Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:2217

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
06-10-2021
Zaaknummer
202005313/1/R4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2020:3883, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere maatwerkvoorschriften vastgesteld voor de activiteiten van de door [vergunninghouder] geëxploiteerde supermarkt aan de [locatie 1] te Serooskerke. [appellant] woont aan de [locatie 2] te Serooskerke. Achter zijn woning ligt een parkeerterrein dat hoort bij de supermarkt aan de [locatie 1] te Serooskerke. De supermarkt wordt geëxploiteerd door [vergunninghouder]. Het parkeerterrein heeft ongeveer 20 parkeerplaatsen en wordt verlicht door vier lichtmasten. Het terrein wordt onder meer gebruikt door personeel en klanten van de supermarkt en is toegankelijk voor derden, ook als de supermarkt gesloten is.

[appellant] heeft het college verzocht om maatwerkvoorschriften vast te stellen omdat hij in zijn woning en tuin lichthinder ervaart van de verlichting van het parkeerterrein.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/456
Jurisprudentie Grondzaken 2021/150 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005313/1/R4.

Datum uitspraak: 6 oktober 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Serooskerke, gemeente Veere,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland­-West­-Brabant van 18 augustus 2020 in zaak nr. 19/2710 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Veere.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2018 heeft het college maatwerkvoorschriften vastgesteld voor de activiteiten van de door [vergunninghouder] geëxploiteerde supermarkt aan de [locatie 1] te Serooskerke.

Bij besluit van 3 mei 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 31 juli 2018 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 18 augustus 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 september 2021, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Lubben, advocaat te Zoetermeer, is verschenen. Het college, vertegenwoordigd door mr. S. Vasseur, heeft door middel van een videoverbinding deelgenomen aan de zitting. Voorts is [vergunninghouder] als partij gehoord.

Overwegingen

1.       [appellant] woont aan de [locatie 2] te Serooskerke. Achter zijn woning ligt een parkeerterrein dat hoort bij de supermarkt aan de [locatie 1] te Serooskerke. De supermarkt wordt geëxploiteerd door [vergunninghouder]. Het parkeerterrein heeft ongeveer 20 parkeerplaatsen en wordt verlicht door vier lichtmasten. Het terrein wordt onder meer gebruikt door personeel en klanten van de supermarkt en is toegankelijk voor derden, ook als de supermarkt gesloten is.

[appellant] heeft het college verzocht om maatwerkvoorschriften vast te stellen omdat hij in zijn woning en tuin lichthinder ervaart van de verlichting van het parkeerterrein.

2.       Bij het besluit van 31 juli 2018, gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 3 mei 2019, heeft het college maatwerkvoorschriften vastgesteld. Het college heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de verlichting sterker is dan noodzakelijk. [appellant] ondervindt hiervan overlast en het energieverbruik is hoger dan nodig. De verlichtingssterkte tijdens de openingstijden van de supermarkt moet worden teruggebracht naar een lager niveau, waarbij het terrein zodanig wordt verlicht dat daarvan veilig gebruik kan worden gemaakt. Na sluitingstijd kan de verlichting worden teruggebracht naar een nog lager niveau, maar is wel enige verlichting nodig uit het oogpunt van sociale veiligheid, aldus het college.

De maatwerkvoorschriften luiden als volgt.

"Voorschrift 1: Ter voorkoming van lichthinder moeten de armaturen op het parkeerterrein aan de Burgemeester Dregmanstraat zodanig afgesteld staan dat voldaan wordt aan de grenswaarden van de Richtlijn Lichthinder van de NSVV voor zone E3.

Voorschrift 2: Binnen 2 maanden na het in werking treden van dit besluit dient een lichtplan te worden overgelegd- Het lichtplan moet door een deskundige volgens NSVV richtlijnen voor zone E3 worden opgesteld. Uit het Lichtplan moet blijken welke verlichting op het parkeerterrein minimaal noodzakelijk is voor het doel van de lichtinstallatie, namelijk het verlichten van het parkeerterrein voor bezoekers en het verlichten van het parkeerterrein uit het oogpunt voor sociale veiligheid als de supermarkt gesloten is. Het lichtplan moet een voorstel bevatten voor de noodzakelijke aanpassingen om lichthinder te voorkomen en energie te besparen. Na goedkeuring van het lichtplan moeten de maatregelen voor energiebesparing en ter voorkoming van lichthinder binnen één maand worden aangebracht."

3.       Ter zitting heeft [appellant] meegedeeld dat zijn beroep zich niet richt tegen maatwerkvoorschrift 1.

3.1.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat maatwerkvoorschrift 2 onvoldoende is om de lichthinder tegen te gaan. Hij voert daartoe aan dat het college had moeten bepalen dat de verlichting geheel moet zijn uitgeschakeld als de supermarkt gesloten is. Het parkeerterrein wordt volgens hem namelijk alleen gebruikt door het personeel, zodat buiten de openingstijden geen behoefte is aan verlichting van het terrein.

