellanten sub 2] overgelegde documenten geen volledige inzage in hun inkomsten en uitgaven geven, blijkt daaruit wel voldoende dat hun financiële draagkracht niet dermate sterk is dat van hen in redelijkheid verwacht kan worden dat zij binnen een redelijke termijn in vervangende woonruimte op de particuliere woningmarkt kunnen voorzien. Dat hun financiële draagkracht beperkt is, blijkt ook uit het feit dat zij in aanmerking komen voor een sociale huurwoning. Zij hebben ook toegelicht dat [appellant sub 2A] door zijn ziekte niet kan werken en dat zij op een lage plek op de wachtlijst voor een sociale huurwoning staan. [appellanten sub 2] hebben daarom aannemelijk gemaakt dat zij zeer moeilijk in vervangende woonruimte kunnen voorzien. Daar komt bij dat ten tijde van het besluit op bezwaar niet uitgesloten was dat Havensteder tot ontbinding van de huurovereenkomst en plaatsing op een zwarte lijst zou overgaan, wat de gevolgen van het sluiten van de woning bijzonder zwaar zou maken voor [appellanten sub 2]. Ten tijde van de zitting bij de Afdeling was niet bekend of Havensteder alsnog zou overgaan tot het ontbinden van de huurovereenkomst en plaatsing op een zwarte lijst, omdat Havensteder te kennen heeft gegeven de procedure bij de bestuursrechter te willen afwachten, maar de burgemeester heeft wel verklaard dat in dit soort gevallen de huurovereenkomst meestal wordt ontbonden.

Hoewel de Afdeling begrip heeft voor de lastige situatie waarin de burgemeester zich bij de bestrijding van drugscriminaliteit bevindt en hij er terecht op heeft gewezen dat het om een ernstige overtreding gaat, is de Afdeling - anders dan de rechtbank - gelet op de door [appellanten sub 2] aangevoerde omstandigheden van oordeel dat er bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb zijn die maken dat het handelen overeenkomstig het uitgangspunt van het beleid in dit geval gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Dit betekent dat de burgemeester niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning gebruik heeft kunnen maken. Van belang daarbij is dat het gaat om een specifieke samenloop van omstandigheden, welke omstandigheden in samenhang bezien de sluiting van de woning in dit geval onevenredig maken: [appellanten sub 2] treft geen verwijt van de overtreding, zij hebben aannemelijk gemaakt dat het zeer moeilijk is om vervangende woonruimte op de particuliere en sociale woningmarkt te vinden, terwijl [appellant sub 2A] ziek is en zij twee minderjarige en schoolgaande kinderen hebben en daarnaast ontbinding van de huurovereenkomst en plaatsing op een zwarte lijst dreigt, waardoor de gevolgen van het sluiten van de woning verder strekken dan de sluiting voor zes maanden. Het risico op ontbinding van de huurovereenkomst en plaatsing op een zwarte lijst zou zich ook voordoen bij sluiting voor een kortere periode, want op grond van artikel 231, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek biedt een op artikel 13b van de Opiumwet gebaseerde sluiting op zichzelf de mogelijkheid om de huurovereenkomst zonder procedure bij de rechter te ontbinden. Een waarschuwing zou daarom passender zijn geweest.

Het betoog slaagt.

Slotsom

8. De hoger beroepen van de burgemeester en van [appellanten sub 2] zijn gegrond. Gelet op wat onder 7.14 is overwogen, moet de aangevallen uitspraak worden vernietigd voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de burgemeester opnieuw een besluit op bezwaar moet nemen. De Afdeling ziet aanleiding om in het belang van een effectieve rechtsbescherming en uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting zelf in de zaak te voorzien. Het besluit van 14 januari 2019 zal worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De aangevallen uitspraak moet voor het overige worden bevestigd met, gelet op wat onder 4.3 is overwogen, verbetering van de gronden waarop deze rust.

9. Bij besluit van 2 december 2020 heeft de burgemeester, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw besloten op het door [appellanten sub 2] gemaakte bezwaar. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Nu dit besluit is genomen ter uitvoering van de door de rechtbank gegeven opdracht, is door de vernietiging van die opdracht de grondslag aan dit besluit komen te ontvallen, zodat het alleen al daarom dient te worden vernietigd.

10. De burgemeester moet de proceskosten in verband met het hoger beroep van [appellanten sub 2] vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 augustus 2020 in zaak nr. 19/2414 voor zover de rechtbank heeft bepaald dat de burgemeester van Rotterdam opnieuw een besluit op bezwaar moet nemen;

III. herroept het besluit van de burgemeester van Rotterdam van 14 januari 2019, kenmerk hh.C.0287301.2018;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bij de onder II vermelde uitspraak vernietigde besluit op bezwaar;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. vernietigt het besluit van de burgemeester van Rotterdam van 2 december 2020 op het bezwaar tegen het onder III vermelde besluit;

VII. veroordeelt de burgemeester van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt de burgemeester van Rotterdam tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het incidenteel hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.496,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. De Vries
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2021

582-960