Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2240

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
06-10-2021
Zaaknummer
201906818/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 10 februari 2021 heeft de Afdeling de raad van de gemeente Ameland opgedragen binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 24 juni 2019, waarbij het bestemmingsplan "De Hagen" is vastgesteld, te herstellen. Het plan voorziet in het realiseren van ongeveer 42 parkeerplaatsen bij een bestaand parkeerterrein bij een supermarkt in Hollum. Uit de reactie op de zienswijze kan worden afgeleid dat de gemeenteraad het van belang acht dat de hinder van het inschijnen van licht door koplampen van auto’s wordt voorkomen. Dat het inrichtingsplan wellicht niet primair is opgesteld ter voorkoming van dergelijke hinder, doet niet af aan het feit dat de raad kennelijk waarde hecht aan een minimale hoogte van de ligusterhaag ter voorkoming van dergelijke hinder. De Afdeling stelt vast dat de hoogte van de haag niet in het inrichtingsplan is aangegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906818/2/R3.

Datum uitspraak: 6 oktober 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Hollum, gemeente Ameland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Ameland,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 10 februari 2021 heeft de Afdeling de raad opgedragen binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 24 juni 2019, waarbij het bestemmingsplan "De Hagen" is vastgesteld, te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 26 april 2021 heeft de raad het bestemmingsplan "De Hagen" gewijzigd vastgesteld.

[appellant] en anderen en [bedrijf] hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop het gebrek is hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.       Het plan voorziet in het realiseren van ongeveer 42 parkeerplaatsen bij een bestaand parkeerterrein bij een supermarkt in Hollum.

2.       Onder 10.3 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling naar aanleiding van het beroep van [appellant] en anderen het volgende overwogen:

"Uit het inrichtingsplan volgt dat langs het parkeerterrein een ligusterhaag van drie rijen zal worden geplant, evenals 4 bomen. De raad heeft in de reactie op de zienswijzen, waar in het verweerschrift naar wordt verwezen, naar voren gebracht dat door een groenafscherming het inschijnen van licht door koplampen van auto’s wordt weggenomen en dat uit het inrichtingsplan volgt hoe hoog de groenafscherming minimaal moet zijn. Verder heeft de raad op de zitting gesteld dat het inrichtingsplan is opgesteld in verband met de ruimtelijke inpassing van het parkeerterrein en niet dient om lichthinder te voorkomen.

Uit de reactie op de zienswijze kan worden afgeleid dat de raad het van belang acht dat de hinder van het inschijnen van licht door koplampen van auto’s wordt voorkomen. Dat het inrichtingsplan wellicht niet primair is opgesteld ter voorkoming van dergelijke hinder, doet niet af aan het feit dat de raad kennelijk waarde hecht aan een minimale hoogte van de ligusterhaag ter voorkoming van dergelijke hinder. De Afdeling stelt vast dat de hoogte van de haag niet in het inrichtingsplan is aangegeven. Gelet hierop wordt in het plan niet geregeld wat de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Gelet hierop is het bestemmingsplan in zoverre vastgesteld in strijd met de bij de voorbereiding van een besluit te betrachten zorgvuldigheid."

3.       Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen is het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 24 juni 2019 gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) te worden vernietigd.

4.       In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen het onder 10.3 van de uitspraak geconstateerde gebrek in het plan binnen 16 weken te herstellen. De Afdeling heeft de raad daarbij opgedragen alsnog in het plan te verzekeren dat een minimale hoogte van de haag wordt gerealiseerd en in stand gehouden in verband met het voorkomen van hinder van over de haag inschijnend licht van auto’s.

5.       De raad heeft naar aanleiding van de tussenuitspraak bij besluit van 26 april 2021 het plan gewijzigd vastgesteld. De raad heeft daarbij artikel 3.4.1 van de planregels gewijzigd. In artikel 3.4.1 van de planregels was bepaald dat de gronden niet eerder in gebruik mogen worden genomen dan nadat een goede ruimtelijke inpassing en aankleding van het terrein is gerealiseerd, hetgeen tot uitdrukking komt door de juiste toepassing van materiaal en de aanplant van groen en bomen, zoals opgenomen als ruimtelijke inpassing in bijlage 1.

In bijlage 1 bij de planregels is een inrichtingsplan opgenomen, voor de ruimtelijke inpassing en aankleding van het parkeerterrein.

In artikel 3.4.1 is nu bepaald:

"De gronden mogen niet eerder in gebruik worden genomen dan nadat een goede ruimtelijke inpassing en aankleding van het terrein is gerealiseerd, hetgeen tot uitdrukking komt door de juiste toepassing van materiaal en de aanplant van groen en bomen, zoals opgenomen als ruimtelijke inpassing in bijlage 1, waarbij de hoogte van de ligusterhaag ten minste 1,00 m bedraagt, gemeten vanaf het ter plaatse gelegen parkeerterrein."

6.       Het beroep van [appellant] en anderen heeft op grond van artikel 6:19 van de Awb van rechtswege betrekking op het nieuwe besluit van de raad.

