Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2235

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
06-10-2021
Zaaknummer
202003596/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:4567, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2019 heeft de korpschef van politie een verzoek van [appellant] op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet politiegegevens afgewezen. Bij e-mail van 11 juli 2018 aan de politie, landelijke eenheid, heeft [appellant] de korpschef verzocht hem op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg inzage te verlenen in de persoonsgegevens die van hem worden verwerkt. Het gaat in het bijzonder om gegevensverwerking door het TCI (Team Criminele Inlichtingen), gegevensverwerking in het kader van rechtshulpverzoeken en gegevens die zijn verwerkt in lopende en afgesloten onderzoeken. Bij besluit van 8 februari 2019 heeft de korpschef inzage in gegevensverwerking geweigerd. Bij brief van 6 mei 2019 aan de politie, eenheid Rotterdam, heeft [appellant] een nieuw verzoek gedaan op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg. Bij het besluit van 2 juli 2019 heeft de korpschef het verzoek van 6 mei 2019 aangemerkt als een herhaalde aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003596/1/A3.

Datum uitspraak: 6 oktober 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], verblijvend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 mei 2020 in zaak nr. 19/3630 in het geding tussen:

[appellant]

en

korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2019 heeft de korpschef een verzoek van [appellant] op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) afgewezen.

Bij uitspraak van 20 mei 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2021, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M. van Stratum, advocaat te Pijnacker-Nootdorp, en de korpschef, vertegenwoordigd door mr. I.D. de Hoop, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Bij e-mail van 11 juli 2018 aan de politie, landelijke eenheid, heeft [appellant] de korpschef verzocht hem op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg inzage te verlenen in de persoonsgegevens die van hem worden verwerkt. Het gaat in het bijzonder om gegevensverwerking door het TCI (Team Criminele Inlichtingen), gegevensverwerking in het kader van rechtshulpverzoeken en gegevens die zijn verwerkt in lopende en afgesloten onderzoeken.

Bij besluit van 8 februari 2019 heeft de korpschef inzage in gegevensverwerking geweigerd.

Bij brief van 6 mei 2019 aan de politie, eenheid Rotterdam, heeft [appellant] een nieuw verzoek gedaan op grond van artikel 25, eerste lid, van de Wpg.

Bij het besluit van 2 juli 2019 heeft de korpschef het verzoek van 6 mei 2019 aangemerkt als een herhaalde aanvraag en die op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen omdat [appellant] geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft vermeld.

Hoger beroep

2.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef zijn verzoek van 6 mei 2019 op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft mogen afwijzen. Zijn verzoek is ten onrechte aangemerkt als een herhaald verzoek, omdat dat verzoek drie maanden na het besluit van 8 februari 2019 is ingediend en er na die datum nieuwe persoonsgegevens van hem zijn verwerkt. Dit blijkt uit een proces-verbaal van het TCI van 22 februari 2019, aldus [appellant]. Volgens [appellant] is zijn verzoek bovendien niet buitensporig. Dat de behandeling van zijn verzoek een onevenredig beslag legt op de politiecapaciteit heeft de korpschef niet aannemelijk gemaakt, aldus [appellant].

Beoordeling van het hoger beroep

2.1.    Artikel 4:6 van de Awb luidt:

"1. Indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

2. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking."

2.2.    Voor het antwoord op de vraag of artikel 4:6 van de Awb van toepassing is, dient te worden vastgesteld of het in dit geval om een herhaalde aanvraag gaat. Wil er van een herhaalde aanvraag sprake zijn, dan dient het te gaan om een gelijke aanvraag door dezelfde aanvrager aan hetzelfde bestuursorgaan dat eerder op dezelfde rechtsgrondslag een afwijzende beschikking heeft genomen. Bij een herhaalde aanvraag moet het gaan om een aanvraag tot het in het leven roepen van hetzelfde rechtsgevolg als waarop de eerdere aanvraag zag (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2803).

Volgens de korpschef zijn in het besluit van 8 februari 2019 de tot die datum verwerkte persoonsgegevens van [appellant] in aanmerking genomen. Met zijn verzoek van 6 mei 2019 wil [appellant] ook inzage in zijn persoonsgegevens die na 8 februari 2019 zijn verwerkt. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de korpschef terecht artikel 4:6 van de Awb toegepast, voor zover het verzoek van 6 mei 2019 betrekking heeft op dezelfde periode als waarop het verzoek van 11 juli 2018 betrekking heeft. Voor zover het verzoek van 6 mei 2019 betrekking heeft op de gegevens van na 8 februari 2019, kan het verzoek niet aangemerkt worden als een gelijke aanvraag en dus ook niet als een herhaalde aanvraag. De korpschef heeft daarom in zoverre ten onrechte artikel 4:6, tweede lid, van de Awb toegepast. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

Slotsom

3.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 2 juli 2019 vernietigen, voor zover de afwijzing van het verzoek van 6 mei 2019 betrekking heeft op inzage van zijn verwerkte persoonsgegevens van na 8 februari 2019. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de korpschef opdragen om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. De Afdeling ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

4.       De korpschef moet de proceskosten vergoeden.  

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 20 mei 2020 in zaak nr. 19/3630;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.      vernietigt het besluit van de korpschef van politie van 2 juli 2019, voor zover de afwijzing van het verzoek van [appellant] van 6 mei 2019 betrekking heeft op inzage in zijn verwerkte persoonsgegevens van na 8 februari 2019;

V.       draagt de korpschef van politie op om binnen 6 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

VI.      bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.     veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.992,- (zegge: tweeduizend negenhonderdtweeënnegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat de korpschef van politie aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 439,- vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.S. Man, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2021

629