[appellant] voert verder aan dat maatwerkvoorschrift 2 in strijd is met de rechtszekerheid. [vergunninghouder] heeft een document van Nobralux van 30 augustus 2018 overgelegd, maar dit document kan volgens [appellant] niet worden aangemerkt als lichtplan. In het document staan namelijk uitsluitend berekeningen en is niet vermeld welke maatregelen worden genomen om lichthinder te beperken. Bovendien is de lichthinder op zijn perceel niet verbeterd, aldus [appellant].

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 8 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO6612) heeft het college beleidsruimte bij de beslissing om maatwerkvoorschriften vast te stellen. Indien wordt besloten tot het vaststellen daarvan, heeft het college een zekere beoordelingsruimte bij de vaststelling van wat nodig is ter bescherming van het milieu.

3.3.    De rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de maatwerkvoorschriften de lichthinder op het perceel van [appellant] onvoldoende beperken. De Afdeling overweegt daartoe dat volgens maatwerkvoorschrift 1 moet worden voldaan aan de grenswaarden van de Richtlijn Lichthinder van de Nederlandse Stichting voor verlichtingskunde. Daarin zijn grenswaarden opgenomen voor de sterkte van verlichting op gevels. Verder moet volgens maatwerkvoorschrift 2 een lichtplan worden gemaakt waarin staat welke verlichting minimaal noodzakelijk is voor het doel van de lichtinstallatie, en waarin een voorstel wordt gegeven voor het voorkomen van lichthinder. Die maatregelen moeten na goedkeuring van het lichtplan worden uitgevoerd. Uitgangspunt is dus dat de lichtinstallatie op zo’n manier wordt ingericht dat [appellant] zo min mogelijk lichthinder ondervindt.

De Afdeling is van oordeel dat het college niet was gehouden om te bepalen dat de verlichting geheel moet zijn uitgeschakeld buiten de openingstijden van de supermarkt. Het college heeft gemotiveerd dat ook na sluiting behoefte bestaat aan enige verlichting van het parkeerterrein, maar dat kan worden volstaan met een lager verlichtingsniveau dan op de momenten waarop de supermarkt is geopend. Dat volgens [appellant] sprake is van een privéparkeerterrein laat onverlet dat dit terrein buiten de openingstijden kan worden gebruikt door derden. Het college heeft in redelijkheid belang kunnen hechten aan het waarborgen van de sociale veiligheid op die momenten en voor die personen.

3.4.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat maatwerkvoorschrift 2 rechtsonzeker is. Wat [appellant] in dit verband aanvoert gaat niet over de vraag of het college dit maatwerkvoorschrift in redelijkheid heeft kunnen vaststellen, maar over de uitvoering daarvan.

[vergunninghouder] heeft naar eigen zeggen een lichtplan ingediend, te weten het document van Nobralux. Of dat document voldoet aan de eisen van maatwerkvoorschrift 2 valt buiten het bestek van deze procedure. Dit moet in eerste instantie worden beoordeeld door het college, die het lichtplan moet goedkeuren en dat nog niet heeft gedaan. Als het lichtplan wordt goedgekeurd en [appellant] het daarmee niet eens is, kan hij tegen het goedkeuringsbesluit bezwaar maken. Als het lichtplan wordt goedgekeurd en [appellant] vindt dat de maatregelen die op grond van dat plan moeten worden genomen niet worden nageleefd, kan hij bij het college een handhavingsverzoek indienen.   

3.5.    De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de maatwerkvoorschriften de lichthinder op het perceel van [appellant] tot een aanvaardbaar niveau beperken.

Het betoog slaagt niet.

4.       Het college heeft ter zitting toegelicht dat pas een besluit wordt genomen over de goedkeuring van het lichtplan als de maatwerkvoorschriften onherroepelijk zijn geworden. Volgens het college wordt hiermee voorkomen dat [vergunninghouder] aanpassingen en investeringen doet die later moeten worden teruggedraaid.

De Afdeling merkt op dat [appellant] door de handelswijze van het college al meer dan drie jaar in een situatie verkeert die het college zelf aanmerkt als overlastgevend. De Afdeling vraagt daarom aan het college aandacht voor een voortvarende besluitvorming over het lichtplan, waarbij wordt beoordeeld of het lichtplan daadwerkelijk voldoet aan de eisen in maatwerkvoorschrift 2. Ook vraagt de Afdeling aan het college aandacht voor de uitvoering en naleving van een eenmaal goedgekeurd lichtplan.

5.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2021