7.       Hierna zal de Afdeling aan de hand van de door [appellant] en anderen en [bedrijf] naar voren gebrachte zienswijzen beoordelen of het college met het gewijzigd vaststellen van het plan heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.

8.       [appellant] en anderen voeren aan dat de in artikel 3.4.1 van de planregels voorgeschreven hoogte van de haag van minimaal 1 m onvoldoende is om hinder van inschijnend licht in de woonkamer te voorkomen. Zij stellen dat de ligusterhaag een hoogte moet hebben van 1,35 m. Volgens hen heeft de raad hun voorstel om deze hoogte in de planregels op te nemen ten onrechte onbesproken gelaten. Zij wijzen erop dat de bovenkant van een koplamp bij een personenauto op een maximale hoogte van 1,20 m is bevestigd en dat dat bij een bedrijfswagen of een 4x4 auto hoger kan zijn. Verder brengen zij naar voren dat er een niveauverschil is in de bestrating van het parkeerterrein van 15 cm.

[bedrijf] stelt dat hinder van inschijnend licht door de haag van 1 m hoog zoveel mogelijk wordt voorkomen. Daarbij is volgens haar ook van belang dat de supermarkt tot 18.00 u geopend is. Zij merkt op dat ook zonder haag slechts gedurende een beperkte periode in de winter hinder van inschijnende koplampen zou kunnen worden ondervonden.

9.       In paragraaf 1.5 van de plantoelichting van het gewijzigd vastgestelde plan staat dat ter voorkoming van hinder van over de haag inschijnend licht een hoogte van minimaal 1 m wordt voorgeschreven. In de plantoelichting staat dat elders op Ameland alle hagen 60-70 cm hoog zijn. Voor de haag op het parkeerterrein is een hogere maatvoering aangehouden, zodat hinder van inschijnend licht van auto’s wordt voorkomen, zo staat in de plantoelichting.

10.     De Afdeling stelt vast dat de raad, in afwijking van de gebruikelijke hoogte van hagen op Ameland van 60-70 cm, een haag van minimaal 1 m hoog uit een oogpunt van goede ruimtelijk ordening nodig acht om hinder van over de haag inschijnend licht van koplampen vanaf het parkeerterrein weg te nemen. De Afdeling ziet in wat [appellant] en anderen naar voren hebben gebracht geen aanleiding voor het oordeel dat de raad met het voorschrijven van een minimale hoogte van de haag van 1 m niet heeft voldaan aan de opdracht in de tussenuitspraak.

De Afdeling acht voldoende aannemelijk dat met een bladhoudende ligusterhaag van drie rijen en minimaal 1 m hoog hinder van in de woonkamer inschijnend licht van koplampen zo goed als kan worden weggenomen. Dat er mogelijk 4x4 auto’s en bedrijfsbusjes gebruik zullen maken van het parkeerterrein, waarbij de koplampen hoger zijn bevestigd dan bij een gewone personenauto, waardoor deze lampen over de haag heen kunnen schijnen, geeft geen aanleiding voor een andere conclusie. Daarbij betrekt de Afdeling dat waarschijnlijk is dat het parkeerterrein vooral gebruikt zal worden voor het parkeren van personenauto’s en daarnaast dat eventuele hinder van direct inschijnend licht van koplampen niet gedurende het hele jaar voor zal komen. De hinder die zou kunnen worden ondervonden van koplampen van bedrijfsbusjes en 4x4 auto’s die recht over de haag heen schijnen, als de hoogte van de haag beperkt blijft tot 1 m, zal zich dan ook in beperkte mate voordoen. Verder is niet gebleken dat zich zodanige niveauverschillen in het parkeerterrein voordoen dat de raad niet heeft mogen volstaan met het bepaalde in artikel 3.4.1 van de planregels dat de hoogte van de haag wordt gemeten vanaf het ter plaatse gelegen parkeerterrein. Daarbij is van belang dat [appellant] en anderen niet concreet hebben gemaakt waar het parkeerterrein een niveauverschil van 15 cm heeft. Onder deze omstandigheden en gelet op het feit dat uitgangspunt van de raad is dat normaal gesproken op Ameland de hagen maximaal 60-70 cm hoog zijn, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een ligusterhaag van drie rijen van minimaal 1 m hoog uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening voldoende is om hinder van inschijnend licht van koplampen weg te nemen.

Het betoog van [appellant] en anderen slaagt niet.

11.     De conclusie is dat het gebrek in het besluit van 24 juni 2019 met het herstelbesluit van 26 april 2021 is hersteld. Het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 26 april 2021 is ongegrond.

12.     Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Ameland van 24 juni 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Hagen" gegrond;

II.       vernietigt het onder I vermelde besluit;

III.      verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van de gemeente Ameland van 26 april 2021 tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan "De Hagen" ongegrond;

IV.      veroordeelt de raad van de gemeente Ameland tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.870,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.       gelast dat de raad van de gemeente Ameland aan [appellant] en anderen het door hun voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen de raad aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. G.T.J.M. Jurgens, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2021

378