Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2241

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
06-10-2021
Zaaknummer
202006311/1/R1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 januari 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam een omgevingsvergunning aan Midvast verleend voor het plaatsen van twee airco-units op het dak van het gebouw Prinseneiland 29-31. Midvast heeft het topappartement Prinseneiland 29-31 te Amsterdam verkocht aan [belanghebbende], met inbegrip van een airco-installatie op het dak. [belanghebbende] woont daar. [bezwaarmaker] is eigenaar van het daarnaast gelegen adres [locatie A]. Op het dak van Prinseneiland 29-31 bevindt zich al een vergund dakterras. Midvast heeft op 25 oktober 2017 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van twee airco-units op het dak van Prinseneiland 29-31. Het dakterras op Prinseneiland 29-31 is daarin kleiner uitgevoerd dan eerder vergund en net buiten het dakterras, grenzend aan [locatie A], worden volgens het bouwplan de twee airco-units geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202006311/1/R1.

Datum uitspraak: 6 oktober 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Midvast B.V., gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 oktober 2020 in zaak nr. 19/877, 19/3250 en 20/1718 in het geding tussen:

Midvast

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 5 januari 2018 heeft het college een omgevingsvergunning aan Midvast verleend voor het plaatsen van twee airco-units op het dak van het gebouw Prinseneiland 29-31.

Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft het college een omgevingsvergunning voor het plaatsen van airco-units met een omheining op het dak van het gebouw Prinseneiland 29-31, geweigerd.

Bij besluit van 21 december 2018 heeft het college het bezwaar van [bezwaarmaker] tegen het besluit van 5 januari 2018 gegrond verklaard en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Bij besluit van 10 mei 2019 heeft het college het bezwaar van Midvast tegen het besluit van 22 oktober 2018 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 27 augustus 2019 heeft het college een omgevingsvergunning voor het plaatsen van twee airco-units op het dak van het gebouw Prinseneiland 29-31 geweigerd.

Bij besluit van 13 februari 2020 heeft het college het bezwaar van Midvast tegen het besluit van 27 augustus 2019 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 oktober 2020 heeft de rechtbank de door Midvast tegen de besluiten op bezwaar ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Midvast hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 september 2021, waar Midvast, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. D. op de Hoek, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Jobst, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], bijgestaan door mr. J. Pijtak, als partij gehoord.

Overwegingen

1.       Midvast heeft het topappartement Prinseneiland 29-31 te Amsterdam verkocht aan [belanghebbende], met inbegrip van een airco-installatie op het dak. [belanghebbende] woont daar. [bezwaarmaker] is eigenaar van het daarnaast gelegen adres [locatie A]. Op het dak van Prinseneiland 29-31 bevindt zich al een vergund dakterras.

2.       Midvast heeft op 25 oktober 2017 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van twee airco-units op het dak van Prinseneiland 29-31. Het dakterras op Prinseneiland 29-31 is daarin kleiner uitgevoerd dan eerder vergund en net buiten het dakterras, grenzend aan [locatie A], worden volgens het bouwplan de twee airco-units geplaatst. Bij het besluit op bezwaar van 21 december 2018 heeft het college het bezwaar van [bezwaarmaker] gegrond verklaard en een omgevingsvergunning geweigerd. Daarbij heeft het college overwogen dat er in het besluit van 5 januari 2018 ten onrechte van is uitgegaan dat het plaatsen van de airco-units niet strijdig is met het bestemmingsplan. De airco-units op het dak zijn in strijd met het bestemmingsplan, omdat deze de maximale bouwhoogte overschrijden. Een afwijking van het hoogtevoorschrift is op grond van artikel 5.4.4 van het bestemmingsplan alleen mogelijk als aan de voorwaarden die in dat artikel worden genoemd is voldaan en dat is volgens het college niet het geval. In dit verband heeft het college zich op het standpunt gesteld dat elke vergroting of verandering van de laatst vergunde situatie, waarbij een dakterras is toegestaan, een aantasting van het daklandschap is.

3.       Midvast heeft op 14 juni 2018 een aanvraag gedaan voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van twee airco-units met groene omheining op Prinseneiland 29-31. De airco-units worden in deze aanvraag op een andere plek op het dak geplaatst dan in de eerdere aanvraag, namelijk in het midden van het dak. De airco-units worden omheind door groen. Bij besluit van 22 oktober 2018 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Bij het besluit op bezwaar van 10 mei 2019 heeft het college het bezwaar van Midvast tegen het besluit van 22 oktober 2018 ongegrond verklaard. Met de airco-units wordt de maximale bouwhoogte overschreden. Afwijking van het bestemmingsplan is volgens het college niet gewenst vanwege aantasting van het daklandschap en de karakteristiek van het monument.

4.       Op 16 juli 2019 heeft Midvast een aanvraag ingediend voor het plaatsen van twee airco-units op het dak van Prinseneiland 29-31. De airco-units worden bij deze aanvraag geplaatst binnen de omheining van het dakterras. Bij besluit van 27 augustus 2019 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Bij het besluit op bezwaar van 13 februari 2020 heeft het college het bezwaar van Midvast tegen het besluit van 27 augustus 2019 ongegrond verklaard. De maximale bouwhoogte van het bestemmingsplan wordt overschreden. De installaties tasten het daklandschap volgens het college onevenredig aan.

5.       Ingevolge het bestemmingsplan "Haarlemmerbuurt/Westelijke Eilanden" (hierna: het bestemmingsplan) rust op Prinseneiland 29-31 de bestemming "Gemengd-1" met de dubbelbestemming "Waarde - cultuurhistorie" en de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - orde 1".

6.       Artikel 5.4 van de planregels van het bestemmingsplan luidt:

" 5.4 Bij omgevingsvergunning afwijken van de bouwregels

Toepassing van een bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken mag niet tot gevolg hebben dat de karakteristiek van het stadsgezicht in onevenredige mate wordt aangetast en/of aan de ruimtelijke kwaliteit van het plangebied in onevenredige mate afbreuk wordt gedaan.

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van de volgende bouwregels:

[…]

5.4.4 Maximale bouwhoogte

het bepaalde in artikel 5.2.3 onder b en artikel 5.2.4 onder b, voor het overschrijden van de bouwhoogte voor liften, trappenhuizen, condensatoren, koelinstallaties en centrale verwarmingsinstallaties tot ten hoogste 4 meter en voor schoorstenen, ventilatie-inrichtingen en antennes tot ten hoogste 5 meter;

Bij omgevingsvergunning afwijken voor lift- en trappenhuizen, condensatoren, koelinstallaties en centrale verwarmingsinstallaties is alleen mogelijk indien aantoonbare redenen uitwijzen dat de bedoelde onderdelen niet (geheel) inpandig kunnen worden gerealiseerd en onder de voorwaarde dat:

a. deze installaties zo klein als technisch mogelijk dienen te zijn;

b. deze installaties zoveel mogelijk uit het zicht vanaf de openbare ruimte dienen te worden geplaatst;

c. het daklandschap niet onevenredig wordt aangetast."

7.       Midvast betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het plaatsen van de airco-units zou leiden tot een onevenredige aantasting van het daklandschap. Aan de voorwaarde dat het daklandschap niet onevenredig wordt aangetast in artikel 5.4.4, onder c, van de planregels is volgens Midvast niet voldaan. In dit verband voert Midvast aan dat de rechtbank ten onrechte niet mede als uitgangspunt heeft genomen dat, volgens vaste rechtspraak, met het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid in een bestemmingsplan de situatie die kan ontstaan door de toepassing van deze bevoegdheid in beginsel planologisch aanvaardbaar wordt geacht.

7.1.    De Afdeling stelt vast, wat ook niet in geschil is, dat met de plaatsing van airco-units zoals op drie verschillende manieren aangevraagd, de maximale bouwhoogte die ter plaatse op grond van het bestemmingsplan geldt, wordt overschreden. Met toepassing van artikel 5.4.4 van de planregels kan van het bestemmingsplan worden afgeweken.

7.2.    Het hoger beroep heeft geen betrekking op het oordeel van de rechtbank over de voorwaarden in artikel 5.4.4 van de planregels dat de bedoelde onderdelen niet, geheel, inpandig kunnen worden gerealiseerd, de installaties zo klein als technisch mogelijk dienen te zijn en de installaties zoveel mogelijk uit het zicht vanaf de openbare ruimte dienen te worden geplaatst.

7.3.    De Afdeling overweegt dat met het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid in een bestemmingsplan weliswaar de situatie die kan ontstaan door de toepassing van deze bevoegdheid in beginsel planologisch aanvaardbaar wordt geacht, maar dat dit onverlet laat dat in een concreet geval aan de voorwaarden voor toepassing van de afwijkingsbevoegdheid moet worden voldaan.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat bij elk van de drie aanvragen sprake is van een onevenredige aantasting van het daklandschap. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op adviezen van de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit. De commissie acht de situering van airco-units op het dak niet passend in de monumentale omgeving. De installaties verstoren volgens de commissie het beschermde daklandschap. Daarbij maakt het voor de commissie niet uit of de airco-units binnen, dan wel buiten het hekwerk van het dakterras met een eigen omheining, worden geplaatst. Het gaat om een oneigenlijk element in het beschermde stadsgezicht, dat zichtbaar is vanuit de openbare ruimte. Er is volgens de commissie sprake van verrommeling van het daklandschap.

Het college heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat het daklandschap niet onevenredig wordt aangetast, zoals bedoeld in artikel 5.4.4, onder c, van de planregels. Het college heeft daarbij in aanmerking kunnen nemen dat met de airco-units het daklandschap rommeliger wordt, dit is te zien vanaf de openbare ruimte dan wel omliggende gebouwen, dat sprake is van een gemeentelijk monument en dat appartementen ook op alternatieve, inpandige manieren kunnen worden verwarmd en/of gekoeld. Aan de omstandigheid dat in 2016 in afwijking van het bestemmingsplan vergunning is verleend voor een dakterras komt in dit verband geen betekenis toe. Daarbij is uit het oogpunt van het monumentale karakter van het pand voorgeschreven dat de afrastering van het dakterras transparant moet worden uitgevoerd. Dat brengt mee dat ook airco-units die op het dakterras zijn geplaatst een zichtbaar, onderscheidend, element in het daklandschap vormen. Over het betoog van Midvast dat [bezwaarmaker] geen bezwaren heeft tegen de varianten 2 en 3 en nu ook niet meer tegen variant 1 in zijn feitelijke, kleiner dan vergunde, uitvoering, overweegt de Afdeling dat de belangen van [bezwaarmaker] bij de bepaling of sprake is van een onevenredige aantasting van het daklandschap als bedoeld in artikel 5.4.4 op zichzelf geen rol spelen. Dit geldt ook voor eventuele bouwkundige bezwaren tegen het inpandig realiseren van een koelingsmechanisme in het appartement van De Meijer en de financiële gevolgen daarvan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college de omgevingsvergunningen tot afwijking van het bestemmingsplan in redelijkheid heeft kunnen weigeren.

8.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2021